← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080121.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 21 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080121.9 Rolnummer: 2005AR1697 Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2009-01-21 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-02 16:54 Fiche UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Algemene bepalingen - Rechterlijke bevoegdheid GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Algemene bepalingen - Rechterlijke bevoegdheid - Uitzonderlijke toekenning GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Algemene bepalingen - Conflictenrecht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Algemene bepalingen - Uitwerking van buitenlandse rechterlijke beslissingen en authentieke akten - Bevoegdheid en procedure GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Verbintenissen - Internationale bevoegdheid - Contractuele en niet-contractuele verbintenissen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Verbintenissen - Toepasselijk recht - Toepassingsgebied van het recht toepasselijk op verbintenissen uit onrechtmatige daad GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Verbintenissen - Toepasselijk recht - Recht toepasselijk op de rechtstreekse vordering van de verzekeraar Vrije woorden: Busongeval in Frankrijk, met Spaanse bus en in België wonende slachtoffers, op 30 augustus

  1. I. Artikel 9, lid 2 van het Verdrag van Den Haag van 4 mei 1971 inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen. België, Frankrijk en Spanje als aangesloten landen. II. Combinatie van art. 3 van voormeld Haags verdrag en van de hiernavermlede Franse wet Badinter. III. Inhoud van de Franse wet Badinter nr. 85-677, van 5 juli
  2. Overgangsrecht (art. 47 van de wet Badinter). Quid sanctie bij niet tijdige aanbieding van een vergoedingsvorstel aan de slachtoffers (art. 12 wet Badinter). IV. Rechtstreekse vordering van de slachtoffers van een verkeersongeval tegen de verzekeraar in de Franse Code des assurances. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2005/AR/1697 INZAKE VAN : 1) Mevrouw C. S., 2) De heer R. S., 8, 3) Mevrouw Co. S., 4) De heer H. S., handelende in eigen naam en in hun hoedanigheid van erfgenamen van wijlen de heer L. S. en van wijlen Mevrouw E. D., 5) Mevrouw D. V., 6) De heer Le. V.L., 7) De heer M. V.L., verweerders in cassatie van een arrest gewezen op 26 juni 1997 door het hof van beroep te Antwerpen, appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 21 mei 1986, de eerste en vijfde appellanten vertegenwoordigd door Meester Erwin VANGOIDSENHOVEN, advocaat te 2800 MECHELEN, Veemarkt 80, en door Meester Ronny BAUDEWYN, advocaat te 1020 BRUSSEL, Houba de Strooperlaan 748, de tweede, derde, vierde, zesde en zevende appellanten vertegenwoordigd door Meester Wilfried VERHELST, advocaat te 2650 EDEGEM, Victoriastraat 37, TEGEN : De SERVICIO DE RESGOS ESPECIALES AUTOMOBILES, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te E - MADRID 4 (SPANJE), Calle Sagasta 18, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Karolien PHLIPS loco Meester Jan DE BONDT, advocaat te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643, Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het tussenarrest van deze kamer d.d. 10 september 2007 en de in dit arrest vermelde procedurestukken, waarbij - volledigheidshalve - ook melding wordt gemaakt van de aanvullende conclusie na cassatie van geïntimeerde, ter griffie neergelegd op 11 augustus
  3. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 23 oktober 2007 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Stand van de procedure
  4. Bij het tussenarrest werd vastgesteld dat de debatten voor het hof zich beperken, wat de vordering betreft van de consorten S. tegen de Servicio de Resgos Especiales Automobiles, hierna Servicio, enkel tot het voorwerp van de door de consorten S. opgeworpen grief tegen het bestreden arrest, met name of zij ten gronde al dan niet beschikken over een rechtstreekse vordering tegen de verzekeringsmaatschappij Servicio. In bevestigend geval zullen de vorderingen van de consorten S. moeten onderzocht worden. II. Over de rechtstreekse vordering
  5. Servicio houdt voor dat de consorten S. niet beschikken over een rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar.
  6. De consorten S. vorderen vergoeding van de schade die zij opgelopen hebben naar aanleiding van een verkeersongeval dat zich op 30 augustus 1981 voorgedaan heeft in Frankrijk, te Fleury-la-Vallée, op de autosnelweg A
  7. De heer L. S. en zijn echtgenote E. D., hun dochter C. S. en kleindochter D. Verdikt hadden toen plaatsgenomen als passagiers in een autobus van het merk Pegaso, ingeschreven in Spanje onder nummerplaat B-4910-DX, bestuurd door de heer Gomez en toebehorend aan de heer Guttierez die een geldige verzekering B.A. Auto had afgesloten bij Servicio (zie groene kaart ).
  8. Krachtens artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Den Haag van 4 mei 1971 inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg, beschikken de benadeelden over een rechtstreekse vordering tot schadevergoeding op de verzekeraar van de aansprakelijke partij "indien zulks wordt toegestaan door de interne wet van de Staat op welks grondgebied het ongeval heeft plaatsgevonden". België, Spanje en Frankrijk zijn bij deze conventie aangesloten.
  9. Het wordt niet betwist dat de aldus toepasselijke wetgeving (en meer bepaald artikel R124 van de Franse Code des assurances) een rechtstreekse vordering tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar aan de slachtoffers van verkeersongevallen toekent. Geïntimeerde stelt bijgevolg ten onrechte dat appellanten over geen rechtstreekse vordering beschikken.
  10. Krachtens artikel 3 van het geciteerde Verdrag van Den Haag van 4 mei 1971 is de toepasselijke wet de interne wet van de Staat op welks grondgebied het ongeval heeft plaatsgevonden, anders gezegd de Franse wet. Te dezen maken appellanten aanspraak op de toepassing van de wet 85-677 van 5 juli 1985, beter bekend onder de naam wet Badinter die een bijzonder vergoedingssysteem ten voordele van de slachtoffers van verkeersongevallen invoerde, welke vergelijkbaar is met het Belgische artikel 29bis van de WAM-wet. Artikel 47, tweede lid, van de wet Badinter bepaalt dat het vergoedingssysteem (art. 1 tot 6) van toepassing is op de verkeersongevallen die het voorwerp uitmaakten van een vordering in rechte vόόr de publicatie van de wet voor zover zij geen aanleiding gaven tot een dading of tot een beslissing die niet meer vatbaar is voor een voorziening in cassatie. Dit is hier het geval nu de consorten D. en S. hun vordering hebben ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen bij exploot van 22 maart 1982 en geïntimeerde in gedwongen tussenkomst bij exploot van 5 september 1984 hebben gedagvaard en nu de zaak geen aanleiding gaf noch tot een definitieve rechterlijke beslissing noch tot een dading. Hieruit vloeit voort dat de vraag naar de mogelijke aansprakelijkheid van de chauffeur van de door geïntimeerde verzekerde bus, volledig overbodig is. Geïntimeerde is ertoe gehouden appellanten te vergoeden voor de schade, zoals bij de wet Badinter omschreven. Het volstaat vast te stellen dat de bus in de kettingbotsing betrokken werd, wat niet betwist wordt en afdoende bewezen wordt door de vaststellingen en verklaringen zoals overgenomen in de strafbundel.
  11. De wet Badinter betreft de schade ingevolge de aantastingen aan de persoon van de slachtoffers (" les dommages résultant des atteintes à leur personne") en strekt zich uit enerzijds tot alle economische gevolgen van de aantasting van de fysieke integriteit van het slachtoffer, zoals de prothesen, geneeskundige onkosten, onkosten veroorzaakt door een tijdelijke of blijvende ongeschiktheid, het loonverlies, inkomstenverlies of zelfs waardevermindering van een goed veroorzaakt door een ongeschiktheid zoals bij voorbeeld de minderwaarde van een handelszaak wegens verminderde geschiktheid van het slachtoffer, begrafeniskosten en anderzijds alle niet economische gevolgen van deze aantasting van de fysieke integriteit zoals de fysiologische schade, genegenheidschade, pretium doloris, seksuele schade en zelfs jeugdschade . III. De schade van appellanten
  12. Er wordt geen enkel bewijs voorgelegd dat appellanten enige provisie zouden ontvangen hebben noch vanwege Via International noch vanwege de vervoerder Iberbus. Het hof dient dan ook geen ander voorschot in rekening brengen dan deze die het voorwerp uitmaken van de kwitanties in het dossier van geïntimeerde, met name: - ten voordele van mevrouw C. S.: 25.000 FF (3.810,98 euro ) op 29 juni 1982, 15.000 FF (2.286,58 euro ) op 12 augustus 1982 en 10.000 FF (1.524,39 euro ) op 17 november 1982; - ten voordele van mevrouw E. D.: 10.000 FF (1.524,39 euro ) op 5 juli 1982 (voorschot op lichamelijke schade) en 200.000 BEF op 25 april 1984, betaald ten definitieve titel als vergoeding voor de morele schade ingevolge het overlijden van haar echtgenoot ("à titre définitif pour le dommage moral que j'ai subi du fait du décès de mon mari").
  13. Appellanten maken aanspraak op de sanctie zoals bepaald bij art. 12 van de wet Badinter in het geval dat de verzekeraar nagelaten heeft binnen de door deze wet gestelde termijn een vergoedingsvoorstel aan de slachtoffers te formuleren, welke sanctie bestaat in de verdubbeling van de verschuldigde wettelijke interesten op de toegekende schadevergoedingen. Geïntimeerde werpt echter terecht op dat, krachtens art. 47, eerste lid, van de wet Badinter, de bepalingen van de artikelen 12 tot 34 van deze wet niet van toepassing zijn op de ongevallen die zich vόόr de datum van inwerkingtreding van de wet hebben voorgedaan. De aangehaalde sanctie is derhalve te dezen niet van toepassing nu het ongeval van 30 augustus 1981 ruim vόόr de inwerkingtreding van de wet Badinter heeft plaatsgehad. Bijgevolg zullen hierna de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet worden toegekend. A. Schade ingevolge het overlijden van de heer L. S. Materiële kosten
  14. Zoals hierboven uiteengezet (randnummer 7) vallen de hierna toegekende schadeposten ten laste van de verzekeraar krachtens de bepalingen van de wet Badinter. De materiële kosten zijn gestaafd en niet ernstig betwist. Wat de begrafeniskosten betreft hebben appellanten een correcte berekening van vervroegde uitgave toegepast.
  15. Er komt aan appellanten toe: - begrafeniskosten 562,42 euro - reis- en verblijfkosten: 195,96 euro - telefoonkosten: 89,19 euro - allerhande kleine kosten: 51,69 euro Totaal: 899,26 euro te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 30 augustus
  16. Inkomstenverlies voor de weduwe, mevrouw E. D.
  17. De erfgenamen van wijlen mevrouw E. D. vorderen een inkomensverlies naar aanleiding van het overlijden van haar echtgenoot, L. S., berekend op 48.729,77 euro tot de pensioenleeftijd en 42.902,73 euro vanaf de pensioenleeftijd, met een deductie van 40 % van het eigen inkomen. De heer L. S., overleden naar aanleiding van het ongeval van 30 augustus 1981, was geboren op 20 maart
  18. Hij was dus 60,5 jaar oud op de datum van het ongeval. Hij werkte als "helper-motorist bij de Havenkapiteinsdienst" (voor rekening van de Stad Antwerpen) en zou de pensioenleeftijd op 65 jaar hebben bereikt (datum 20 maart 1986).
  19. Tot aan de pensioenleeftijd vorderen de erfgenamen van E. D. het jaarlijkse brutoloon (746.300 BEF), berekend met een coëfficiënt van 4,5 % op basis van wiskundige tabel en onder aftrek van 40 % voor eigen onderhoud.
  20. Geïntimeerden werpen terecht op dat te dezen het inkomensverlies op grond van het nettoloon moet berekend worden nu geenszins vaststaat dat de vergoeding die aan appellanten toekomt zou belast worden. Wat deze vergoeding betreft dient het hof wel aan appellanten voorbehoud verlenen voor mogelijke latere belasting. Het netto-inkomen van de heer S. bedroeg in 1981 (9 maanden) 433.706 BEF . Het jaarlijks inkomen bedroeg dan ook 578.275 BEF of 14.335,06 euro (433.706 x 12/9).
  21. Gelet op het sociaal niveau, de hoegrootheid van de totale inkomsten van het echtpaar en hun leeftijd kan het aandeel voor persoonlijk onderhoud worden berekend op een derde van de gezamenlijke inkomsten van het echtpaar. Geïntimeerde maakt ten onrechte een berekening op basis van het netto-inkomen van mevrouw D. voor het jaar 1981 (185.657 BEF) . Vanaf 1 juni 1981 was mevrouw D. immers met pensioen en zij genoot een door appellanten niet betwist pensioeninkomen van 85.067 BEF (2.108,76 euro ) bruto per jaar , of naar schatting 80.000 BEF netto. Het aandeel voor persoonlijk onderhoud wordt dus berekend op 219.425 BEF (578.275 BEF + 80.000 BEF = 658.275 BEF x 1/3). Het jaarlijks inkomensverlies bedraagt aldus 358.850 BEF (578.275 BEF - 219.425 BEF).
  22. Berekend volgens het coëfficiënt gehanteerd door geïntimeerde , wordt het verlies berekend op 358.850 x 4,225 of 1.516.141 BEF (of thans 37.584,15 euro ), met voorbehoud voor latere belasting. Dit bedrag is te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de gemiddelde datum van deze periode, zijnde 10 december
  23. Het inkomensverlies vanaf de pensioenleeftijd wordt berekend door de erfgenamen van mevrouw D. rekening houdend met de (niet betwiste) vermoedelijke levensduur van de heer S. (11 jaar) op grond van een jaarlijks geïndexeerd pensioeninkomen van 338.158 BEF en met een deductie van 40 % van het eigen inkomen.
  24. Ook wat deze post betreft zal het hof uitgaan van het netto-inkomen, mits voorbehoud voor latere belasting. De heer S. zou het recht hebben gehad op een jaarlijks rustpensioen voor het basisbedrag van 134.880 BEF bruto, gekoppeld aan het indexcijfer. Het door appellanten weerhouden geactualiseerd bedrag van 338.158 BEF is redelijk en kan in aanmerking worden genomen. De door geïntimeerde voorgestelde aftrek voor belastingen t.b.v. 30 % is duidelijk overdreven gelet op het inkomenspeil. Bij gebrek aan nauwkeurige gegevens wordt het netto-inkomen van de heer S. geschat op 270.000 BEF.
  25. Zoals voor het inkomenverlies vόόr de pensioenleeftijd houdt het hof rekening met een eigen aandeel van het slachtoffer in de gezinsuitgaven van een derde van het gezinsinkomen. Vanaf 1 juni 1981 was mevrouw D. met pensioen en zij genoot een door appellanten niet betwiste pensioeninkomen van 85.067 BEF (2.108,76 euro ) bruto per jaar , of naar schatting 80.000 BEF netto. Het aandeel voor persoonlijk onderhoud van het slachtoffer bedroeg dan ook een derde van 350.000 BEF (gezinsinkomen 270.000 BEF + 80.000 BEF) of 116.667 BEF.
  26. Het jaarlijks inkomstenverlies bedraagt 153.333 BEF (270.000 BEF - 116.667 BEF) of 3.801,03 euro , Het gekapitaliseerd inkomensverlies, berekend met toepassing van de tabel [Lijfrente - Mannen - maandelijkse betalingen - vaste rente - levenslang, coëfficiënt 65 jaar, 4,5 %] , bedraagt 3.801,03 euro x 9,732 = 36.991,62 euro . Dit bedrag is te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de gemiddelde datum van deze periode, zijnde 20 augustus
  27. Morele schade
  28. De morele schade van de echtgenote E. D. werd al door geïntimeerde vergoed (zie randnummer 8). De geldigheid van de dading over de begroting van deze schade wordt niet aangevochten.
  29. Voor de dochter C. S. was de morele schade bijzonder belangrijk nu zij aanwezig was bij het dodelijke ongeval van haar vader toen ze met deze laatste terug naar huis reisde na een vakantieverblijf in Spanje. De gevorderde morele schade is redelijk begroot op 4.500 euro . In hoofde van de andere (niet inwonende) kinderen R. S., Co. S. en H. S. wordt de morele schade in billijkheid begroot op 3.500 euro , elk. De gevorderde morele schade voor elk van de kleinkinderen D. V., Le. V.L. en M. V.L. wordt redelijk en billijk begroot op 1.250 euro . Die bedragen zijn telkens te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van het overlijden, te weten 30 augustus
  30. B. Schade geleden door E. D.. Materiële kosten
  31. De hospitalisatiekosten voor een totale som van 47.462 BEF of 1.176,52 euro , eerst in Frankrijk (Joigny) en dan in België (Jan Palfijnziekenhuis te Merksem) zijn door stukken gestaafd. M.b.t. de kosten in België werd er met de tussenkomst van het ziekenfonds rekening gehouden, zoals blijkt uit de voorgelegde facturen . Wat de Franse factuur betreft, t.b.v. 272,44 FF, zijnde 1.853 BEF (en niet 1.853 euro zoals ten onrechte in de conclusie van geïntimeerde geschreven), is de stelling van appellanten dat er geen tussenkomst verleend werd door het ziekenfonds volledig geloofwaardig voor buitenlandse medische kosten uit het jaar
  32. De verpleegnota's in België (vordering van appellanten: 6.806 BEF) hebben inderdaad het voorwerp moeten maken van een terugbetaling door het ziekenfonds. Bij gebrek aan stukken hierover wordt deze post herleid tot 100 euro .
  33. Appellanten vorderen de kosten voor een nieuw kunstgebit en beroepen zich op het attest van de behandelende tandarts Simons uit Antwerpen die het noodzakelijk karakter van de plaatsing van een prothese bevestigde. De uitgave zelf is echter niet door stukken bewezen en noch het verslag van minnelijke expertise noch het verslag van Dr. De Roover maken gewag van de plaatsing van een niet nader omschreven kunstgebit in oorzakelijk verband met het ongeval. Deze post wordt bijgevolg verworpen.
  34. De kosten voor taxivervoer (vordering 35.170 BEF) zijn deels gestaafd, dit is tot beloop van 24.500 BEF (634,61 euro ). Gelet op de situatie van mevrouw D. en de opgelopen letsels neemt het hof aan dat deze kosten in oorzakelijk verband met het ongeval staan.
  35. De schade voor stukgesneden kleding t.b.v. 5.200 BEF (128,90 euro ) is redelijk geschat en komt gegrond voor. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van de aantasting van de fysieke integriteit van mevrouw D. ter aanleiding van het ongeval.
  36. Geïntimeerde stelt terecht dat de overige posten van materiële schade, meer bepaald het verlies van bagage of andere in de verongelukte bus vervoerde goederen, geen rechtstreeks gevolg zijn van de aantasting van de fysieke integriteit van mevrouw D. en bijgevolg niet in aanmerking komen voor vergoeding in het kader van de geciteerde wet Badinter (zie randnummer 7).
  37. Samenvattend komt aan appellanten toe als vergoeding voor de materiele kosten van mevrouw D.: - hospitalisatiekosten: 1.176,52 euro - verpleegkosten: 100,00 euro - vervoerkosten (taxi): 634,61 euro - kleding: 128,90 euro Totaal: 2.040,03 euro Te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de gemiddelde datum, te weten 1 december
  38. Schade door tijdelijke arbeidsongeschiktheid (TAO)
  39. De gevorderde vergoeding van de morele schade wordt berekend op basis van een dagvergoeding van 25 euro per dag resp. 31 euro per hospitalisatiedag, plus een vergoeding van de materiële schade als huisvrouw op basis van 17,50 euro per dag. Deze schadeposten zijn redelijk en komen gegrond voor. Er komt appellante C. S. 4.621,88 euro toe, te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de gemiddelde datum van 15 februari
  40. Blijvende invaliditeit
  41. Appellanten vorderen een vergoeding van 1.250 euro per punt invaliditeit of 15 punten x 1.250 euro /punt of 18.750 euro . Op de dag van de consolidatie, met name op 1 augustus 1982, was mevrouw D., geboren op 17 mei 1926, 56 jaar oud. De blijvende invaliditeit veroorzaakt niet alleen morele schade maar ook materiële schade gelet op de vermindering van haar geschiktheid tot het presteren van huishoudelijk werk. In deze omstandigheid komt de vordering redelijk en gegrond voor. De som van 18.750 euro dient, zoals gevorderd, vermeerderd te worden met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de gemiddelde datum, zijnde 23 oktober
  42. Esthetische schade
  43. Het verslag van minnelijke expertise bepaalt een esthetische schade "geraamd op matig (4/7) in de schaal: onbeduidend - zeer licht - licht - matig - ernstig - zeer ernstig - afstotend". De gevorderde schadevergoeding komt, gelet op de leeftijd van het slachtoffer, haar geslacht en de beschrijving van de schade, passend voor. De som van 5.000 euro dient, zoals gevorderd, vermeerderd met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de gemiddelde datum, zijnde 23 oktober
  44. C. Schade geleden door mevrouw C. S. Onkosten
  45. Wat de hospitalisatiekosten in Frankrijk (Auxerre) betreft, geldt dezelfde opmerking als voor partij D. (zie randnummer 23): de stelling van appellanten dat er geen tussenkomst verleend werd door het ziekenfonds is volledig geloofwaardig. Zoals blijkt uit de stukken worden de hospitalisatiekosten in het J. Palfijnziekenhuis te Merksem gevorderd onder aftrek van de tussenkomst van het ziekenfonds.
  46. De kosten voor een nieuw kunstgebit worden evenmin als voor mevrouw D. gerechtvaardigd. Het verslag van deskundigenonderzoek van Dr. Van Noten maakt geen gewag van de plaatsing van een tandprothese voor de som van 20.000 BEF in december
  47. Uit de beschrijving van de letsels blijkt evenmin dat de plaatsing van een kunstgebit het gevolg is van het ongeval van 30 augustus
  48. Deze post wordt bijgevolg verworpen.
  49. De kosten voor kinesitherapie (547,24 euro ) worden niet betwist.
  50. De hospitalisatiekosten in de Kliniek Sint-Camillus te Antwerpen bedragen 14.000 BEF + 6.860 BEF + 5.360 BEF = 26.220 BEF (649,98 euro ). Deze kosten zijn overeenkomstig het deskundig verslag in rekening te brengen a rato van 80 % zodat mevrouw S. recht heeft op 519,98 euro (649,98 euro x 80 %).
  51. Mevrouw S. vordert 1.250 euro als vergoeding voor de vervoerkosten en legt bewijsstukken voor t.b.v. 10.160 BEF. Gelet op de veelvuldige verplaatsingen naar de kinesitherapeut (74 behandelingen), naar de dokter of naar de deskundige, wordt deze schadepost in billijkheid geschat op 750 euro .
  52. Zoals voor mevrouw D. (zie randnummers 27-28) aanvaardt het hof de vordering i.v.m. de schade aan de kleren die mevrouw S. op de dag van het ongeval aanhad, in billijkheid begroot op 125 euro , maar niet de kosten voor vervanging van de verdwenen bagage.
  53. Mevrouw S. vordert vergoeding voor de bijkomende kosten voor aanschaffing van een auto uitgerust met een automatische versnellingsbak. Zij begroot deze schade op 750 euro (meerprijs voor een wagen met automatische versnellingsbak) x 5 (voorziene aanschaffing van een vijftal wagens sedert de consolidatie), of 3.750 euro . Het verslag van deskundige Dr. Van Noten (p .16) bevestigt: "er kan enkel gereden worden met een auto uitgerust met automatische versnellingen". Het kan aanvaard worden dat de aanschaffing van een personenwagen met een automatische versnellingsbak een meeruitgave impliceert, vergeleken met een auto die niet met automatische versnellingsbak wordt uitgerust. Deze meerprijs wordt redelijk geschat op 750 euro . Ook een vijftal vervangingen van voertuig in hoofde van een persoon die 42 jaar en half was op de dag van de consolidatie is niet overdreven. Deze schadepost wordt in deze omstandigheden toegekend.
  54. Samenvatting van de materiële kosten: - hospitalisatiekosten in Frankrijk: 555,87 euro - hospitalisatiekosten J. Palfijnziekenhuis: 2.534,20 euro - hospitalisatiekosten Sint-Camillus: 519,98 euro - kinesist: 547,24 euro - vervoerkosten: 750,00 euro - kleding: 125,00 euro - meerkosten auto: 3.750,00 euro Totaal: 8.782,29 euro , te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de gemiddelde datum van de betalingen, te weten 1 december
  55. Loonverlies
  56. Mevrouw S. was werkzaam bij de BTW-administratie als opsteller eerste klasse. Het gevorderd loonverlies voor de periode van 30 augustus 1981 tot 31 augustus 1982 (periode TAO 100 %), of 2.651,00 euro wordt gestaafd aan de hand van een attest van het ministerie van Financiën en wordt niet ernstig betwist. De vordering is op dit punt gegrond. Het bedrag is te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de gemiddelde datum van de periode, te weten 28 februari
  57. Morele schade TAO
  58. De morele schade op grond van 25 euro per dag volledige arbeidsongeschiktheid (periode tussen 31 augustus 1981 tot 20 augustus 1990) is redelijk begroot en overigens niet ernstig betwist. De afrekening voor de totale som van 38.967,45 euro is terecht. Het bedrag is te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de gemiddelde datum van de periode, te weten 25 februari
  59. Meerinspanning gedurende de periode van gedeeltelijke TAO
  60. Mevrouw S. vordert een vergoeding wegens meerinspanning berekend over de volledige periode van de gedeeltelijke TAO a rato van 17,50 euro per dag van 100 % invaliditeit. De dagvergoeding is redelijk en oordeelkundig en wordt overigens niet ernstig betwist. Terecht betwist geïntimeerde de vordering wat de periodes betreft gedurende welke mevrouw S. het werk onderbroken heeft en de periode na 24 oktober 1988, datum waarop zij haar werk volledig heeft gestaakt. De berekening van geïntimeerde voor de periode van 1 september 1982 tot 24 oktober 1988 is correct en wordt overigens niet ernstig betwist. Er komt aan appellante C. S. een bedrag van 7.398,48 euro toe, te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de gemiddelde datum van deze periode, of 27 september
  61. Materiële schade huisvrouw
  62. Mevrouw S. berekent de vergoeding van deze materiële schade op grond van een dagvergoeding van 25 euro aan 100 % werkonbekwaamheid. Mevrouw S. leefde met één dochter, die 10 jaar was op de dag van het ongeval. De begroting van de economische waarde van de huishoudelijke arbeid op basis van 25 euro per dag aan 100 % arbeidsongeschiktheid wordt op zich niet betwist en komt redelijk voor. Een aftrek voor het eigen aandeel van de dochter in de huishouding kan in beginsel worden aanvaard maar het door geïntimeerde voorgesteld aandeel van 35 % is kennelijk overdreven. Een aftrek van gemiddeld 10 % over deze periode dient te worden toegepast. Er komt aan mevrouw S. toe: 38.967,45 euro x 90 % = 35.070,71 euro , te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de gemiddelde datum van de periode, te weten 25 februari
  63. Blijvende invaliditeit
  64. Er werd door de deskundige in hoofde van mevrouw S. een bestendige invaliditeit van 45% bepaald. De functionele gevolgen bestaan in: "pijnlijkheid van de knie, steunverlies op de linker knie, stramheid met maximale buiging tot 80 °; het gaan is beperkt tot een afstand van ongeveer 300 meter, moeizaam trappen gaan, de stramheid hindert ook bij het zitten; er kan enkel gereden worden met een auto uitgerust met automatische versnellingen" (verslag p .16).
  65. Mevrouw S. stelt een berekening voor op basis van de splitsingsmethode waarbij zij, tot datum van het arrest, een dagvergoeding telt van 46,25 euro , samengesteld als volgt: - 11,25 euro morele schade (25 euro per dag x 45 % invaliditeit); - 11,25 euro materiële schade huishoudster (17,50 euro per dag x 45 % invaliditeit); - 11,25 euro meerinspanning, beperkt tot datum pensioen, te weten 1 maart 1996 (25 euro per dag x 45 % invaliditeit). Na de vermoedelijke datum van het arrest vordert mevrouw S. een forfaitaire vergoeding van 875 euro - voor morele en materiële schade vermengd - per punt invaliditeit, of 39.375 euro (875 euro /punt x 45 punten).
  66. Geïntimeerde werpt vooreerst op dat de totale bestendige invaliditeit in oorzakelijk verband met het ongeval beperkt moet blijven tot 36,4 %, rekening houdend met de gevolgen van een tweede verkeersongeval waarvan mevrouw S. op 16 januari 1986 het slachtoffer werd (fractuur van de linker pols en andermaal fractuur van de linker knie). In zijn verslag (p. 14-15) heeft Dr. Van Noten immers enerzijds bepaald dat de blijvende invaliditeit van 45 % kan onderverdeeld worden in 43 % voor de linker knie en 2 % voor de linker enkel en, anderzijds, dat een kunstmatig aandeel van het tweede ongeval in de invaliditeit aan de linker knie, in billijkheid kan geschat worden op een vijfde. De totale blijvende invaliditeit ingevolge het ongeval van 30 augustus 1981 bedraagt bijgevolg: linker knie 34,4 % (43 % x 80 %) + linker enkel 2 % of samen 36,4 %. De deskundige besloot tot het overblijven van een blijvende invaliditeit van 45 % doch "zonder rekening te houden met het hogervermelde duidelijk omschreven aandeel van het tweede ongeval". Voor de bepaling van de door mevrouw S. geleden schade dient het hof wel uitsluitend rekening te houden met de invaliditeit die in oorzakelijk verband met het ongeval van 30 augustus 1981 staat.
  67. Er kan hier geen sprake zijn van meerinspanningen voor de periode tussen de consolidatie (21 augustus 1990) en de datum van oppensioenstelling (1 maart 1996) nu mevrouw S. al op 24 oktober 1988 definitief was gestopt met werken .
  68. De splitsingsmethode is te dezen ook niet aangewezen nu de gerechtsdeskundige een bestendige invaliditeit en niet een bestendige arbeidsongeschiktheid heeft bepaald. Bovendien wordt het niet aangetoond dat het slachtoffer een evenredig inkomensverlies heeft geleden. Deze schadepost zal dan ook begroot worden op basis van een forfaitaire vergoeding per punt invaliditeit.
  69. Op datum van de consolidatie (21 augustus 1990) was mevrouw S. 42 jaar en 8 maanden oud geworden. Het hof schat in billijkheid de vergoeding per punt invaliditeit op 1.500 euro . De totale vergoeding bedraagt: 1.500 euro /% x 36,4 % = 54.600 euro , te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de consolidatie, te weten 21 augustus
  70. Esthetische schade
  71. De deskundige bepaalde een "ernstige" esthetische schade, "geraamd op 5/7 in de schaal: onbeduidend - zeer licht - licht - matig - ernstig - zeer ernstig - afstotend". Aan het verslag werden foto's gehecht . De gevorderde schadevergoeding (10.000 euro ) komt, gelet op de leeftijd van het slachtoffer, haar geslacht en de beschrijving van de schade, passend voor. De gevorderde vergoedende interesten vanaf de consolidatie, te weten 21 augustus 1990, worden ook aan de wettelijke interestvoet toegekend. Nieuwe heelkundige ingreep
  72. Het deskundigenverslag verleent voorbehoud aan mevrouw S. "voor het plaatsen van een nieuwe knieprothese of een arthrodese van de linker knie" .De deskundige benadrukte dat het hem aangewezen leek "de expertise terug te openen vόόr dat dergelijke ingreep zou uitgevoerd worden". Mevrouw S. heeft in 2003 een nieuwe ingreep ondergaan in het Palfijn-ziekenhuis, meer bepaald i.v.m. het plaatsen van een knieprothese . Geïntimeerde stelt terecht dat, aansluitend op het advies van de gerechtsdeskundige , er aanleiding is om rekening te houden met het aandeel van een vijfde in relatie met het tweede ongeval van 16 januari
  73. De vordering is gegrond t.b.v. 2.976,17 euro x 80 % = 2.380,94 euro , te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van de uitgave, te weten 22 december
  74. D. Schade geleden door D. V.
  75. De hospitalisatiekosten zijn bewezen. Zoals voor de slachtoffers D. en S. (randnummers 23 en 33) is het geloofwaardig dat de mutualiteit geen tussenkomst verleende voor deze kosten. Daarentegen worden de kosten voor latere behandeling (37,18 euro ) niet gestaafd. De vordering m.b.t. de kledijschade is ook gegrond. D. V. heeft immers veelvuldige verwondingen in het gezicht gehad en bevond zich in de bus samen met veel andere slachtoffers. Het bedrag van 125 euro is redelijk. De materiële schade beloopt 293,67 euro + 125,00 euro = 418,67 euro .
  76. Evenmin komt de vordering m.b.t. de morele schade t.b.v. 250 euro overdreven voor nu D. V. op jonge leeftijd verwondingen opliep ter aanleiding van een zwaar verkeersongeval en gelet op de traumatische gevolgen van deze gebeurtenis waarbij haar grootvader overleed en haar moeder en grootmoeder ernstige lichamelijke schade leden. De aan D. V. toekomende schadevergoeding (totaal 668,67 euro ) dient vermeerderd te worden met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 30 augustus 1981, datum van het ongeval. Recapitulatie A. Schade ingevolge het overlijden van de heer L. S. - materiële kosten: 899.26 euro - inkomensverlies tot aan de pensioenleeftijd: 37.584,15 euro - inkomensverlies na de pensioenleeftijd: 36.991,62 euro Totaal ten voordele van de erfgenamen van L. S. en wijlen E. D. : 75.475,03 euro - morele schade C. S.: 4.500 euro - morele schade R. S.: 3.500 euro - morele schade Co. S.: 3.500 euro - morele schade H. S.: 3.500 euro - morele schade D. V. : 1.250 euro - morele schade Le. V.L. : 1.250 euro - morele schade M. V.L. : 1.250 euro B. Schade geleden door E. D. - materiële kosten: 2.040,03 euro - TAO: 4.621,88 euro - B.I. 18.750,00 euro - Esthetische schade: 5.000,00 euro Totaal, ten voordele van de erfgenamen van Wijlen E. D.: 30.411,91 euro - onder aftrek van betaalde provisie: - 1.524,39 euro SALDO: 28.887,52 euro C. Schade geleden door C. S.: - onkosten: 8.782,29 euro - loonverlies: 2.651,00 euro - morele schade TAO : 38.967,45 euro - meerinspanningen TAO : 7.398,48 euro - materiële schade huisvrouw: 35.070,71 euro - B.I.: 54.600,00 euro - esthetische schade: 10.000,00 euro - nieuwe heelkundige ingreep: 2.380,94 euro Totaal: 159.850,87 euro - onder aftrek van betaalde provisies: - 7.621.95 euro SALDO: 152.228,92 euro D. Schade geleden door D. V.: - Totaal: 668,67 euro Gerechtskosten Partijen hebben geen stelling genomen nopens de begroting van de gerechtskosten met toepassing van de wet van 21 april 2007 en het K.B. van 26 oktober 2007 zodat het behoort de zaak desbetreffend in voortzetting te stellen zoals hierna bepaald. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende na tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Het arrest van 10 september 2007 verder uitwerkend, Verklaart het hoger beroep van de consorten S. in de volgende mate gegrond. Hervormt het bestreden vonnis behoudens in zoverre het de kosten begroot. Opnieuw rechtsprekend, enkel i.v.m. de vordering van appellanten tegen de Servicio de Resgos Especiales Automobiles, verklaart de oorspronkelijke vordering van appellanten in de volgende mate gegrond. Veroordeelt de Servicio de Resgos Especiales Automobiles tot betaling aan C. S., R. S., Co. S. en H. S. in hun hoedanigheid van erfgenamen van L. S. en wijlen E. D., elk een vierde van de som van VIJFENZEVENTIGDUIZEND VIERHONDERD VIJFENZEVENTIG EURO EN DRIE CENT (75.475,03 euro ), vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 30 augustus 1981 op 899,26 euro , vanaf 10 december 1983 op 37.584,15 euro en vanaf 20 augustus 1991 op 36.991,62 euro . Veroordeelt de Servicio de Resgos Especiales Automobiles tot betaling aan C. S. de som van VIERDUIZEND VIJFHONDERD EURO (4.500 euro ), vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 30 augustus
  77. Veroordeelt de Servicio de Resgos Especiales Automobiles tot betaling aan R. S., Co. S. en H. S. elk de som van DRIEDUIZEND VIJFHONDERD EURO (3.500 euro ), vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 30 augustus
  78. Veroordeelt de Servicio de Resgos Especiales Automobiles tot betaling aan D. V., Le. V.L. en M. V.L. elk de som van DUIZEND TWEEHONDERD VIJFTIG EURO (1.250 euro ), vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 30 augustus
  79. Veroordeelt de Servicio de Resgos Especiales Automobiles tot betaling aan C. S., R. S., Co. S. en H. S. in hun hoedanigheid van erfgenamen van wijlen E. D., elk een vierde van de som van ACHTENTWINTIGDUIZEND ACHTHONDERD ZEVENENTACHTIG EURO TWEEENVIJFTIG CENT (28.887,52 euro ), vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 1 december 1981 op 2.040,03 euro , vanaf 15 februari 1982 op 4.621,88 euro , vanaf 1 augustus 1982 op 18.750 euro en vanaf 23 oktober 1981 op 5.000 euro en onder aftrek van de interesten op 1.524,39 euro vanaf 5 juli
  80. Veroordeelt de Servicio de Resgos Especiales Automobiles tot betaling aan C. S. de som van HONDERD TWEEENVIJFTIGDUIZEND TWEEHONDERD ACHTENTWINTIG EURO TWEEENNEGENTIG CENT (152.228,92 euro ), vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 1 december 1981 op 8.782,29 euro , vanaf 28 februari 1982 op 2.651 euro , vanaf 25 februari 1986 op 38.967,45 euro en op 35.070,71 euro , vanaf 27 september 1985 op 7.398,48 euro , vanaf 21 augustus 1990 op 54.600 euro en op 10.000 euro en vanaf 22 december 2003 op 2.380,94 euro en onder aftrek van de interesten op de betaalde voorschotten vanaf de betaling ervan, of de interesten op 3.810,98 euro vanaf 28 juni 1982, vanaf 12 augustus 1982 op 2.286,58 euro en vanaf 12 november 1982 op 1.524,39 euro . Veroordeelt de Servicio de Resgos Especiales Automobiles tot betaling aan D. V. van ZESHONDERD ACHTENZESTIG EURO ZEVENENZESTIG CENT (668,67 euro ), vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 30 augustus
  81. Verleent voorbehoud aan C. S., R. S., Co. S. en H. S. voor mogelijke latere belasting van de vergoeding wegens inkomensverlies in hoofde van E. D. ingevolge het overlijden van de heer L. S.. Veroordeelt geïntimeerde tot vier vijfden van alle gerechtskosten, inclusief de gerechtskosten in cassatie en verwijst appellanten in de overige kosten. Stelt de zaak in voortzetting op de zitting van dinsdag 11 maart 2008 om 11.30 uur met het oog op de begroting van de gerechtskosten. Houdt intussen de gerechtskosten aan. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 21/01/2008 waar aanwezig waren en zitting hielden : A. DE PREESTER, Raadsheer dd. Voorzitter, E. JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, M. DEBAERE, Raadsheer, V. DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.