id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 18 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080318.6 Rolnummer: 2005AR961 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-06 Raadplegingen: 181 - laatst gezien 2026-07-02 17:14 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Dieren Vrije woorden: Gevecht tussen een loslopende hond en een hond aan de leiband. Schade aan de persoon die de vechtende honden wil scheiden. Voorwaarden voor de toepassing van artikel 1385 B.W.. Aard van het vermoeden van aansprakelijkheid. Verschil tussen de verantwoordelijkheid tussen de eigenaar van de hond aan de leiband, en van de eigenaar van de loslopende hond. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2005/AR/961 INZAKE VAN : De heer X appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 7 oktober 2004, vertegenwoordigd door Meester Frederique NORMAN, advocaat te 3000 LEUVEN, Maria Theresiastraat 90 1ste kamer TEGEN : De heer Y geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Soetkin 'T JOENS loco Meester Ivo MERCELIS, advocaat te 3000 LEUVEN, Sint-Jacobsplein 20, Gelet op de procedurestukken: § het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 7 oktober 2004, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; § de akte van hoger beroep betekend op 25 maart 2005; § de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 3 mei 2005; § de aanvullende conclusie van geïntimeerde (RPV) neergelegd ter griffie op 27 december 2007; Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 5 februari 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van appellant, ingesteld bij P.V. van vrijwillige verschijning, strekte ertoe geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 11.227 euro , plus intresten uit hoofde van een ongeval dat zich zou hebben voorgedaan op 10 mei 2002. 1.2. Huidige geïntimeerde stelde een tegeneis in en vroeg de terugbetaling van een bedrag van 350 euro dat volgens hem een onverschuldigde afbetaling uitmaakte. 1.3. De eerste rechter heeft (
- a)de hoofd- en tegenvordering beiden ontvankelijk verklaard, (
- b)enkel de tegenvordering gegrond verklaard en (
- c)huidige appellant veroordeeld tot betaling van het bedrag van 350 euro plus de intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 9 september 2004. 1.4. Het hoger beroep van appellant beoogt de betaling te horen bekomen van het bedrag van 8.939,69 euro (= 8.792 euro lichamelijke schade + 149,69 euro saldo materiële schade), plus de intresten vanaf 10 mei 2002. 1.5. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. In zijn aanvullende conclusie vraagt hij toepassing van het basistarief wat de RPV betreft. In zijn schrijven van 10 januari 2008 sloot de raadsman van appellant zich bij dit standpunt aan. II. De Feiten. 2.1. Volgens appellant wandelde hij op 10 mei 2002 omstreeks 15u met zijn hond aan de leiband voorbij de woning van geïntimeerde. Op dat ogenblik slaagde de hond van geïntimeerde erin om de woning te verlaten en viel hij de hond van appellant aan. Appellant probeerde beide honden te scheiden en raakte hierbij gekwetst aan de rechter middenvinger (schoot uit de kom). Geïntimeerde zou in eerste instantie afzijdig zijn gebleven en zich beperkt hebben zijn hond terug te roepen die hierop echter niet reageerde. Uiteindelijk goot geïntimeerde, op verzoek van een derde, een emmer water over de honden waarop beide honden elkaar loslieten. Nog steeds volgens appellant zou geïntimeerde voorgesteld hebben om de zaak minnelijk te regelen en bood hij aan alle kosten te betalen die appellant zou te lijden hebben ingevolge het ongeval. In het kader van een herstelbemiddeling op politieniveau verklaarde geïntimeerde zich bereid de schade, alsdan voorlopig geraamd op 497,69 euro , te betalen d.m.v. maandelijkse afbetalingen van 50 euro en werd er in totaal 350 euro betaald. 2.2. Geïntimeerde betwist deze versie in die zin dat volgens hem de door appellant opgelopen lichamelijke schade niet het gevolg is van een hondenbeet maar wel van een luxatie PIP rechts en besluit hieruit dat appellant hem bedrogen heeft door hem wijs te maken dat zijn hond hem gebeten zou hebben. Om die reden vraagt hij de terugbetaling van wat onverschuldigd reeds door hem afbetaald werd, zijnde 350 euro . . III. Beoordeling. 3.1. Van deze feiten werd een geseponeerd strafdossier opgesteld. Beide partijen hebben hierin hun versie van het gebeuren gegeven. Geïntimeerde bevestigde in zijn verklaring dat zijn hond op een onbewaakt moment uit zijn woning was gelopen omdat hij de voordeur niet kon sluiten. Hij was op dat ogenblik immers de inkomhal aan het betegelen. In zijn verklaring van 28 december 2002 zal geïntimeerde letterlijk het volgende verklaren: "In dit onbewaakte moment glipte mijn hond naar buiten en viel de hond aan van een voorbij wandelend echtpaar. Ik hoorde het tumult en ben buiten gerend om te pogen beide dieren te scheiden, doch dit lukte in eerste instantie niet. Vervolgens ging ik binnen een emmer water halen en kapte deze over de honden, waardoor mijn hond de andere loste. Ik heb mijn dier vervolgens in mijn woning ondergebracht. " (onderstreping toegevoegd door het hof). 3.2. Geïntimeerde houdt thans voor dat de schade niet ontstaan is door een onafhankelijke gedraging van het dier maar wel doordat appellant zelf en vrijwillig te veel kracht heeft gebruikt om de twee honden te scheiden waarbij hij zijn vinger in een ongelukkige houding heeft gehouden waardoor een kootje uit de kom geraakte. De eerste rechter volgde deze stelling en oordeelde dat het vermoeden van aansprakelijkheid dat op geïntimeerde rustte bij toepassing van artikel 1385 B.W. weerlegd werd door de eigen fout van het slachtoffer. Nog steeds volgens de eerste rechter beging huidige appellant een fout door zich te mengen met het doen en laten van de beide honden die blijkbaar niet eens aan het vechten waren maar elkaar seksueel aan het benaderen waren. 3.3. De eerste rechter beschrijft het gebeuren op een wijze die niet overeenstemt met de eigen versie van geïntimeerde zoals geformuleerd in het repressief dossier. Geïntimeerde verklaarde toen dat zijn hond wel degelijk de andere hond had aangevallen en na een emmer water de andere hond losliet (zie punt 3.1. van huidig arrest). 3.4. Artikel 1385 B.W. bepaalt dat voor de schade veroorzaakt door een dier, de eigenaar van het dier of, terwijl hij het in gebruik heeft, diegene die er zich van bedient, aansprakelijk is hetzij het onder zijn bewaring stond ofwel verdwaald of ontsnapt was. Om artikel 1385 B.W. toe te passen en zodoende de bewaarder van het dier aansprakelijk te stellen, is een autonome gedraging van het dier vereist. Er moet tevens een causaal verband worden aangetoond tussen de daad van het dier en de ontstane schade. Geïntimeerde heeft zelf toegegeven dat zijn dier op een onbewaakt moment de woning heeft kunnen verlaten, een andere hond aanviel en zijn greep slechts loste na het uitgieten van een emmer water op beide dieren. De schade is ontstaan op het ogenblik dat appellant de beide dieren wilde scheiden wat overigens mislukte. Het feit dat appellant niet gebeten werd door de hond van geïntimeerde, is in deze niet pertinent. Het is immers niet noodzakelijk dat daadwerkelijk materieel contact ontstaat tussen dier en slachtoffer. Het volstaat dat het dier een actieve rol heeft gespeeld bij het verwezenlijken van de schade (Cass., 19 januari 1996, A.C., 1996, 78). De schade is in deze zaak ontstaan ingevolge een autonome gedraging van de hond van geïntimeerde en het oorzakelijk verband staat vast tussen de daad van het dier en de ontstane schade. De voorwaarden voor de toepassing van artikel 1385 B.W. zijn bijgevolg verwezenlijkt. 3.5. Artikel 1385 B.W. schept een wettelijk onweerlegbaar vermoeden. Dit houdt in dat wanneer aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 1385 B.W. is voldaan de bewaarder van het dier zich enkel kan bevrijden door het bewijs van een vreemde oorzaak, overmacht, fout van het slachtoffer, daad van een derde aan te voeren. Geïntimeerde is de mening toegedaan dat appellant een fout beging doordat hij zelf en vrijwillig te veel kracht heeft gebruikt om de twee honden te scheiden waarbij hij zijn vinger in een ongelukkige houding heeft gehouden waardoor een kootje uit de kom geraakte. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de beide betrokken dieren grote honden zijn, zijnde een labrador voor wat de hond van appellant betreft en een Mechelse herdershond voor wat de hond van geïntimeerde betreft. Voor het uit elkaar halen van zulke dieren moet kracht worden uitgeoefend zeker wanneer de ene hond de andere in zijn beet heeft. De enige oorzaak van de schade is overigens dat de woning van geïntimeerde, op het ogenblik van het gebeuren, niet slotvast was zodat zijn hond is kunnen ontsnappen. Indien geïntimeerde zijn hond niet had laten loslopen, had het schadegeval zich immers niet voorgedaan. Aan appellant kan geen enkele fout worden verweten. Van hem kan immers niet verwacht worden dat hij lijdzaam bleef toezien wanneer zijn hond, die aan de leiband liep, aangevallen werd door een loslopend dier. Het bestreden vonnis wordt op dit punt hervormd. 3.6. Gezien de aansprakelijkheid van appellant aangehouden wordt op grond van artikel 1385 B.W. wordt niet verder ingegaan op de tweede ingeroepen rechtsgrond, met name inbreuk op de artikelen 1382 - 1383 B.W. 3.7. Appellant raamt zijn schade als volgt: - Morele schade TWO aan 25 euro aan 100%: 3.792 euro - blijvende invaliditeit: 4% waarvan 2% BWO (moreel + materieel): 5.000 euro Totaal: 8.792 euro Hij steunt zich hierbij op een verslag van Dr. B. Cornelis, verzekerings - raadsgeneesheer, zijnde een eenzijdig opgesteld verslag. Dat een luxatie van een vinger een blijvende werkonbekwaamheid tot gevolg zou hebben gehad van 2% komt het hof eerder vreemd over. Er wordt bovendien een tijdelijke arbeidsongeschiktheid aangehouden vanaf 10 mei 2002 t.e.m. 9 mei 2003, wat niet minder dan 1 jaar is. Gezien het hof niet over de vereiste vaardigheden beschikt om met kennis van zaken de schade-eis van appellant te beoordelen, behoort het dan ook een deskundige aan te stellen met de opdracht zoals hierna bepaald. Aan appellant wordt in huidige stand van de zaak een provisie toegekend van 250 euro . OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en principieel gegrond. Veroordeelt geïntimeerde om aan appellant een provisie te betalen van TWEEHONDERD VIJFTIG EURO (250 euro ) plus de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van huidig arrest. Vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde, stelt een geneesheer - deskundige aan Dr. Simone JOCKMANS, Heideroosje 6 te 1861 MEISE-OPPEM, tel. 02/287.06.63 met als opdracht, na kennisname van alle nuttige en nodige stukken: - de heer R B te onderzoeken; - de letsels te beschrijven die het slachtoffer opliep n.a.v. de feiten die zich voordeden op 10 mei 2002; - zijn advies te verlenen over de periodes en de graad van de tijdelijke arbeidsongeschiktheden; - na te gaan of het slachtoffer door de opgelopen letsels een blijvende arbeidsongeschiktheid opliep of een blijvende invaliditeit en in bevestigend geval de graad hiervan te bepalen; - de datum van de consolidatie vast te stellen. Zegt dat de installatievergadering zal doorgaan op dinsdag 27 mei 2008 te 11.40 uur in de raadkamer van de 1e kamer (zaal 1.32) van het hof van beroep te Brussel, in het Justitiepaleis, Poelaertplein. Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 18/03/2008 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div