← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080226.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 26 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080226.9 Rolnummer: 2003NA8 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-06 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-02 17:05 Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - NATUURRAMPEN - Algemeen (natuurrampen) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - NATUURRAMPEN - Schadevergoeding Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2003/NA/8 Wet 12 juli 1976 schadeherstel natuurrampen - rechtstreekse schade - goederen met weeldekarakter - gerechtskosten INZAKE VAN : De naamloze vennootschap CLOS DES TROIS ETANGS, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1301 BIERGES, avenue des Tarins 24, ingeschreven in het handelsregister van Nijvel onder het nummer 71.676, ingeschreven bij de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0442.281.495, eiser in voorziening tegen een beslissing van de Gouverneur van de Provincie Vlaams-Brabant d.d. 15 september 2003, beslissing bekend onder het rampenschadedossiernummer CAL/02 1/181-2/12, vertegenwoordigd door Meester Xavier WINNEN loco Meester Yves NELISSEN GRADE, advocaat te 3001 HEVERLEE, Ubicenter - Philipssite 5, 2de verdieping, 1ste kamer TEGEN : 1) De GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE VLAAMS-BRABANT, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3001 LEUVEN, Provincieplein 1, dienst rampenplanning en noodhulpverlening, cel Rampenschade, 2) De BELGISCHE STAAT, F.O.D. Binnenlandse Zaken, Algemene Directie Civiele Veiligheid, Dienst Rampenschade, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Leuvensesteenweg 1, verweerders in voorziening, vertegenwoordigd door Meester Jan FRANSEN loco Meester Marc STOMMELS, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 220 bus 14,

  1. De feiten en de procedure Een Koninklijk Besluit van 21 januari 2003 bepaalt dat de overstromingen die hebben plaatsgevonden van 29 december 2002 tot 4 januari 2003 op het grondgebied van onder meer de gemeente Kampenhout worden beschouwd als een algemene ramp die de toepassing rechtvaardigt van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen. De eiseres in voorziening is eigenaar van percelen in Kampenhout, kadastraal bekend als sectie A, 194 B2, 194 A2, 194 M2, 194 P2, 194 R2, 191 K2 en 191 L2 en 191 X
  2. Op die percelen zijn twee woningen gelegen, Vogelzanglaan 2 en Vogelzanglaan 2A, en vijvers en bossen. Bij brief van 28 april 2003 deed de eiseres in voorziening aan de gouverneur van de provincie Vlaams Brabant aanvraag tot tegemoetkoming voor volgende schadeposten: Vogelzanglaan 2 17.916, 82 EUR Vogelzanglaan 2A 2.192,00 EUR Weysetter (bos en vijvers) 386.591,00 EUR Bij beslissing van 15 september 2003 verklaarde de gouverneur de aanvraag ontvankelijk maar ongegrond; omdat de schade lager lag dan 250,00 EUR was er geen aanleiding tot het toekennen van een tegemoetkoming. De beslissing werd ter kennis gebracht van de advocaat van de eiseres in voorziening bij aangetekende brief met ontvangstbewijs van 19 september 2003, ontvangen op 22 september
  3. De eiseres in voorziening stelde voorziening in bij verzoekschrift neergelegd op de griffie van het hof op 17 oktober
  4. Het verzoekschrift is neergelegd binnen de termijn bepaald in artikel 22 §1 van de wet van 12 juli
  5. De voorziening is dus ontvankelijk. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.
  6. Het onderwerp van de vordering De eiseres in voorziening vraagt de beslissing te hervormen en de schadeloosstelling te bepalen op 461.707,82 EUR, plus de gerechtelijke intresten vanaf de datum van het arrest. Zij vraagt om de kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten laste te leggen van de gouverneur. De gouverneur concludeert tot de niet-ontvankelijkheid van de voorziening voor zover tegen hem gericht. De BELGISCHE STAAT concludeert tot de ongegrondheid van de voorziening. Hij vraagt te zeggen dat er geen procedurekosten zijn.
  7. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 3.
  8. De beslissing van de gouverneur De gouverneur besliste op 15 september 2003 in overeenstemming met het verslag van de deskundigen. Die adviseerden om twee maal 23,66 EUR, de huur van dompelpompen voor Vogelzanglaan 2 en Vogelzanglaan 2A, te beschouwen als vergoedbaar, en de rest te verwerpen als niet rechtstreeks door overstroming veroorzaakte schade. 3.
  9. De ontvankelijkheid van de voorziening tegen de gouverneur De gouverneur werpt op dat de voorziening voor zover tegen hem gericht niet ontvankelijk is. De eiseres in voorziening gedraagt zich naar de wijsheid. Zij vraagt anderzijds in conclusie dat de gouverneur wordt veroordeeld tot de kosten van de procedure, maar dat kan een redactiefoutje zijn. Artikel 21 van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen stelt voorziening open voor de belanghebbende en voor de minister van openbare werken of de minister van landbouw. Artikel 23 bepaalt dat de voorziening van de belanghebbende wordt betekend aan de minister, en die van de minister aan de belanghebbende. Artikel 24 en 25 noemen nog eens de belanghebbende en de minister als beide partijen in de zaak. Naar luid van artikel 23 maakt de gouverneur alleen het dossier over. Uit de tekst van de wet is derhalve voldoende duidelijk dat de gouverneur niet behoort betrokken te worden als partij in de voorziening. De voorziening is dus niet ontvankelijk voor zover tegen hem gericht. 3.
  10. De grond Artikel 1.§1 van de wet van 12 juli 1976 bepaalt dat aanleiding geeft tot financiële tegemoetkoming (onder de voorwaarden die de wet bepaalt) "de rechtstreekse, materiële en zekere schade" aan private lichamelijke goederen. De wet van 12 juli 1976 is van openbare orde , en moet strikt worden uitgelegd. Het begrip rechtstreekse schade impliceert dat er tussen het schadeveroorzakende feit en de schade zelf een oorzakelijk verband zonder tussenschakel bestaat . Anderzijds is niet bovendien vereist dat de natuurramp de enige oorzaak is van de schade . Voor het goed Vogelzanglaan 2 vroeg de eiseres in voorziening 17.916, 82 EUR voor werken aan het dak en de dakgoten en aan de schouw, beschadigd door storm, en voor schade als gevolg van waterinfiltratie via het dak, het plaatsen van een betonlaag rond het huis, het plaatsen van een waterreservoir en de huur van twee pompen, het wegnemen van een omgewaaide boom en schade aan een tuinhuis en een kippenhok door die omgewaaide boom. Uit de omschrijving van de schade in de feitelijke uiteenzetting van de eiseres in voorziening zelf blijkt voldoende dat zij aanspraak maakt op vergoeding van schade aangericht door storm. Onder het regime van de wet van 12 juli 1976 kan echter alleen de schade vergoed worden die het gevolg is van het door de Koning als schadelijk erkende feit, in casu de overstromingen die hebben plaatsgevonden van 29 december 2002 tot 4 januari
  11. Dat die overstromingen wellicht mede zijn veroorzaakt door regen en storm laat niet toe de schade die is veroorzaakt door die regen en storm maar niet door overstroming, te vergoeden met toepassing van de wet van 12 juli
  12. Dit sluit de posten met betrekking tot het dak, de schouw en de goten uit, evenals de schade uit de omgewaaide boom. De posten met betrekking tot de betonlaag rond het huis en het plaatsen van een waterreservoir voor de wateropvang zijn niet te beschouwen als schadeposten, maar vormen aanpassingswerken of verbeteringswerken aan het onroerend goed (dat geldt overigens ook, ten overvloede, voor de werken aan dak, schouw en goten). Alleen de kost van het pompen kan inderdaad beschouwd worden als een post van rechtstreekse schade. Voor het goed Vogelzanglaan 2A vroeg de eiseres in voorziening 2.192,00 EUR voor een betonlaag rond het huis, de huur van een betonmolen, het plaatsen van een waterreservoir en de huur van twee pompen. Alleen de kost van het pompen kan beschouwd worden als een rechtstreekse schade; de andere posten vormen aanpassingswerken of verbeteringswerken aan het goed. Met betrekking tot het bos en de vijvers maakt de eiseres in voorziening aanspraak op vergoedingen voor het ruimen van omgevallen bomen en het herstellen van de oeverversteviging. De BELGISCHE STAAT laat gelden dat artikel 4.2° van de wet van 12 juli 1976 van vergoeding uitsluit de schade veroorzaakt aan "de goederen of delen van goederen met weeldekarakter". De eiseres in voorziening beklemtoont dat de vijvers zijn ontstaan door overheidsoptreden; in 1942-1943 zijn uitgravingen gedaan voor de aanleg van de helling voor een weg die nadien in onbruik is geraakt. Partijen zijn het er echter over eens dat dit zonder belang is voor de toepassing van de wet van 12 juli 1976, die geen verband houdt met enige aansprakelijkheid van de overheid. De eiseres in voorziening noemt de vijvers geen siervijvers maar natuurgebied, behorend tot "het natuurpatrimonium van de gemeenschap". Dat laatste bedoelt zij wellicht niet letterlijk, aangezien artikel 1 §1 van de wet alleen voorziet in tegemoetkoming voor "private" goederen. Het blijkt in elk geval niet dat dit private natuurgebied enige economische of sociale functie heeft. Er is klaarblijkelijk alleen een esthetische functie. Anders dan de eiseres in voorziening meent, kan een vijver met louter esthetische functie bij een privaat goed niet anders bestempeld worden dan als een siervijver. Een siervijver is een goed met weeldekarakter. Deze uitsluiting is in overeenstemming met de ratio van de wet, die berust op een solidariteit van de natie, zonder echter de integrale schade te dekken . Het kan in die logica niet verantwoord worden dat de gemeenschap de schade ten laste moet nemen die door een ramp wordt veroorzaakt aan luxebestanddelen van een individueel vermogen. Geheel ten overvloede blijkt dat de werken waarvoor eiseres in voorziening studie en offertes heeft gevraagd in wezen verbeteringswerken vormen, en aldus niet een rechtstreekse en vergoedbare schade. De voorziening is dus niet gegrond. 3.
  13. De kosten Met betrekking tot de kosten voert de BELGISCHE STAAT aan dat dit geen contentieuze procedure is, zodat artikel 1017 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing zijn. De opmerking van de BELGISCHE STAAT dat dit geen contentieuze procedure is, kan niet gevolgd worden. Er is uiteraard een betwisting, en de voorziening in de zin van artikel 21 van de wet van 12 juli 1976 opent uit haar aard een gerechtelijke procedure. Artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de in dit wetboek gestelde regels van toepassing zijn op alle rechtsplegingen "behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek". De enige wetsbepaling buiten het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de kosten van huidige procedure is artikel 55 van de wet van 12 juli
  14. Dat bepaalt dat elke procedure met betrekking tot de toepassing van de wet op kosten is van de BELGISCHE STAAT. Uit artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 55 van de wet van 12 juli 1976 kan dus alleen afgeleid worden dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek moeten toegepast worden, waarbij de kosten in elk geval ten laste komen van de BELGISCHE STAAT. Dat laatste is een gelijkaardige regeling als die van artikel 1017, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek, met betrekking tot de procedures door of tegen sociaal verzekerden. De eiseres in voorziening vraagt in conclusie de rechtsplegingsvergoeding die de wettelijke rechtsplegingsvergoeding vormde met toepassing van de wetgeving die gold op het ogenblik van de neerlegging van haar conclusie. Deze zaak was hangend op het ogenblik van de inwerkingtreding van het gewijzigde artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 . De vraag van de eiseres in voorziening tot het toekennen van een wettelijke rechtsplegingsvergoeding kan in het licht van die nieuwe wetgeving begrepen worden als een vraag tot het toekennen van een rechtsplegingsvergoeding met een basisbedrag. Vervolgens is de vraag aan de orde onder welke schaal van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 het geschil moet worden gekwalificeerd. Gelet op het recht van verdediging beveelt het hof de heropening van de debatten om partijen toe te laten hierover standpunt in te nemen. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de voorziening van de eiseres in voorziening niet ontvankelijk voor zover gericht tegen de gouverneur van de provincie Vlaams Brabant, en verklaart de voorziening voor het overige ontvankelijk maar ongegrond; Het veroordeelt de BELGISCHE STAAT tot de betaling van de kosten van de voorziening, Beveelt de heropening van de debatten om partijen toe te laten standpunt in te nemen over de vereffening van de kosten, Zegt dat de eiseres in voorziening daarover conclusie kan nemen en neerleggen ten laatste op 31maart
  15. Zegt dat de BELGISCHE STAAT daarover conclusie kan nemen en neerleggen ten laatste op 30 april
  16. Stelt de zaak vast op maandag 9 juni 2008 om 14.00 (20') Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 26/02/2008 waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.