← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080312.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 12 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080312.6 Rolnummer: 1974AR3201 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-01-13 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-07-02 17:12 Fiche '

  1. Het hof had het bijzonder moeilijk om in de lange conclusies van geïntimeerde de echte middelen terug te vinden waarop diende geantwoord te worden. Deze conclusies staan immers vol overwegingen of repetieve bedenkingen over de kwaadwilligheid, kwade trouw, deloyale proceshouding enz. van apellante. Dit lange en ondoorzichtige gebabbel verdient geen onderzoek door het gerecht.' UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Bewijslast Vrije woorden: Artikel 870 Ger. W. Bewijslast. Analyse door het hof van lange conclusies vol overwegingen of repetitieve bedenkingen over kwaadwilligheid, kwade trouw, deloyale proceshouding, enz. van appellante. Dit lange en ondoorzichtig gebabbel verdient geen onderzoek door het gerecht. Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, Aanvullende kamer 1S, (wet van 9 juli 1997), Nr.: na beraad spreekt het volgend arrest uit : A.R. Nr. 1994/AR/3201 Rep.nr.: 2008/ IN ZAKE VAN : Kamer 1S De VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kabinet te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 19 (11de verdieping), gedingherneemster voor de Belgische Staat, appellante, vertegenwoordigd door meester Paul Van Rompaey, loco meester Luc Schuermans, advocaat te 2300 Turnhout, de Merodelei 112, Eindarrest TEGEN : AERTS N.V., met maatschappelijke zetel te 2500 Lier, Paaiestraat 9, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester Dirk Beyens, advocaat te 2610 Wilrijk, Jules Moretuslei 374-
  2. ************ Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het arrest van dit hof (aanvullende kamer C) op tegenspraak uitgesproken op 15 maart 2000 en de in dit arrest opgesomde procedurestukken; - de conclusie na tussenarrest, derde conclusie na tussenarrest en arrest van het Hof van Cassatie en vierde conclusie na tussenarrest ter griffie van het hof neergelegd door appellante, resp. op 22 januari 2003, 7 februari 2005 en 6 september 2006; - de aanvullende conclusie na tussenarrest, tweede aanvullende conclusie na tussenarrest, syntheseconclusie na tussenarrest en annex bij syntheseconclusie na tussenarrest van geïntimeerde, ter griffie van het hof neergelegd resp. op 30 juni 2005, 23 januari 2007, 30 oktober 2007 en 4 januari
  3. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 30 januari 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Stand van de procedure
  4. De antecedenten van de procedure en het voorwerp van de vorderingen werden omstandig uiteengezet in het arrest van dit hof van 15 maart 2000 en er wordt desbetreffend naar dit arrest verwezen. Geïntimeerde heeft, in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap, na een algemene offerteaanvraag van 22 januari 1975 die haar op 31 mei 1977 werd gegund, werken uitgevoerd voor een sportzaal in het Koninklijk Atheneum te Aarschot. De betwisting handelt over de betaling van facturen, verwijlinteresten, vrijgave van de borgsom, schadevergoeding wegens vertraging in de aanvang der werken, wegens verbreking van de overeenkomst, prijsaanpassing en vergoeding voor algemene onkosten. Bij het arrest van 15 maart 2000 heeft het hof: - het principaal beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk verklaard doch slechts in geringe mate gegrond; - het bestreden vonnis bevestigd behalve voor zover het ten gronde uitspraak heeft gedaan over de verwijlinteresten wegens laattijdige betaling en de schadevergoeding wegens productieverlies ingevolge de laattijdige aanvang der werken; - de vordering tot schadevergoeding wegens productieverlies ingevolge de laattijdige aanvang der werken onontvankelijk verklaard voor zover zij is gesteund op art. 28A, 1° A.A.V., ontvankelijk doch ongegrond voor zover zij is gesteund op art. 15E A.A.V. en ontvankelijk voor zover zij is gesteund op art. 16A A.A.V. ; - voor recht gezegd dat het bestuur op grond van art. 16A A.A.V. gehouden is tot vergoeding van de helft van de schade die geïntimeerde tussen 1 april 1980 en 31 december 1981 zou hebben geleden wegens productieverlies ingevolge de laattijdige aanvang der werken; - en vooraleer verder uitspraak te doen de heer G. BATS, wonende te Sint-Niklaas als deskundige aangesteld met als opdracht (samengevat) de verwijlinteresten te berekenen wegens laattijdige betaling en advies te verlenen nopens de vraag of geïntimeerde tussen 1 april 1980 en 31 december 1981 effectieve schade heeft geleden wegens productieverlies ingevolge de laattijdige aanvang der werken en, in bevestigend geval, het bedrag van deze schade te berekenen; - de beslissing nopens de kosten in hoger beroep aangehouden. Het wordt benadrukt dat de aangestelde deskundige zijn verslag "binnen de zes maand na zijn aanstelling" ter griffie van het hof diende neer te leggen.
  5. De NV Aerts heeft een voorziening in cassatie ingesteld. Bij arrest van 8 januari 2004 heeft het Hof van Cassatie het cassatieberoep verworpen en de NV Aerts in de kosten veroordeeld.
  6. Bij haar conclusies na tussenarrest vraagt appellante de vordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Over de ontvankelijkheid van de vordering van geïntimeerde verwijst het hof naar het arrest van 15 maart
  7. De Vlaamse Gemeenschap vordert bovendien een schadevergoeding van 5.000 euro wegens tergende en roekeloze procesvoering en veroordeling van geïntimeerde tot alle kosten.
  8. De NV Aerts vraagt voor recht te zeggen dat er hic en nunc geen redenen zijn om haar vordering af te wijzen. Zij vordert de veroordeling van appellante tot betaling uit hoofde van de verschuldigde resterende interestafbakening conform het arrest van 15 maart 2000 van 183.837,24 euro (begroot op 30 juni 2001), plus interesten en verdere kapitalisatie. Zij vordert bovendien de veroordeling van appellante tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 850.000 euro en te zeggen dat de zaak, voor het overige, niet in staat van wijzen is en ze derhalve naar de rol te verzenden. In ondergeschikte orde, in zoverre het hof zou oordelen dat de betwisting over het onderdeel van de berekening van de verschuldigde resterende interest niet in staat van wijzen is, ook voor dit aspect de zaak naar de rol verzenden. Ten slotte vraagt de NV Aerts opnieuw toepassing van art. 1154 B.W. en kapitalisatie van "alle vervallen en over meer dan één jaar verschuldigde interesten" en de kosten ten laste van appellante te leggen. II. Vooraf: verzoek tot wering uit de debatten
  9. Bij brief van 9 januari 2008 en ter zitting van 30 januari 2008 heeft de raadsman van appellante het hof verzocht de "annex bij syntheseconclusie na tussenarrest" van geïntimeerde, ter griffie van het hof neergelegd op 4 januari 2008, uit de debatten te weren.
  10. Bij beschikking van 3 oktober 2007, uitgesproken op grond van art. 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek, werden nieuwe conclusietermijnen bepaald als volgt: - syntheseconclusie van geïntimeerde ten laatste op 5 november 2007; - syntheseconclusie van appellante ten laatste op 5 december 2007; - laatste antwoordsyntheseconclusie van geïntimeerde ten laatste op 7 januari
  11. Appellante doet gelden dat nu zij geen conclusie neerlegde na ontvangst van de conclusie van geïntimeerde neergelegd op 30 oktober 2007, geïntimeerde niet gerechtigd was nog een antwoordconclusie (onder vorm van annex bij de laatste conclusie) neer te leggen. Bij het bepalen van de conclusietermijnen werd aan geïntimeerde nogmaals de mogelijkheid gegeven

(1)om een syntheseconclusie op te stellen en
(2)om de gebeurlijke syntheseconclusie van appellante te beantwoorden. De beschikking van 3 oktober 2007 liet haar niet toe om haar syntheseconclusie als het ware te splitsen en om hiervoor gebruik te maken van de tweede termijn die bestemd was om een antwoord te geven op een laatste conclusie van appellante. De proceshouding van geïntimeerde die op deze wijze misbruik maakt van de laatste conclusietermijn en bijkomende argumenten naar voor brengt die appellante dan niet meer kan beantwoorden, kan niet aanvaard worden. De annex bij syntheseconclusie na tussenarrest van geïntimeerde wordt bijgevolg uit de debatten geweerd. III. Bespreking 1°. De bewijslast
  1. Het hof had het bijzonder moeilijk om in de lange conclusies van geïntimeerde de echte middelen terug te vinden waarop diende geantwoord te worden. Deze conclusies staan immers vol van overwegingen of repetitieve bedenkingen over de kwaadwilligheid, kwade trouw, deloyale proceshouding enz. van appellante. Dit lange en ondoorzichtige gebabbel verdient geen onderzoek door het gerecht.
  2. Appellante stelt dat zij geïntimeerde meermaals aangemaand heeft om de deskundige in werking te stellen maar dat deze partij daartoe in gebreke blijft, ook nog na het arrest van het Hof van Cassatie. Zodoende laat de NV Aerts na haar schade effectief te bewijzen en haar schadeclaim objectief te staven. Gelet op deze procesvoering vraagt appellante geïntimeerde zonder meer af te wijzen van haar vordering.
  3. Geïntimeerde werpt op dat zij van in den beginne afkerig stond tegenover de aanstelling van de heer Bats als deskundige "omdat zij een vermoeden had dat deze persoon niet helemaal onafhankelijk en onpartijdig kon optreden wegens mogelijke belangenvermenging t.a.v. de Vlaamse Overheid". Zij wijst meer bepaald op de omstandigheid dat de heer Bats vennoot is geworden in het revisorenkabinet Ernst & Young waarmee appellante regelmatig samenwerkt. In zoverre geïntimeerde de wraking of de vervanging van de aangestelde deskundige wenste te bekomen, diende zij te handelen conform artikelen art. 966 e.v., resp. art. 977 van het Gerechtelijk Wetboek. De huidige kritiek over de aanstelling van de heer Bats is bijzonder laattijdig.
  4. Geïntimeerde is bovendien van oordeel dat de aanstelling van een deskundige overbodig is, althans wat de afrekening van de interesten zoals afgebakend in het arrest van 15 maart
  5. Geïntimeerde houdt verder voor dat uit het cassatiearrest valt af te leiden dat het hof met zekerheid het bestaan van de schade wegens productieverlies heeft aangenomen en dat aldus over het bestaan van de schade geen discussie meer mogelijk is. Dit blijkt uiteraard geenszins uit het arrest van 8 januari 2004 van het Hof van Cassatie. In haar onderzoek over het zesde middel van cassatie heeft het Hof van Cassatie dit zeker niet vastgesteld of verklaard. Het arrest van het Hof van Cassatie vermeldt: "Dat het arrest (van 15 maart 2000) vervolgens voor recht zegt dat het bestuur op grond van art. 16A van het M.B. van 14/10/1964 gehouden is tot de vergoeding van de schade die (NV Aerts) tussen 1 april 1980 en 31 december 1981 zou hebben geleden wegens productieverlies ingevolge de laattijdige aanvang der werken" (eigen onderlijning). In het arrest van 15 maart 2000 heeft het hof voor recht gezegd "dat het bestuur op grond van art. 16, A A.A.V. gehouden is tot vergoeding van de helft van de schade die geïntimeerde tussen 1 april 1980 en 31 december 1981 zou hebben geleden wegens productieverlies ingevolge de laattijdige aanvang der werken", wat geenszins inhoudt dat het hof vaststelde dat deze schade vaststond. Het is overigens merkwaardig en symptomatisch dat geïntimeerde op p. 35 van haar syntheseconclusie het arrest onvolledig citeert. In het arrest van 15 maart 2000 heeft het hof een deskundige aangesteld omdat enkel de bevolen onderzoeksmaatregel uitsluitsel kon brengen over de schade die in deze periode zou zijn geleden. De opdracht van de deskundige bestond er bovendien in "zijn gemotiveerd advies (te) geven nopens de vraag of geïntimeerde tussen 1 april 1980 en 31 december 1981 effectieve schade heeft geleden wegens productieverlies ingevolge de laattijdige aanvang van de werken en, zo dit advies positief is, het bedrag van deze schade te berekenen (eigen onderlijning). Deze overweging sluit de interpretatie van geïntimeerde uit. Bij gebrek aan afdoend en objectief bewijs van de schade in hoofde van geïntimeerde drong het deskundigenonderzoek zich op. Het arrest van 15 maart 2000 is op dit punt definitief.
  6. Om dezelfde redenen heeft het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 8 januari 2004, in zoverre het de voorziening van geïntimeerde verwerpt, geen bijkomende rechten in hoofde van geïntimeerden doen ontstaan wat de toepassing van artikelen 1254 en 1154 B.W. betreft. Opnieuw is de interpretatie door geïntimeerde van dit arrest onaanvaardbaar. Ten onrechte steunt geïntimeerde zich op de inhoud van haar voorziening in cassatie die precies verworpen werd.
  7. Wat de afrekening van de interesten betreft verwijst geïntimeerde naar haar eigen afrekeningen, die niets anders zouden zijn dan een objectieve mathematische uitwerking van in het arrest van 15 maart 2000 uiteengezette richtlijnen en gegevens; zij beroept zich op het uitblijven van concrete betwisting ervan door de Vlaamse Gemeenschap. De gerechtsdeskundige zou dan ook geen enkele nuttige bijdrage kunnen leveren. Het hof heeft bij het arrest van 15 maart 2000 op duidelijke en definitieve wijze beslist "partijen uit te nodigen een aan bovenstaande principes aangepaste afrekening over te leggen; dat voor het geval zij er niet zouden in slagen een algemene afrekening op te stellen, het past de hiernavolgende onderzoeksmaatregel te bevelen". Het arrest heeft op dit punt kracht van gewijsde. Het kan vandaag niet worden ingegaan op de vraag van geïntimeerde om te verklaren dat een deskundigenonderzoek overbodig is voor het geval partijen, zoals te dezen, er niet in slagen een algemene afrekening op te stellen. Wat het hof van beroep te Brussel in andere zaken heeft kunnen beslissen over de wijze van berekening is irrelevant. Geïntimeerde heeft een eigen afrekening opgesteld. Bij gebrek aan overeenstemming over de parameters van de berekening zijn de partijen er niet in geslaagd een algemene afrekening op te stellen. Geïntimeerde laat ook na aan de hand van nieuwe stukken een afdoend en objectief bewijs te leveren van de gegrondheid van haar vordering op dit punt. De stelling van geïntimeerde dat haar schade vaststaat en geen bewijs meer vereist is onaanvaardbaar. Het deskundigenonderzoek drong zich op.
  8. Indien de deskundige toch in werking moet worden gesteld, dan is geïntimeerde van oordeel dat het appellante behoort dit te doen in haar hoedanigheid van meest gerede partij en omdat deze partij zelf de aanstelling van een deskundige heeft gevorderd. Het zou appellante bovendien behoren om de deskundige te provisioneren. Zij eist bovendien in haar brieven de betaling van de verschuldigde interesten "vooraleer de andere kwestie schade en onderzoeksmaatregel aan de orde kan komen" .
  9. Het hof merkt vooreerst op dat de betwisting over het in werking stellen en het provisioneren van het deskundigenonderzoek zeer eenvoudig voor het hof kon worden gebracht. Het volstond de zaak opnieuw ter zitting te brengen bij verzoekschrift. Partijen hebben liever gekozen voor een steriel en vruchteloos debat. Nu dat geïntimeerde de betaling van schadevergoeding nastreeft en dat het hof daartoe een deskundigenonderzoek heeft bevolen, waarbij het benadrukte "dat de bewijslast bij geïntimeerde berust", dient het hof vast te stellen dat de NV Aerts er alle belang bij had om de deskundige in werking te stellen, hetgeen impliceerde dat zij de kosten van het onderzoek moest voorschieten. Het moest immers voor iedere rechtzoekende in dezelfde concrete situatie als geïntimeerde geplaatst, duidelijk zijn dat, om de procedure verder tot een goed einde te brengen, het eerst vereist was het deskundigenonderzoek te laten doorgaan, waarna zij de zaak terug voor het hof kon brengen en vergoeding van haar beweerde schade kon vorderen.
  10. Desondanks heeft geïntimeerde geen gevolg gegeven aan de ettelijke verzoeken van appellante om de deskundige in werking te stellen. Geïntimeerde verkoos om de persoon van de aangestelde deskundige in vraag te stellen zonder een verzoek tot vervanging (of wraking) van de heer Bats neer te leggen. Geïntimeerde weigert kennelijk nog steeds om de deskundige in werking te stellen onder voorwendsel dat het appellante toekomt dit te doen en de kosten van het deskundigenonderzoek te dragen. Geïntimeerde biedt thans evenmin aan het bewijs van haar schade te leveren. Het is allesbehalve ernstig thans te pleiten dat appellante met kwaad opzet vertragingmanoeuvres heeft aangewend. Het was wellicht aannemelijk dat geïntimeerde tot het arrest van het Hof van Cassatie afwachtte alvorens de deskundige in werking te stellen of zijn vervanging aan te vragen Sinds het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 8 januari 2004, dit is sinds meer dan vier jaar, is het stilleggen van de procedure echter veroorzaakt door de evidente nalatigheid van geïntimeerde.
  11. In deze omstandigheden, waar de partij die belangrijke schadevergoeding vordert, bijzonder lang aansleept om het bewijs van haar beweerde schade te leveren nadat zij hiertoe de kans kreeg middels het deskundigenonderzoek door het hof bevolen, besluit het hof dat de NV Aerts in gebreke blijft het bewijs te leveren van haar beweerde schade wegens laattijdige betaling of wegens productieverlies ingevolge de laattijdige aanvang der werken zodat zij van haar vordering dient afgewezen te worden. 2°. Incidentele vordering van de Vlaamse Gemeenschap
  12. De vordering tot schadevergoeding ingesteld door de Vlaamse Gemeenschap wegens tergende en roekeloze procesvoering is ongegrond. Appellante had immers zelf ook de mogelijkheid om het geschil m.b.t. de aangestelde deskundige of m.b.t. het in werking stellen van de deskundige aanhangig te maken voor het hof en om aldus een einde te maken aan de vertraging in de procedure. Zij liet zelf ook na dit te doen zodat zij ten onrechte aanspraak op schadevergoeding maakt. 3°. Wat de gerechtskosten (RPV) betreft:
  13. Met ingang van 1 januari 2008 zijn de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat en het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek in werking getreden en dienen vanaf dan de nieuwe tarieven inzake de verschuldigde RPV toegepast te worden op de hangende zaken. Partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingvergoeding op het basisbedrag (te dezen 15.000 euro ) te begroten. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende na tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Het arrest van 15 maart 2000 verder uitwerkend. Weert de annex bij syntheseconclusie na tussenarrest van geïntimeerde, ter griffie van het hof neergelegd op 4 januari 2008, uit de debatten. Verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde tot schade-vergoeding wegens productieverlies ingevolge de laattijdige aanvang der werken of tot betaling van verwijlinteresten wegens laattijdige betaling ongegrond. Verklaart de incidentele vordering van de Vlaamse Gemeenschap ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt geïntimeerde in de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld in haren hoofde op 15.000 euro en in hoofde van appellante op 15.168,57 euro . Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de kamer 1S van het hof van beroep te Brussel op 12 maart 2008 waar aanwezig waren : De heer E. Janssens de Bisthoven, raadsheer, d.d. voorzitter, De heer J. Celis, plaatsvervangend raadsheer, De heer Th. Taffijn, plaatsvervangend raadsheer, De heer Th. Gillioen, e.a. adjunct-griffier. Th. Gillioen Th. Taffijn J. Celis E. Janssens de Bisthoven Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.