← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080226.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 26 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080226.11 Rolnummer: 2003na9 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-06 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-02 17:06 Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - NATUURRAMPEN - Algemeen (natuurrampen) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - NATUURRAMPEN - Schadevergoeding Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2003/NA/9 Wet 12 juli 1976 schadeherstel natuurrampen - oorzaak schade - intresten - gerechtskosten INZAKE VAN : De heer E. N, wonende te 3400 LANDEN, Lindestraat 19, eiser in voorziening tegen een beslissing van de Gouverneur van de Provincie Vlaams-Brabant d.d. 3 november 2003, beslissing bekend onder het rampenschadedossiernummer 1.841.91/CAL/02/A/O/1/318/ BEV/03-2747/3230, vertegenwoordigd door Meester Klara HELSEN, advocaat te LEUVEN, loco Meester Geert JASPAERT, advocaat te 3400 LANDEN, Marktplein 2 1ste kamer TEGEN : De BELGISCHE STAAT, F.O.D. Binnenlandse Zaken, Algemene Directie Civiele Veiligheid, Dienst Rampenschade, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Leuvensesteenweg 1, verweerder in voorziening, vertegenwoordigd door Meester Jan FRANSEN loco Meester Marc STOMMELS, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 220 bus 14,

  1. De feiten en de procedure Een Koninklijk Besluit van 13 september 2002 bepaalt dat de hevige regenval die heeft plaatsgevonden van 26 tot 28 augustus 2002 op het grondgebied van onder meer de gemeente Landen wordt beschouwd als een algemene ramp die de toepassing rechtvaardigt van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen. Op 20 december 2002 deed N aan de gouverneur van de provincie Vlaams Brabant aanvraag tot tegemoetkoming voor een schade van in totaal 81.922,18 EUR. Bij beslissing van 4 augustus 2003 kende de gouverneur een tegemoetkoming toe van 1.313,36 EUR. Bij aangetekende brief van 15 augustus 2003 deelde N aan de gouverneur mee dat hij niet akkoord ging met het expertiseverslag en met de beslissing. Op 3 november 2003 verklaarde de gouverneur de vraag tot herziening ontvankelijk maar ongegrond. Tegen die laatste beslissing stelde N voorziening in bij verzoekschrift neergelegd op de griffie van het hof op 27 november
  2. Het verzoekschrift is neergelegd binnen de termijn bepaald in artikel 22 §1 van de wet van 12 juli
  3. De voorziening is dus ontvankelijk. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.
  4. Het onderwerp van de vordering N vraagt de beslissing te hervormen en de schadeloosstelling te bepalen op 80.368,00 EUR (69.495,00 EUR euro aardbeien, 10.573,00 EUR aardbeien - nieuwe plantjes, en 300,00 EUR verpakkingsmateriaal), onder aftrek van 304,00 EUR die reeds werden vergoed, en plus vergoedende intresten vanaf 18 augustus 2003 en de gerechtelijke intresten. Hij gedraagt zich naar de wijsheid van het hof met betrekking tot de kosten der geding. De BELGISCHE STAAT concludeert tot de ongegrondheid van de voorziening. Hij vraagt te zeggen dat er geen procedurekosten zijn.
  5. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 3.
  6. De beslissing van de gouverneur De gouverneur besliste op 4 augustus 2003 in overeenstemming met het verslag van de deskundige GOOSSENS. Die beschouwde de schade aan de aardbeien als niet vergoedbaar omdat het ging om schade door regen en hagel terwijl alleen de regenval erkend is als ramp. Op 3 november 2003 overwoog de gouverneur dat na onderzoek is gebleken dat de schade veroorzaakt is door de hagel en niet door de hevige regenval. 3.
  7. Beoordeling In conclusie laat de BELGISCHE STAAT gelden dat artikel 4, 4° van de wet van 12 juli 1976 de vergoeding uitsluit voor goederen beschadigd door risico's die normaal door verzekeringscontracten kunnen gedekt worden, onder meer voor hagel, met betrekking tot de beplantingen, teelten en oogsten die de Koning aanduidt, en dat artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 14 juli 1977 onder meer de aardbei daaronder rangschikt. De BELGISCHE STAAT beklemtoont terecht dat alleen de rechtstreekse schade in aanmerking komt voor vergoeding. N werpt op dat het verslag van de landbouwcommissie die ter plaatse is geweest geen hagel vermeldt, en dat deskundige CLAES, aangesteld voor het nazicht van het expertiseverslag, in zijn verslag van 24 oktober 2003 alleen uit een krantenartikel afleidt dat de schade is veroorzaakt door hagel. Een artikel in Het Laatste Nieuws van 30 augustus 2002 stelt inderdaad dat N verklaart dat zijn vruchten zijn "kapotgeslagen door de regen en de hagel", en bij een foto staat als opschrift "de aardbeien zijn geblutst door de regen en de hagel". N ontkent dat hij de geciteerde verklaring heeft afgelegd. N is niet de auteur van het artikel, en kan niet instaan voor de inhoud ervan. Het krantenartikel van de hand van een journalist kan gelet op de ontkenning van N niet zonder meer beschouwd worden als een weergave van zijn woorden. Deskundige CLAES vermeldt in zijn verslag dat de foto in de krant duidelijk de inslagen van de hagel aantoont. Ook in conclusie stelt de BELGISCHE STAAT dat het fruit op de foto duidelijk twee hagelinslagen vertoont. Op (de zwart-wit kopie van een krantenafdruk van) de foto zijn voor het hof een zestal onrijpe en drie rijpere aardbeien zichtbaar, waarbij één van de rijpe aardbeien twee donkere vlekken vertoont. Het hof merkt op dat het proces-verbaal van vaststelling van schade aan teelten van de commissie tot vaststelling van schade aan teelten vermeldt dat de commissie ter plaatse is geweest op 2 september 2002 en dat daarin als oorzaak van de schade is genoteerd "wolkbreuk, hevige regenval en stortbuien". Dit verslag is opgesteld door deskundigen, waaronder een landbouwkundig ingenieur en twee experten tuinbouwers, die ter plaatse zijn geweest en zelf vaststellingen hebben gedaan, en die op basis van hun eigen technische kennis en ervaring afleidingen hebben gemaakt. In dat verslag is geen sprake van hagel, terwijl de leden van de commissie mogen vermoed worden te weten dat dit een relevant element is. Tegen hun vaststellingen weegt het krantenartikel met inbegrip van de foto niet op; het volstaat niet als bewijs dat de schade is veroorzaakt door hagel. De gouverneur kon dus niet op die grond het verzoek van N tot tegemoetkoming gedeeltelijk afwijzen. Over de door N becijferde bedragen voert de BELGISCHE STAAT geen betwisting. Ook over de door N gevorderde intresten voert de BELGISCHE STAAT geen betwisting. N vraagt vergoedende intresten vanaf 18 augustus 2003, datum waarop de reeds toegekende vergoeding is betaald. Omdat de wet van 12 juli 1976 strikt moet worden uitgelegd, kan zij alleen aanleiding geven tot herstel van de schade door de in de wet voorgeschreven vergoedingen, zonder enige verhoging, al was het door toekenning van vergoedende interesten. De verplichting tot betaling van de vergoedingen bepaald bij de wet van 12 juli 1976 is echter een verbintenis die enkel betrekking heeft op de betaling van een zekere geldsom in de zin van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, zodat bij vertraging in de uitvoering, de daarin vastgestelde wettelijke interest verschuldigd is. De aanvraag bij de provinciegouverneur tot betaling door de BELGISCHE STAAT van de vergoeding, vormt geen aanmaning tot betaling, die moratoire interest doet lopen . De voorziening ingediend bij het hof geldt wel als aanmaning, en doet de moratoire intresten lopen die meteen ook gerechtelijke intresten zijn. 3.
  8. De kosten Met betrekking tot de kosten voert de BELGISCHE STAAT aan dat dit geen contentieuze procedure is, zodat artikel 1017 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing zijn. N gedraagt zich op dit punt naar de wijsheid. De opmerking van de BELGISCHE STAAT dat dit niet een contentieuze procedure is, kan niet gevolgd worden. Er is uiteraard een betwisting, en de voorziening in de zin van artikel 21 van de wet van 12 juli 1976 opent uit haar aard een gerechtelijke procedure. Artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de in dit wetboek gestelde regels van toepassing zijn op alle rechtsplegingen "behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek". De enige wetsbepaling buiten het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de kosten van huidige procedure is artikel 55 van de wet van 12 juli
  9. Dat bepaalt dat elke procedure met betrekking tot de toepassing van de wet op kosten is van de BELGISCHE STAAT. Uit artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 55 van de wet van 12 juli 1976 kan dus alleen afgeleid worden dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek moeten toegepast worden, waarbij de kosten in elk geval ten laste komen van de BELGISCHE STAAT. Dat laatste is een gelijkaardige regeling als die van artikel 1017, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek, met betrekking tot de procedures door of tegen sociaal verzekerden. Artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat elke eindbeslissing de in het ongelijk gestelde partij "zelfs ambtshalve" in de kosten verwijst. De in het ongelijk gestelde partij is in deze de BELGISCHE STAAT. Naar luid van artikel 1021 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen partijen een omstandige opgave van hun kosten indienen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022, en worden "in dat geval" de kosten vereffend in het vonnis . N, die zich naar de wijsheid gedraagt, heeft geen opgave van kosten ingediend. De kosten worden dus niet vereffend, zoals voorzien in artikel 1021, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Het hof verklaart de voorziening van N ontvankelijk en gegrond als volgt: Zegt dat aan N een tegemoetkoming toekomt van TACHTIGDUIZEND VIERENZESTIG EURO (80.064,00 EUR), plus de gerechtelijke intresten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf 27 november
  10. Het veroordeelt de BELGISCHE STAAT tot de betaling van de kosten van de voorziening, niet begroot, en houdt de beslissing over de vereffening van de kosten aan. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 26/02/2008 waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.