← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080213.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 13 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080213.8 Rolnummer: 2004AR1389 Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-19 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-07-02 17:01 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Belang PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Andere Vrije woorden: Ruimtelijke ordening en stedenbouw. Niet-naleving van een bouwvergunning. Herstelvordering ingesteld door een particulier. Vereiste van persoonlijk en rechtstreeks belang. Art. 17 en 18 Ger. W. Niet naleving van een bouwvergunning inzake de voorwaarden betreffende de bekleiding van een zijgevel (wachtgevel). Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, Aanvullende kamer 1S, (wet van 9 juli 1997), Nr.: na beraad spreekt het volgend arrest uit : A.R. Nr. 2004/AR/1389 Rep.nr.: 2008/ IN ZAKE VAN : Kamer 1S 1) V. L., en, 2) W. L.e, , appellanten, vertegenwoordigd door meester Caroline Heirman, loco meester Carine Loccufier, advocaat te 9300 Aalst, Posthoornstraat 7, Eindarrest TEGEN : 1) D. E., en, 2) DH. K., samenwonende te 1770 Z., Kapellebaan 27, geïntimeerden, vertegenwoordigd door meester Rufin Coppens, advocaat te 9470 Denderleeuw, Zonnestraat

  1. ******* Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het vonnis uitgesproken op 30 april 2004 door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (23ste kamer) waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 1 juni 2004; - de conclusie van appellanten; - de conclusie van geïntimeerden. Gehoord de partijen en gelet op de stukken die zij neerlegden ter openbare zitting van 10 januari
  2. I. De procedure in eerste aanleg
  3. Bij exploot van 4 november 1992 hebben huidige appellanten een vordering ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel tegen de huidige geïntimeerden. Hun vordering strekte ertoe verweerders te horen veroordelen tot het uitvoeren van de nodige werken binnen een termijn van 30 dagen vanaf de betekening van het tussen te komen vonnis en tot betaling van een schadevergoeding t.b.v. 50.000 BEF, bij latere conclusie gebracht op 12.500 euro , te vermeerderen met de interesten en gerechtskosten. Eisers, eigenaars van een woning gelegen te Z., Kapellebaan 25, verweten aan huidige geïntimeerden dat zij op het naastgelegen perceel, Kapellebaan 27, een huis hadden laten optrekken doch zonder de voorwaarde na te leven zoals opgelegd bij de bouwvergunning die de gemeente aan verweerders had opgelegd, met name dat de vrijblijvende zijgevel van hun woning wordt afgewerkt met dezelfde materialen als de op te richten woning.
  4. Huidige geïntimeerden besloten tot de ongegrondheid van de vordering.
  5. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Appellanten werden in de gerechtskosten veroordeeld. II. De beroepsprocedure
  6. Appellanten hernemen voor het hof hun oorspronkelijke vordering. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.
  7. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep. III. Relevante feitelijke gegevens
  8. Geïntimeerden hebben een eengezinswoning laten optrekken te Z., Kapellebaan 27, op het lot 2 van een verkaveling, naast de bestaande woning van appellanten, opgericht in de jaren '50 en gelegen op nummer 25 van de Kapellebaan.
  9. Op 6 februari 1990 heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Z. aan geïntimeerden een afwijking toegestaan van de stedenbouwkundige voorschriften krachtens artikel 51 van de Stedenbouwwet van 29 maart
  10. Deze vergunning werd afgegeven "op voorwaarde dat de vrijblijvende zijgevel wordt afgewerkt met dezelfde materialen als de op te richten woning".
  11. Geïntimeerden bekwamen op 7 mei 1990 een bouwvergunning, met de afwijking dat de woning iets verder werd ingeplant, dit is zonder aan te sluiten op de voorgevel van appellanten, steeds mits de voorwaarde om de zijgevel af te werken met dezelfde materialen als de op te richten woning, en dit uit esthetische overwegingen.
  12. Geïntimeerden hebben hun gebouw laten optrekken doch zonder de opgelegde afwerking van de zijgevel, wat zij niet betwisten. Zij beriepen zich op de "hoge kosten die (deze werken) zouden meebrengen" ("de zware extra kosten voor het oprichten en afwerken van een nieuwe muur van +/- 80 m²") en betwistten bovendien het esthetische voordeel dat concreet voor appellanten uit de bekleding van de zijgevel zou voortvloeien.
  13. Het bouwmisdrijf werd bij p.v. van 20 augustus 1992 vastgesteld. Appellanten hebben klacht neergelegd in de handen van de procureur des Konings. Het dossier werd geseponeerd .
  14. Geïntimeerden dienden op 10 maart 1993 een aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvergunning om deze voorwaarde te laten opheffen. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Z. weigerde op 27 juli 1993 om hierop in te gaan. Het beroep van geïntimeerden voor de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant werd als ongegrond afgewezen (beslissing van 2 april 1996). Bij besluit van 12 november 1996 heeft de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het beroep tegen deze laatste beslissing verworpen. Hierna volgde geen annulatieberoep voor de Raad van State. IV. Bespreking
  15. De eerste rechter overwoog dat appellanten geen persoonlijk en rechtstreeks belang hebben bij het instellen van een herstelvordering zonder dat de bevoegde overheden zelf standpunt innemen. De goede plaatselijke ruimtelijke ordening is van algemeen belang en appellanten tonen hierbij geenszins enig persoonlijk belang aan.
  16. Het hof stelt in de eerste plaats vast dat, indien appellanten geen persoonlijk en rechtstreeks belang bij deze vordering hadden, hun vordering onontvankelijk en niet ongegrond, had moeten worden verklaard (art. 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek). Terecht heeft de eerste rechter het principe herinnerd dat particulieren in een herstelvordering inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening blijk moeten geven van een persoonlijk en rechtstreeks belang. Te dezen gaat het echter niet om een vordering die (uitsluitend) betrekking heeft op het algemeen ruimtelijk beleid maar ook op de bekleding van de eigen zijgevel van appellanten. Het betreft dus de onmiddellijke omgeving en zelfs het eigen gebouw van appellanten. De bekleding van de zijgevel van de woning van appellanten, destijds opgetrokken als "wachtgevel", heeft immers een weerslag op de afwerking en isolatie van hun gebouw alsook op de esthetische waarde ervan. Appellanten zouden zowel een moreel als een materieel voordeel ondervinden in de beoogde maatregel, te weten de uitvoering van de werken die geïntimeerden ertoe verplicht waren te realiseren. Alleszins kan het belang van appellanten wat hun vordering tot schadevergoeding niet ernstig worden tegengesproken. Appellanten geven in deze omstandigheden wel blijk van het vereiste belang om hun vordering in te stellen.
  17. Geïntimeerden betwisten niet dat zij de voorwaarde verbonden aan hun bouwvergunning hebben miskend. Zij geven hiervoor geen aanvaardbare verantwoording en kunnen zich alleszins niet op overmacht beroepen nu zij de voorwaarden verbonden aan hun bouwvergunning hebben aanvaard en zich bewust moesten zijn van de kosten die de bekleding van de zijgevel zouden veroorzaken. Geïntimeerden dienen de door de overheid opgelegde verplichtingen na te leven en moeten worden veroordeeld om de vrijblijvende zijgevel van het gebouw van appellanten af te werken met dezelfde materialen als de door hen opgerichte woning, en dit binnen een redelijke termijn, zoals hierna bepaald. De oorspronkelijke vordering van appellanten is op dit punt gegrond.
  18. Appellanten leveren geen bewijs dat zij een schade t.b.v. 1.250 euro hebben geleden. Ter vergoeding van de schade die zij geleden hebben doordat hun gevel tot op heden niet zoals het hoorde werd afgewerkt, kent het hof een vergoeding toe die in billijkheid wordt begroot op 500 euro .
  19. Wat de gerechtskosten (RPV) betreft: Met ingang van 1 januari 2008 zijn de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat en het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek in werking getreden en dienen vanaf dan de nieuwe tarieven inzake de verschuldigde RPV toegepast te worden op de hangende zaken. Alle partijen hebben hun kosten begroot onder gelding van de vroegere wetgeving zonder hierover expliciet te concluderen. Derhalve dient van rechtswege het basistarief toegekend te worden voor wat de RPV betreft. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond. Hervormt het bestreden vonnis behalve in zover het de vordering van appellanten ontvankelijk verklaart en de kosten begroot. Opnieuw rechtsprekend, verklaart de oorspronkelijke vordering van appellanten deels gegrond. Veroordeelt de heer E. D. en mevrouw Christel DH. om de vrijblijvende zijgevel van het gebouw van appellanten af te werken met dezelfde materialen als de door hen opgerichte woning, en dit binnen een termijn van drie maanden vanaf de betekening van huidig arrest. Veroordeelt de heer E. D. en mevrouw Christel DH. tot betaling aan de heer L. V. en mevrouw L.e W. van 500 euro , te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf de datum van deze uitspraak. Veroordeelt geïntimeerden in de gerechtskosten van beide aanleggen. Begroot de gerechtskosten voor het hof in hoofde van appellanten op 1.386 euro en in hoofde van geïntimeerden op 1.200 euro . Aldus gevonnist door : De heer E. Janssens de Bisthoven, raadsheer, d.d. voorzitter, De heer M. Boes, plaatsvervangend raadsheer, De heer J. Celis, plaatsvervangend raadsheer, magistraten van de kamer 1S van het hof van beroep te Brussel, die aan de beraadslaging hebben deelgenomen overeenkomstig artikel 778 van het Gerechtelijk Wetboek, en, gezien de wettige verhindering van de heer Boes, uitgesproken overeenkomstig de beschikking van de heer Eerste Voorzitter van dezelfde datum, en bij toepassing van artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, in openbare burgerlijke zitting van de kamer 1S van het hof van beroep te Brussel op 13 februari 2008, waar aanwezig waren : De heer E. Janssens de Bisthoven, raadsheer, d.d. voorzitter, De heer J. Celis, plaatsvervangendraadsheer, De heer Th. Taffijn, plaatsvervangend raadsheer, De heer Th. Gillioen, e.a. adjunct-griffier. Th. Gillioen Th. Taffijn J. Celis E. Janssens de Bisthoven Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.