id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 22 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080122.11 Rolnummer: 2007AR1832 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-06 Raadplegingen: 144 - laatst gezien 2026-07-02 16:55 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Giften - Bekwaamheid BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Getuigen Vrije woorden: Artikel 901 B.W. Eigenhandig testament. Vereiste van gezondheid van geest van de testator. Begrip. Draagwijdte. Bewijs. Rechterlijke beoordeling van de gebruikte termen door de testator en van de dubbele ondertekening van het testament. Voorstel van bewijs door getuigen: rechterlijke beoordeling. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2007/AR/1832 INZAKE VAN : 1) De heer (A), 2) Mevrouw (B). 3) De heer © 4) Mevrouw (D) appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 25 mei 2004, de tweede in persoon verschijnende, alle vertegenwoordigd door Meester Matthias STORME, advocaat te 1000 BRUSSEL, Verenigingstraat 28, 1ste kamer TEGEN : De heer (E) geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Luc DELEU, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30 Gelet op de procedurestukken: § het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 7 mei 2007, beslissing die betekend werd op 7 juni 2007; § het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 4 juli 2007; § de syntheseconclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 22 oktober 2007; § de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 19 november 2007; Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 18 december 2007 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk. Wat het zogenaamde " incidenteel beroep " betreft, zie verder punt III.D van huidig arrest. I. Voorwerp van de vorderingen. (...) III. Beoordeling. A. Nietigheid van het testament van 15 januari 2002 op grond van artikel 901 B.W.: 1. Wat de gezondheidstoestand betreft van de heer X.: Appellanten werpen op dat de heer X. op het ogenblik van het opstellen van dat testament niet meer gezond van geest was. Zij werpen in dat verband op dat de heer X. aan een mentale handicap leed (mentale retardatie, psychische instabiliteit en ernstige geheugenstoornissen), te wijten aan een verkeersongeval in 1962, die met ouder worden, nog verergerde. Artikel 901 B.W. bepaalt dat om een testament op te stellen men gezond van geest moet zijn. Onder het begrip gezond van geest dient verstaan te worden dat de testator, op het ogenblik van het opstellen van zijn testament, zowel over de nodige vrijheid van wil beschikt als over de nodige helderheid van geest. Eenieder wordt echter geacht bekwaam te zijn om te beschikken over zijn goederen bij schenking of testament, tenzij het tegendeel wordt bewezen. Appellanten verwijzen desbetreffend naar attesten van de Christelijke Mutualiteiten van 30 augustus 2007 waaruit blijkt dat de heer X. voor 66% arbeidsongeschikt werd verklaard, naar medische verslagen van 30 mei 2000 en van 10 september 2001 en naar een verklaring dd. 14 augustus 2006 van een zekere Y.. Geïntimeerde vraagt de wering uit de debatten van de medische verslagen en de attesten van de mutualiteit omdat deze op een onregelmatige wijze verkregen werden doch legt hiervan geen enkel bewijs neer zodat op dit verzoek niet verder wordt ingegaan. M.b.t. deze stukken dient het volgende gesteld te worden: - Het feit dat de heer X. voor 66% arbeidsongeschiktheid werd verklaard door de mutualiteit houdt geenszins in dat hij mentaal gehandicapt door het leven ging en niet meer in staat was om een testament op te stellen; - Het medisch verslag van 30 mei 2000 is slechts een gedeeltelijk verslag en het is totaal onduidelijk in welke context dit document werd opgesteld. Uit dit stuk blijkt overigens enkel dat de heer X. in 1962 het slachtoffer werd van een ongeval als gevolg waarvan hij een trepanatie onderging aan de schedel; - Ook het verslag van 10 september 2001 is slechts een deel van een document en de context waarin dit werd opgesteld, is even onduidelijk. Uit dit stuk blijkt bovendien dat de heer X. aan de beterhand was; - Mevrouw Y verklaart dat de heer X. een beperkt begripsvermogen had. Het is niet omdat iemand een lagere intelligentie heeft dat daaruit voortvloeit dat die persoon niet in staat zou zijn een testament op te stellen. De moeder van appellante sub 2 is bovendien een buurvrouw van mevrouw Y. wat de geloofwaardigheid van haar verklaring ook nog in het gedrang brengt. Appellanten zullen m.b.t. de geestestoestand van de heer X. verder aanvoeren dat
(1)hij beroep deed op thuishulp terwijl het in feite om een thuisverpleegster ging die hem dagelijks zijn insulinespuit zette en om een poetsvrouw die het huis schoonmaakte,
(2)hij appellanten sub 3 en 4 begunstigde niettegenstaande hij met hen de laatste jaren weinig contact onderhield terwijl het juist deze personen waren die kind zijnde veel bij hem kwamen spelen en
(3)hij op " onverklaarbare " wijze aan het adres kwam van appellant sub 3 terwijl het opsporen van een adres niet zo'n sinecure is. Deze feitelijke gegevens tonen evenmin aan dat de heer X. niet gezond van geest zou zijn geweest op het ogenblik van het opstellen van het testament van 2002, wel integendeel. Hiertegenover staat overigens dat zowel het testament van 18 mei 1972 als van 15 januari 2002 geschreven is met dezelfde vaste hand en de gebruikte bewoordingen - zoals algemene legataris, legaten, herroepen - alsmede de wijze van opstellen, aantonen dat de testator met kennis van zaken beschikt heeft en op de hoogte was van de vormvereisten waaraan een onderhands testament moet voldoen (datum, herroeping van vorige wilsbeschikkingen, ondertekening enz.). Het feit dat de testator het testament van 2002 tweemaal ondertekend heeft, doet hieraan niets af. Er dient hieraan nog toegevoegd te worden dat indien, zoals appellanten stellen, het ongeval van 1962 aan de oorsprong zou liggen van enig "mentaal" falen, dit ook het geval moet zijn geweest voor het testament opgesteld op 18 mei
- M.b.t. dit testament, waarin appellanten sub 1 en 2 de begunstigden waren, wordt echter geen enkel wilsgebrek opgeworpen. Bovendien staat vast dat de heer X. vrijgezel was, steeds alleen heeft gewoond in zijn woning tot aan zijn plots overlijden in 2006, niettegenstaande hij toen toch al 75 jaar was, en verder actief was in het sociale leven (zie foto's). Eén en ander zou onmogelijk zijn geweest indien de heer X. in een dergelijke mentale toestand verkeerde dat hij niet meer in staat zou zijn rechtshandelingen te stellen. In een schrijven van 1 juni 2006 uitgaande van de raadsman van appellanten en gericht aan geïntimeerde (stuk 5 dossier geïntimeerde) wordt overigens zelfs niet eens gesuggereerd dat de heer X. niet gezond van geest zou zijn geweest doch wordt enkel gesteld dat " u heer X. in zijn zwakke mentale toestand op ongeoorloofde wijze heeft beïnvloed bij het schrijven van het tweede testament " wat wijst op captatie en een andere rechtsgrond uitmaakt waarop de nietigheid van een testament kan gestoeld worden (zie verder). Bijgevolg blijkt nergens uit dat de heer X. op het ogenblik van het opstellen van het testament van 15 januari 2002 niet meer gezond van geest was in de zin van de wet. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd.
- Wat het gevraagde getuigenbewijs betreft: Appellanten vragen hen minstens toe te laten het bewijs te leveren van hierna volgende feiten, door middel van getuigen of vermoedens: - de heer X. had een mentale handicap na zijn ongeval in 1962; - de mentale weerbaarheid van de heer X. is negatief geëvolueerd tijdens de laatste jaren van zijn leven, minstens tussen 1972 en 2002; - de heer X. was in 2002 niet meer mentaal in staat om belangrijke beslissingen te nemen, zoals het opmaken van een testament. Onder punt III.A.1 van huidig arrest werd reeds geoordeeld dat op grond van de gehele feitelijke context afdoend blijkt dat de heer X. voldeed aan de vereiste van artikel 901 B.W. om een testament op te stellen. De rechter mag het aanbod van bewijs door getuigen afwijzen, wanneer hij in feite en derhalve op onaantastbare wijze oordeelt dat het tegendeel reeds door feitelijke vermoedens vaststaat (cfr. o.a. Cass., 28 juni 2004, Pas., 2004, I, 365). Het is dan ook terecht dat in deze omstandigheden de eerste rechter het aanbod van bewijs door getuigen heeft afgewezen. B. Wat de nietigheid van het testament van 15 januari 2002 betreft wegens captatie: Er is sprake van captatie indien de toestemming van de erflater zodanig wordt bewerkstelligd of beïnvloed door listen, leugens of frauduleuze middelen dat de erflater niet meer vrij was om te testeren. Er wordt geen enkel concreet bewijs voorgelegd van " listen, leugens of frauduleuze middelen " die geïntimeerde in deze zaak zou aangewend hebben. Het feit dat geïntimeerde jarenlang de vertrouwenspersoon is geweest van de heer X. impliceert geenszins dat hij hiervan op welke manier ook misbruik zou hebben gemaakt. Bovendien liet de heer X. geen rechtstreekse erfgenamen na en was hij dus vrij om te bepalen aan wie hij zijn goederen zou nalaten. Ook deze rechtsgrond komt ongegrond voor. (...) OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Verklaart de vordering tot het bekomen van een schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt appellanten in de kosten van hoger beroep, begroot voor geïntimeerde op euro 1.
- Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 22/01/08 waar aanwezig waren en zitting hielden : A. DE PREESTER, Raadsheer dd. Voorzitter, E. JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, P. LEFRANC, Raadsheer, V. DE VIS, Griffier. V. DE VIS P. LEFRANC E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div