id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 13 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080213.6 Rolnummer: 2005AR1171 Rechtsgebied: Bestuursrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2009-01-13 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-07-02 17:02 Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Planschade en -baten GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - PROTOCOLLEN EVRM - Aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het EVRM - Bescherming eigendom - art. 1 Vrije woorden: I. Leer van de quasi-onteigening. Artikel 16 Gw. Artikel 544 B.W. Artikel 1, van het eerste aanvullend protocol EVRM: Verval van verkavelingsverginning. Rangschikking van percelen als agrariscg gebied. II. Planschadevergoeding. Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, Aanvullende kamer 1S, (wet van 9 juli 1997), Nr.: na beraad spreekt het volgend arrest uit : A.R. Nr. 2005/AR/1171 Rep.nr.: 2008/ IN ZAKE VAN : Kamer 1S appellanten, vertegenwoordigd door meester Pieter Jongbloet, advocaat te 1000 Brussel, Jan Jacobsplein 5, Eindarrest TEGEN : 1) Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kantoren te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester Michel Van Dievoet, advocaat te 1000 Brussel, Boomstraat 14 bus 3, 2) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Infrastructuur, met kantoren te 1030 Brussel, Vooruitgangstraat 80/5, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester Pierre-Marie Sprockeels, advocaat te 1000 Brussel, Kasteleinstraat 19 bus 14, 3) De GEMEENTE ASSE, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoren te 11730 Asse, Gemeenteplein 1, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester Filip De Preter, loco meester Dirk Lindemans, advocaat te 1000 Brussel, Keizerslaan
- Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (25ste kamer) op tegenspraak uitgesproken op 11 januari 2005, waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep, op 29 april 2005 ter griffie van het hof neergelegd; - de conclusie van appellanten; - de conclusie van het Vlaamse Gewest; - de conclusie van de Belgische Staat; - de conclusie en samenvattende conclusie van de gemeente Asse. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 16 januari 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. (...) 2°. De leer van de quasi-onteigening
- Indien het hof zou oordelen dat de verkaveling wel vervallen is, dan verklaren appellanten alleszins aanspraak te maken op vergoeding krachtens de leer van de quasi-onteigening, gegrond op de artikelen 15 (lees 16) van de Grondwet, 544 van het B.W. en 1 van het eerste Aanvullend Protocol EVRM. Appellanten laten eigenlijk na op nauwkeurige wijze te beschrijven waarin de onevenredige beperking van hun eigendomsrecht zou bestaan en wat zij precies aan geïntimeerden verwijten. Het verval van de verkavelingsvergunning maakt op zich geen erfdienstbaarheid of een opgelegde last uit die aanleiding kan geven tot vergoeding. De eigendom van appellanten werd hierdoor niet bezwaard. Wat de rangschikking van de percelen als agrarisch gebied betreft, kunnen appellanten deze niet gelijkstellen met een onteigening. Het eigendomsrecht van appellanten en hun rechtsvoorgangers is blijven bestaan. Een beperking in het algemeen belang en met het oog op een goede ruimtelijke ordening van de uitoefening van dit recht door het gewestplan maakt geen schending van artikelen 16 van de Grondwet, 544 van het B.W. of 1 van het eerste Aanvullend Protocol EVRM uit. 3°. Vordering tot planschadevergoeding
- Het bestreden vonnis moet ten eerste bevestigd worden in zover het oordeelt dat de vordering, zoals ingesteld bij dagvaarding van 21 april 1995, niet verjaard is. De weigering van de aanvraag tot bouwvergunning bij ministerieel besluit van 11 februari 1994 heeft het recht op schadevergoeding doen ontstaan. Dit besluit werd bij aangetekende brief van 25 april 1994 aan de heer Van den Broeck medegedeeld zodat de termijn van één jaar op 21 april 1995 niet was verstreken. Uit geen enkel element blijkt dat een ander bouw- of verkavelingsvergunning werd geweigerd of nog dat een negatief stedenbouwkundig attest afgegeven werd. De aanvraag tot stedenbouwkundig attest nummer 1 die op 14 april 1976 door de heer X. werd ingediend, is immers zonder gevolg gebleven zodat geen recht op schadevergoeding, in de zin van toenmalig art. 37, lid 3 van de Stedenbouwwet, is kunnen ontstaan. Ten andere heeft het uitblijven van reactie van het gemeentebestuur, de gemachtigde ambtenaar of de bestendige deputatie evenmin het recht op schadevergoeding in hoofde van de rechtsvoorganger van appellanten doen ontstaan gelet op de ingestelde beroepen tegen de impliciete weigeringsbeslissingen.
- Appellanten blijven echter in gebreke aan te tonen dat het Gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse een einde maakte aan het gebruik waarvoor het goed dient of normaal bestemd is de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het plan. Het wordt hier benadrukt dat planschadevergoeding slechts wordt gevorderd voor de kavel (lot 3 van de verkaveling) waarvoor op 30 april 1992 een bouwaanvraag werd ingediend. Appellanten kunnen zich niet beroepen op de verkavelingsvergunning d.d. 5 november 1964 die in 1977 al sinds 6 jaar was vervallen. De vervallen verkaveling bewijst op zich niet een bestemming als bouwgrond de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het plan. Het wordt niet betwist dat het goed van appellanten voor landbouwdoeleinden was gebruikt (en nog steeds gebruikt is ). De rechtsvoorganger van appellanten had de betrokken percelen in de aangifte van nalatenschap als "land" aangegeven, zonder melding te maken van enige toekomstwaarde, in tegenstelling met andere goederen.
- Om aan te tonen dat het goed normaal bestemd was als bouwgrond dienen appellanten aan te tonen dat het objectief de kenmerken van bouwgrond vertoont, met name aan de hand van de drie cumulatieve criteria: o het perceel moet bouwfysisch in orde zijn. Niveau van het terrein, vochtigheidsgraad, bodemgeschiktheid, enz. laten het bebouwen van de eigendom toe; o het perceel moet liggen aan een volledige uitgeruste weg. Als volledige uitrusting wordt aangenomen: degelijke wegverharding, riolering met mogelijkheid van aansluiting van de betrokken percelen, elektriciteit en, zo mogelijk, waterleiding; o het perceel moet liggen nabij een bebouwde kom en er deel van uitmaken.
- Uit de voorgelegde foto's en plans blijkt dat er slechts één woning aanwezig is in een straal van 200 meter, met name het huis op het perceel 468 D, waarvan hierboven (randnummer 6) sprake. Voor het overige is het goed gelegen in een uitgestrekte agrarische zone. Het ministerieel besluit van 11 februari 1994 verwijst o.m. naar het technisch-stedenbouwkundig onderzoek waaruit bleek "dat de te bebouwen grond deel uitmaakt van een groter geheel van lansbouwgronden, op het gewestplan aangeduid tussenin de kernen van Asse en de deelgemeente Mollem; dat deze sterk golvende gronden, behoudens het perceel nr. 468 D en enkele ten noorden, in het woongebied met landelijk karakter gezoneerde percelen uitgezonderd, onbebouwd zijn (...)". Appellanten blijven in gebreke te weerleggen dat er geen andere woningen in de nabijheid gelegen zijn.
- Zonder op dit punt tegengesproken te worden stelt het Vlaamse Gewest bovendien dat de openbare weg (Fort) ter hoogte van het goed onvoldoende uitgerust is: elektriciteit is slechts voorzien op een afstand van 65 meter; waterleiding ligt enkel aan de overkant van de straat; gas en riolering ontbreken.
- In deze omstandigheden leveren appellanten niet het bewijs van de normale bestemming als bouwgrond van hun goed. Een deskundigenonderzoek komt overbodig over. De vordering werd terecht ongegrond verklaard. 4°. Incidentele vordering van de Belgische Staat
- Appellante kan niet verweten worden dat zij in 1995 de Belgische Staat in de zaak betrok nu het Vlaamse Gewest nog in deze periode bijna systematisch zijn gehoudenheid in soortgelijke geschillen betwistte. Althans had het instellen van een vordering tegen de Belgische Staat geen tergend of roekeloos karakter. Voor de rechtbank heeft het Vlaamse Gewest echter nooit betwist de Belgische Staat te zijn opgevolgd inzake de ruimtelijke ordening. Ter zitting van 16 februari 2004 hebben huidige appellanten bovendien verklaard zich niet verzetten tegen de buiten zaakstelling van de Belgische Staat. Er was dan ook geen reden om in deze omstandigheden de vordering tegen de Belgische Staat te handhaven, des te meer dat de rechtspraak duidelijk was geworden m.b.t. de rechtsopvolging van de Belgische Staat door het Vlaamse Gewest. Een hoger beroep gericht tegen de Belgische Staat was dan ook nog minder verantwoord. Het hoger beroep is, in zover als tegen de Belgische Staat gericht, tergend en roekeloos. Het wordt immers aangetoond dat appellanten hoger beroep hebben ingesteld in zulke omstandigheden dat iedere rechtsonderhorige, in dezelfde concrete omstandigheden als appellanten geplaatst, zich zouden onthouden hebben de zaak ter beoordeling van het hof van beroep voor te leggen en dat zij op foutieve wijze hun recht tot hoger beroep hebben uitgeoefend. Het hof kent aan de Belgische Staat een morele schadevergoeding van 1 euro . Buiten de kosten van verdediging die thans gedekt zijn door de aan deze partij toekomende rechtsplegingsvergoeding (zie art. 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd bij de wet van 21 april 2007) bewijst de Belgische Staat inderdaad geen enkele concrete materiële schade te hebben geleden. 5°. De gerechtskosten
- Met ingang van 1 januari 2008 zijn de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat en het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek in werking getreden en dienen vanaf dan de nieuwe tarieven inzake de verschuldigde RPV toegepast te worden op de hangende zaken. Alle partijen hebben verklaard het basistarief van de RPV te vorderen. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende na tegenspraak; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart de incidentele vordering van de Belgische Staat ontvankelijk en deels gegrond. Veroordeelt appellanten tot betaling aan de Belgische Staat van 1 euro . Veroordeelt appellanten in de gerechtskosten. Bepaalt de gerechtskosten voor het hof in hoofde van appellanten op euro 10.186, en in hoofde van elk der geïntimeerden op euro 10.
- Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de kamer 1S van het hof van beroep te Brussel op 13 februari 2008 waar aanwezig waren : De heer E. Janssens de Bisthoven, raadsheer, d.d. voorzitter, De heer J. Celis, plaatsvervangend raadsheer, De heer Th. Taffijn, plaatsvervangend raadsheer, De heer Th. Gillioen, e.a. adjunct-griffier. Th. Gillioen Th. Taffijn J. Celis E. Janssens de Bisthoven Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div