← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080219.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 19 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080219.5 Rolnummer: 2005/AR/3051 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-04-17 Raadplegingen: 135 - laatst gezien 2026-07-02 17:03 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Handelsagentuur HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Concessie Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, achtste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2005/AR/3051 INZAKE VAN : 8ste kamer B.V.B.A. UPGRADE BIKE COMPONENTS, met maat- schappelijke zetel te 3360 Bierbeek, Waversesteenweg 42, appellante, vertegenwoordigd door Meester Philippe Cailliau en Meester Geoffrey Van Runckelen, advocaten te 1000 Brussel, Ter Kamerenlaan 33; TEGEN : SNC GIOS DI FILLI GIOS, vennootschap naar Italiaans recht, met maatschappelijke zetel te 10036 Settimo Torinese (Torino), Strada Cebrosa 104//4, Italië, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Philip Walravens, advocaat te 1050 Brussel, Boondaalsesteenweg 6 bus 7; Tussenarrest (installatie deskundige) Gelet op het vonnis dat, na tegenspraak, op 1 september 2005 werd uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Leuven, beslissing die op 20 oktober 2005 werd betekend. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep dat, tijdig en regelmatig naar de vorm, op 18 november 2005 werd neergelegd op de griffie van het hof. Gehoord de raadslieden van de partijen in hun mondelinge uiteenzetting op de openbare terechtzittingen van 5 november en 17 december 2007. PROCEDUREVOORGAANDEN EN VOORWERP VAN HET HOGER BEROEP 1.Op 23 september 2003 liet appellante geïntimeerde dagvaarden voor de eerste rechter. Zij vroeg in haar laatste conclusie dat de verbreking zou worden vastgesteld of uitgesproken van de alleenverkoopovereenkomst die nog betrekking heeft op de territoria van België en Luxemburg, en dit vanaf 1 augustus 2003 wegens zware fout in hoofde van geïntimeerde. Zij vorderde bijgevolg de veroordeling van geïntimeerde tot het betalen van de som van 107.216,52 euro. In ondergeschikte orde, indien zou worden geoordeeld dat enkel het Nederlandse recht van toepassing is op het gedeelte van de concessie op het Nederlandse grondgebied, vroeg zij dat geïntimeerde zou worden veroordeeld tot het betalen van de som van 68.989,32 euro. In voorkomend geval vroeg zij dat eerst een gerechtsdeskundige zou worden aangesteld, met de opdracht haar boekhouding te onderzoeken, teneinde - het zakencijfer en de brutowinst vast te stellen die zij heeft gerealiseerd gedurende de periode van 1 augustus 2002 tot 31 juli 2003 op de verkopen van de producten Gios, en indien nodig het representatieve gedeelte te ventileren over de grondgebieden van België, Luxemburg en Nederland in gerealiseerde cijfers, en - het aandeel in zakencijfer vast te stellen dat de verdeling van de producten Gios vertegenwoordigde in haar globale zakencijfer. Ten slotte vorderde zij de veroordeling van geïntimeerde in de kosten. 2.Geïntimeerde vroeg in hoofdorde dat de eerste rechter zich onbevoegd zou verklaren om kennis te nemen van het geschil. Zij vroeg minstens dat de eis als ongegrond zou worden afgewezen en dat appellante zou worden veroordeeld in de kosten, en stelde een tegeneis in die ertoe strekt appellante te horen veroordelen tot het betalen van een verbrekingsvergoeding van 51.177,11 euro. Appellante vroeg dat deze tegeneis zou worden verworpen. 3.In het bestreden vonnis worden de hoofdeis en de tegeneis ontvankelijk doch ongegrond verklaard en wordt appellante veroordeeld in de kosten. 4.Appellante vraagt dat dit vonnis teniet zou worden gedaan, herneemt de eisen die zij voor de eerste rechter heeft geformuleerd en vordert de veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen. Zij vraagt ook de verwerping van het incidenteel beroep van geïntimeerde. 5.Geïntimeerde vraagt dat het hoger beroep onontvankelijk en minstens ongegrond zou worden verklaard en dat appellante zou worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Indien het hoger beroep ontvankelijk zou worden verklaard, stelt zij incidenteel beroep in teneinde haar voor de eerste rechter ingestelde tegeneis te horen inwilligen. Deze eis breidt zij uit tot de som van 54.187,52 euro, meer de wettelijke interest vanaf 5 september 2003 en de gerechtelijke interest. OVERZICHT VAN DE RELEVANTE FEITEN 6.Geïntimeerde is een Italiaanse vennootschap die fietsenkaders, fietsen en toebehoren van het merk Gios fabriceert. Zij beweert dat zij haar producten verdeelt over de gehele wereld, en dit, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van zelfstandige concessiehouders of groothandelaars zonder exclusiviteitsrechten. Appellante is een groothandelaar in wielerproducten en aanhorigheden, die enkel aan speciaalzaken verkoopt. 7.In 1996 knoopten partijen onderhandelingen aan met het oog op de verdeling van de producten van geïntimeerde in België en in het Groothertogdom Luxemburg. In een schrijven van 22 oktober 1996 bevestigde geïntimeerde dat zij aan appellante de exclusieve concessie toekende voor deze verdeling op het grondgebied van deze beide landen, en dit voor een bepaalde duur van één jaar. Deze concessie zou jaarlijks worden vernieuwd, tenzij zij uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de overeengekomen termijn zou worden opgezegd. 8.Volgens appellante werd deze concessie in 1998 uitgebreid tot het Nederlandse grondgebied en volgde zij hierbij de firma Walburg op. Dit wordt betwist door geïntimeerde, die ook preciseert dat zij de door appellante bestelde contractproducten leverde, zonder op de hoogte te zijn van de identiteit van het cliënteel waarvoor de producten bestemd waren, noch van de plaats waar dit cliënteel gevestigd was. 9.Op 1 augustus 2003 deelde geïntimeerde mee dat zij had beslist om met ingang van 1 september 2003 rechtstreeks te verkopen op de Nederlandse markt. Zij beweert dat zij dit schrijven heeft gestuurd, nadat zij had vernomen dat appellante ook Gios producten verkocht in Nederland. In een fax d.d. 5 augustus 2003 vroeg appellante dat geïntimeerde op deze beslissing zou terugkomen, maar aan dit verzoek werd geen gunstig gevolg verleend. Op 5 september 2003 liet zij dan weten aan geïntimeerde dat deze hierdoor een zware fout had begaan, die ook de verbreking tot gevolg had van de exclusieve verkoopconcessie voor het grondgebied van België en Luxemburg. Volgens appellante was er sprake van een vertrouwensbreuk en was elke verdere samenwerking tussen partijen onmogelijk geworden. 10.Sedert begin 2004 treedt de firma Verhoeven op als invoerder van de Gios producten voor het Nederlandse grondgebied. BESPREKING 11.Geïntimeerde werpt in hoofdorde op dat het verzoekschrift tot hoger beroep absoluut nietig is, zodat dit rechtsmiddel onontvankelijk moet worden verklaard. De kennisgeving van dit verzoekschrift vond immers plaats op haar maatschappelijke zetel in Italië, en niet op het kantoor van gerechtsdeurwaarder Joseph Willems te Aarschot, waar zij keuze van woonplaats had gedaan in het exploot van betekening van het bestreden vonnis. Zij roept dan ook artikel 40, vierde lid van het Gerechtelijk Wetboek in, dat bepaalt dat de betekening in het buitenland ongedaan is, indien de partij op wier verzoek ze verricht is, de woonplaats of de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van degene aan wie betekend wordt, in België of, in voorkomend geval in het buitenland, kende. Het hof stelt vast dat dit wetsartikel inderdaad werd geschonden. Aangezien appellante de gekozen woonplaats van geïntimeerde kende of minstens moest kennen, was zij verplicht haar verzoekschrift tot hoger beroep ter kennis te laten brengen op dat adres. Deze verplichting raakt de openbare orde. Artikel 867 Ger.W. bepaalt echter onder meer dat het verzuim of de onregelmatigheid van de vorm van een proceshandeling, niet tot nietigheid kan leiden, wanneer uit de gedingstukken blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt. Geïntimeerde is verschenen op de inleidingszitting en heeft tijdig conclusies neergelegd. Er moet bijgevolg worden aangenomen dat de kennisgeving van het verzoekschrift op de maatschappelijke zetel van geïntimeerde in Italië, ook al was deze naar de vorm onregelmatig, het door de wet beoogde doel heeft bereikt, te weten dat geïntimeerde het verzoekschrift zou ontvangen en de mogelijkheid zou hebben om haar verweermiddelen uiteen te zetten. Bijgevolg kan de schending van artikel 40, vierde lid Ger.W. niet leiden tot de nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep. Dit hoger beroep is dan ook ontvankelijk. 12.Het staat vast en het wordt overigens niet betwist dat aan appellante een concessie van alleenverkoop werd toegekend voor het grondgebied van België en Luxemburg. Appellante beweert dat deze concessie werd uitgebreid tot het Nederlandse grondgebied, hetgeen door geïntimeerde wordt betwist. Het hof overweegt hierover het volgende. 13.Partijen hebben geen uitdrukkelijke rechtskeuze gemaakt. De overeenkomst, waarbij aan appellante een concessie van alleenverkoop werd toegekend voor het grondgebied van België en Luxemburg, werd krachtens artikel 4 van het Verdrag van Rome d.d. 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst dan ook beheerst door het Belgische recht. Appellante, die als concessienemer de meest kenmerkende prestatie moest verrichten, had op het ogenblik van het sluiten van deze overeenkomst immers haar hoofdbestuur in België (Bierbeek). Aangezien uit het geheel van de omstandigheden niet blijkt dat de overeenkomst nauwer was verbonden met een ander land, moet worden aangenomen dat de overeenkomst het nauwst verbonden was met België. 14.Het hof oordeelt dat het geschil over de vraag of deze exclusieve verkoopconcessie ook werd uitgebreid tot het Nederlandse grondgebied en, in bevestigend geval, over de vraag welke de gevolgen zijn van de beslissing van geïntimeerde d.d. 1 augustus 2003, dan ook moet worden beoordeeld bij toepassing van het Belgische recht. Het gaat immers om dezelfde overeenkomst en appellante bleef haar hoofdbestuur behouden in België, terwijl er door geen van beide partijen omstandigheden worden aangevoerd waaruit zou blijken dat de overeenkomst nauwer verbonden was met Nederland. Appellante geeft immers aan dat haar gehele verkooporganisatie gevestigd bleef in Bierbeek (België), waar de producten van geïntimeerde aan haar werden geleverd, waar zij de verzoeken tot inlichtingen verwerkte, vanwaar zij alle verkopen - ook aan buitenlandse klanten - organiseerde en waar zij haar waarborgverplichtingen nakwam en herstellingen uitvoerde. Geïntimeerde voert zelfs niet aan dat appellante een verkooporganisatie zou hebben opgezet in Nederland. 15.Appellante, die beweert dat de exclusieve verkoopconcessie werd uitgebreid tot het Nederlandse grondgebied, moet het bewijs daarvan leveren. Zij moet met andere woorden aantonen dat geïntimeerde haar het recht heeft voorbehouden om in dit territorium in eigen naam en voor eigen rekening de door geïntimeerde vervaardigde of verdeelde producten te verkopen. Een, zelfs langdurige, opeenvolging van operaties van koop - verkoop, ook al worden deze herhaaldelijk of zelfs regelmatig gesloten, volstaat niet om een concessie tot stand te brengen. Deze operaties moeten het resultaat zijn van de uitvoering van een kaderovereenkomst die hen organiseert en rechtvaardigt. Er moet met andere woorden sprake zijn van een permanente handelsrelatie in een gestructureerd kader met het doel de verkoop van de producten van de concessiegever te bevorderen. 16.Het bewijs van het bestaan van een exclusieve concessie voor het grondgebied Nederland dient niet noodzakelijk te worden geleverd door het voorleggen van een geschreven overeenkomst. Dit bestaan kan ook worden aangetoond aan de hand van de wijze waarop de overeenkomst door de partijen in de praktijk werd uitgevoerd en aan de hand van de door hen gevoerde briefwisseling. 17.In een e-mail aan de heer Sam Pitzalis uit Nederland d.d. 17 juni 2003, waarvan appellante een kopie ontving, heeft geïntimeerde uitdrukkelijk aangegeven dat zij verkoos dat de aankoop van haar producten zou geschieden via de gebruikelijke kanalen en dat zij in dergelijk geval de invoerder voor de Benelux (hiermee kan niemand anders dan appellante zijn bedoeld) zou laten tussenkomen. Geïntimeerde toont niet aan dat het hier om een vergissing ging. 18.Verder legt appellante diverse e-mail berichten voor van in Nederland wonende personen, en van één Zuid-Afrikaan, die haar hebben aangeschreven in de volgende bewoordingen: - "via het veelgeprezen internet ben ik bij jullie terecht gekomen, prachtige plaatjes bij de GIOS-Site vind ik. Ik wil graag wat GIOS-informatie hebben ..." (oktober 1998); - "ik ben al een tijdje op zoek naar originele GIOS-stickers (...) Op de web-site van gios zag (

  1. ik)in de catalogus de betreffende stickers staan. Ook zag ik dat u de importeur voor Nederland bent. Hoe kan ik deze stickers bestellen ?"(oktober 1998); - volgens mijn informatie bent u de importeur van het racefietsmerk Gios voor Nederland en België" (januari 1999); - "ik heb op de website van Gios vernomen dat U de importeur bent voor Nederland" (januari 1999); - "ik heb ook een e-mail gestuurd direkt naar Gios met een technische vraag, maar zij verwijzen mij door naar U" (januari 1999); - "via de internet-site van GIOS fietsen (www.gios.
  2. it)ben ik erachter gekomen dat (appellante) de importeur is voor GIOS fietsen in Nederland" (februari 1999); - "via GIOS Italië ontving ik uw adres, als Benelux-dealer voor de GIOS-racefietsen" (april 1999); - "op de internetsite van Gios zag ik dat u importeur bent van dit merk" (april 1999); - "Van de GIOS Italië Internet Site heb ik gezien dat U de importeur bent van GIOS in de Benelux" (november 1999); - "graag zou ik een brochure met informatie en prijzen ontvangen van het gehele assortiment van Gios. Ik heb namelijk begrepen dat ik niet kan kopen via het internet omdat jullie de dealer zijn van Gios in Nederland" (oktober 2000); - (vrij vertaald): "op de website heb ik gevonden dat U de invoerder bent van Gios fietsen in Nederland" (juni 2002); - "ik heb vernomen dat u de exporteur/importeur bent van GIOS fietsen" (augustus 2002); - "op de website van Gios (www.gios.
  3. it)zag ik dat u de importeur bent van Gios racefietsen voor de benelux" (november 2002); - "op de internetpagina van gios heb ik gezien dat jullie de importeur voor o.a. nederland zijn" (februari 2003); - "gisteren vroeg ik GIOS in Italië om een prijsopgaaf voor de volgende producten, maar vandaag verwezen ze me naar u" (juni 2003). Dat dit verklaringen zijn van particulieren en niet van de speciaalzaken die de klanten waren van appellante, staat er niet aan in de weg dat zij hebben weergegeven wat zij op de website van geïntimeerde hebben gezien of wat geïntimeerde hen heeft meegedeeld. Er zijn geen redenen om te twijfelen aan de waarheidsgetrouwheid van deze verklaringen, laat staan van alle verklaringen. Geïntimeerde verwijst vruchteloos naar een uittreksel uit haar eigen website, waarin appellante niet wordt vermeld als invoerder/verdeler voor de Benelux of voor Nederland. Dit stuk bewijst immers niet dat deze vermelding nooit is voorgekomen op haar website. 19.Appellante legt eveneens verscheidene e-mail berichten over van in Nederland wonende personen die aan geïntimeerde informatie hebben gevraagd over haar producten en prijzen en over de winkels waar deze producten konden worden gekocht. Deze berichten van potentiële kopers werden door geïntimeerde doorgestuurd naar appellante. Dat appellante niet aan deze personen maar aan speciaalzaken verkocht, is in dat verband niet relevant. 20.Appellante bewijst ook dat zij in gespecialiseerde in Nederland verspreide tijdschriften publiciteit heeft gevoerd en zich ten aanzien van Belgische en Nederlandse lezers van deze tijdschriften heeft voorgesteld als verdeler ("dealer") van Gios producten. Geïntimeerde maakt niet aannemelijk dat zij hiervan niet op de hoogte zou zijn geweest. Daarnaast nam appellante ook deel aan de Benelux beurs "Bike Motion" in Utrecht. 21.Aan de hand van de door de Nederlandse eindkopers ingevulde en naar geïntimeerde teruggestuurde garantiekaarten kon deze vaststellen hoeveel fietsen en aanhorigheden in Nederland werden verkocht. Volgens de door appellante verstrekte gegevens werd er in de periode van 1997 tot en met 2003 aan een 95-tal speciaalzaken verkocht en dit voor een totaal bedrag van ongeveer 262.686 euro. Geïntimeerde heeft in 1998 nog voor 4.764,83 euro producten verkocht aan de Nederlandse firma Walburg Cycling Products. Nadien en tot 1 augustus 2003 heeft zij op het grondgebied Nederland geen producten meer verkocht, behalve in de periode van 18 februari 2002 tot 1 augustus 2003, waarin zij voor 62.150 euro heeft verkocht aan een Nederlandse BV Bik Lekkerkerk Onroerend Goed, en dit in uitvoering van een sponsorovereenkomst voor een wielerploeg voor vrouwen. Daarnaast legt zij slechts één factuur d.d. 10 december 2002 voor van een Duitse groothandelaar die aan een in Nederland gevestigde detailhandelaar goederen heeft verkocht voor een bedrag van 547,42 euro. Geïntimeerde kan dan ook niet op een geloofwaardige wijze ontkennen dat zij wist en derhalve ermee instemde dat de overige in Nederland verkochte fietsen, of minstens het grootste gedeelte daarvan, werden verdeeld door appellante. Overigens geeft zij niet aan hoe zij, net voor 1 augustus 2003, dan wel zou vernomen hebben dat appellante verkocht aan Nederlandse speciaalzaken. Door in haar mededeling d.d. 1 augustus 2003 uitdrukkelijk aan te geven dat zij had beslist voortaan rechtstreeks te verkopen op het Nederlandse grondgebied, heeft geïntimeerde reeds toegegeven dat er voordien werd verkocht via een verdeler/invoerder. 22.Appellante legt ook een verklaring voor van een zekere Jean Habets, die een speciaalzaak uitbaat in Nederland, en die het volgende bevestigt: "Bij deze stuur ik je een verslag van het gesprek, dat ik enkele jaren geleden (ongeveer 2002) met dhr. Gios had op de beurs in Milaan. Bij de bespreking van nieuwe modellen van dat jaar, en over de oplossing van eventuele problemen kwam de vertegenwoordiging van Gios in ons land (Nederland) ter sprake. Dhr. Gios vroeg of ik tevreden was over de samenwerking met (appellante), waarop ik antwoordde dat ik met jou naar volle tevredenheid al verschillende jaren samenwerkte. Precies weet ik het niet, maar ik schat dat ik Gios fietsen een vijftal jaren van jou betrokken heb." 23.Ten slotte legt appellante ook stukken voor, waaruit blijkt dat een Nederlandse particulier haar in 1999 heeft aangeschreven in verband met een defecte fietsenframe, dat zij deze klacht heeft meegedeeld aan geïntimeerde en dat deze heeft gevraagd dat de fiets via appellante zou worden binnengebracht voor nazicht. 24.Aan de hand van alle vorige vaststellingen en overwegingen oordeelt het hof dat appellante voldoende aantoont dat het grondgebied, waarvoor geïntimeerde haar een concessie van alleenverkoop had toegekend, vanaf 1998 werd uitgebreid tot de gehele Benelux. Aan deze exclusiviteit werd geen afbreuk gedaan door het feit dat geïntimeerde in het kader van de uitvoering van een sponsorovereenkomst, rechtstreeks producten heeft verkocht voor een wielerploeg voor vrouwen. Dat er geen afspraken werden gemaakt over toe te passen prijzen, te betalen omzetcijfers enz. en dat appellante zich in de Belgische gespecialiseerde wielrennerspers niet voorstelde als verdeler voor de Benelux, staat hieraan niet in de weg. Wat het aanleggen van de voorraden betreft, maakt appellante voldoende aannemelijk dat dit gebeurde op haar maatschappelijke zetel te Bierbeek (België). 25.Geïntimeerde heeft op 1 augustus 2003 laten weten dat zij had beslist om rechtstreeks te verkopen op de Nederlandse markt. Zij geeft uitdrukkelijk aan in haar conclusie dat zij op die wijze duidelijk wilde maken dat zij zo snel mogelijk een einde wilde stellen aan de verkopen van appellante op het Nederlandse grondgebied. Aldus heeft zij eenzijdig een einde gesteld aan de aan appellante toegekende concessie van alleenverkoop voor dit territorium, en dit op onverwachte wijze en praktisch zonder opzegtermijn. Appellante maakt bovendien voldoende aannemelijk dat haar verkopen aan Nederlandse speciaalzaken het grootste gedeelte vertegenwoordigden van haar zakencijfer, wat de Gios producten betreft. De handelwijze van geïntimeerde maakte dan ook een grove tekortkoming uit die het verder zetten van de gehele concessie, derhalve ook wat België en Luxemburg betreft, definitief onmogelijk maakte. Het hof oordeelt bijgevolg dat appellante terecht deze overeenkomst heeft verbroken wegens deze grove tekortkoming en de hierdoor ontstane vertrouwensbreuk. De door geïntimeerde ingeroepen betalingsachterstallen in hoofde van appellante doen hieraan geen afbreuk. Zij werden immers niet ingeroepen om de beslissing van 1 augustus 2003 te rechtvaardigen. 26.Appellante heeft bijgevolg recht op een redelijke en billijke schadevergoeding. De bepalingen van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop zijn op zich niet van toepassing, aangezien er in voorliggend geval geen sprake was van een eenzijdige beëindiging van de gehele concessie door geïntimeerde. Het hof oordeelt echter dat in de gegeven omstandigheden de door appellante geleden schade op adequate wijze wordt vergoed door het toekennen van de vergoedingen waarop zij krachtens de wet van 27 juli 1961 aanspraak had kunnen maken, indien geïntimeerde de gehele verkoopconcessie eenzijdig had beëindigd, en dit voor het gehele grondgebied van de concessie. 27.Artikel 2 van deze wet bepaalt dat een voor onbepaalde tijd verleende, aan deze wet onderworpen verkoopconcessie niet kan worden beëindigd dan met een een redelijke opzeggingstermijn of een billijke vergoeding die door de partijen worden bepaald bij de opzegging van het contract. Zijn partijen het niet eens, dan doet de rechter uitspraak naar billijkheid, eventueel met inachtneming van de gebruiken. Er moet worden aangenomen dat de opzeggingstermijn redelijk is wanneer, op het ogenblik van de opzegging, voorzienbaar is dat de concessiehouder na afloop van de overeenkomst een gelijkwaardige bron van inkomsten kan hebben gevonden. Dit hoeft niet noodzakelijk een nieuwe concessie van hetzelfde of een gelijkaardig contractproduct te zijn. Hierbij kan rekening worden gehouden met de duur van de concessie, de aard en bekendheid van de verkochte producten, het territorium van de concessie en het aandeel ervan in de globale activiteit van de concessiehouder. Ook de omzetcijfers en bedrijfsresultaten en hun evolutie en de in de loop van de jaren gedane investeringen kunnen aanwijzingen zijn om de redelijke duur van de opzeggingstermijn te bepalen. De afwezigheid van belangrijke recente investeringen en bescheiden omzetcijfers en bedrijfsresultaten maken het echter niet noodzakelijk eenvoudiger om een gelijkwaardige bron van inkomsten te vinden. Aangezien geïntimeerde de concessie niet heeft beëindigd op grond van een beweerde grove tekortkoming in hoofde van appellante, kan voor het bepalen van de redelijke opzeggingstermijn geen rekening worden gehouden met de door geïntimeerde ingeroepen betalingsachterstand. 28.De duur van de concessie bedroeg ongeveer zeven jaren, wat België en Luxemburg betreft, en ongeveer vijf jaren, wat Nederland aangaat. Het grondgebied was de Benelux en de door appellante verdeelde producten waren van een hoogstaande kwaliteit en genoten een uitstekende reputatie in het professionele wielrennersmilieu. Het aandeel van de concessie in de globale activiteit van appellante bedroeg volgens haar ongeveer 29,57 % in de laatste twaalf maanden. Appellante verkocht ook andere fietsen, maar door de aldus geboden keuzemogelijkheid voor het cliënteel, werd ook de verkoop van Gios producten bevorderd. Wat het Belgische en Luxemburgse territorium betreft, is volgens appellante het door haar gerealiseerde zakencijfer in Gios producten gestegen van 8.210,10 euro in 1996 tot 38.990,79 euro in 2002. Voor Nederland zou dit gestegen zijn van 1997,60 euro in 1998 tot 62.879,02 euro in 2002. Zelfs indien de partijen het niet eens zijn wat de cijfers betreft, wordt voldoende aannemelijk gemaakt dat deze in stijgende lijn gingen. Er worden geen specifieke investeringen aangetoond, zodat deze niet van aard kunnen worden geacht de redelijke duur van de opzeggingstermijn te beïnvloeden. 29.Aangezien ter zake geen voldoende bewijsstukken worden voorgelegd, acht het hof het noodzakelijk, alvorens verder uitspraak te doen, een gerechtsdeskundige aan te stellen met als opdracht: - na te gaan welke omzet en bedrijfsresultaten appellante heeft gerealiseerd met betrekking tot de producten van geïntimeerde, en dit gedurende de jaren 2001, 2002 en 2003 (tot 31 juli 2003), - na te gaan wat het aandeel was van de concessie in de globale activiteit van appellante gedurende dezelfde jaren, en - de winstmarge te bepalen die appellante ingevolge de concessie voor de producten van geïntimeerde heeft behaald gedurende dezelfde jaren. 30.Appellante maakt ook aanspraak op een billijke bijkomende vergoeding wegens aanzienlijke aanbreng van cliënteel. Krachtens artikel 3 van de wet van 27 juli 1961 moet er sprake zijn van een bekende meerwaarde inzake cliëntèle die door de concessiehouder is aangebracht en die aan de concessiegever verblijft na de beëindiging van het contract. Appellante verwijst naar de evolutie van het zakencijfer in de gehele Benelux, die volgens haar de aanbreng aantoont van een belangrijk cliënteel, dat verworven blijft voor geïntimeerde. Deze laatste werpt op dat appellante geen bewijs aanbrengt van het feit dat zij aanzienlijke meerwaarde aan cliënteel heeft aangebracht, die na de beëindiging van de concessie verworven bleef voor haar. Zij wijst ook op de volledige ineenstorting van haar positie op de Belgische en Luxemburgse markt. Gelet op de betwisting tussen partijen, acht het hof het noodzakelijk dat de aangestelde deskundige eveneens zou nagaan of en in welke mate appellante een aanzienlijke meerwaarde aan clientèle heeft aangebracht, wat de producten van geïntimeerde betreft, en of en in welke mate redelijk kan worden aangenomen dat dit cliënteel geïntimeerde trouw zou blijven na de beëindiging van de concessie. 31.Aangezien het hof oordeelt dat appellante terecht de concessie van alleenverkoop heeft verbroken wegens de door geïntimeerde begane grove tekortkoming, kan deze laatste geen aanspraak maken op een verbrekingsvergoeding. Haar tegeneis dient bijgevolg ongegrond te worden verklaard. OM DEZE REDENEN : HET HOF, recht doende na tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het principaal hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk en enkel het principaal hoger beroep in de volgende mate gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens in zoverre de vorderingen ontvankelijk werden verklaard en de tegeneis als ongegrond werd afgewezen. Zegt dat appellante de haar toegekende concessie van alleenverkoop voor de Benelux terecht heeft verbroken wegens een grove tekortkoming in hoofde van geïntimeerde en dat zij bijgevolg recht heeft op een schadevergoeding. Alvorens verder uitspraak te doen over deze schadevergoeding, Stelt aan als gerechtsdeskundige Carlo VAN DER HERTEN, met kantoor te 1853 Strombeek-Bever, Jozef Van Elewijckstraat 103 bus 6, telefoon : 02/263.06.40, met als opdracht: - na te gaan welke omzet en bedrijfsresultaten appellante heeft gerealiseerd met betrekking tot de producten van geïntimeerde, en dit gedurende de jaren 2001, 2002 en 2003 (tot 31 juli 2003), - na te gaan wat het aandeel was van de concessie in de globale activiteit van appellante gedurende dezelfde jaren, - de winstmarge te bepalen die appellante ingevolge de concessie voor de producten van geïntimeerde heeft behaald gedurende dezelfde jaren, en - na te gaan of en in welke mate appellante een aanzienlijke meerwaarde aan clientèle heeft aangebracht, wat de producten van geïntimeerde betreft, en of en in welke mate redelijk kan worden aangenomen dat dit cliënteel geïntimeerde trouw zou blijven na de beëindiging van de concessie. Zegt dat de installatievergadering bij toepassing van artikel 972 Ger.W., zoals gewijzigd door de Wet van 15 mei 2007, zal plaatsvinden in de raadkamer van de 8ste kamer van het hof van beroep te Brussel, Justitiepaleis, Poelaertplein te 1000 Brussel op 11 maart 2008 te 9 uur (zaal 0.21), in aanwezigheid van de deskundige en van de partijen, desgevallend vertegenwoordigd door hun respectieve raadslieden. Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke achtste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : B. LYBEER, Raadsheer dd. Voorzitter, C. VAN SANTVLIET, Raadsheer, E. HERREGODTS, Raadsheer, K. BATSELIER, Griffier. K. BATSELIER E. HERREGODTS C. VAN SANTVLIET B. LYBEER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.