id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 18 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080318.7 Rolnummer: 2005AR165 Rechtsgebied: Overige - Handelsrecht - Insolventierecht Invoerdatum: 2009-01-15 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-02 17:13 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Verkoop onroerend goed - Verkoop uit de hand HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSZAAK - Overdracht HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Goederen Vrije woorden: Artikel 1193ter Ger. W. versus artikel 49 Faill. Wet. Uitlegging van de draagwijdte van deze respectieve voorschriften. Restrictieve uitellging van artikel 49 Faill. W. inzake de verkoping van goederen die snel bederven. Sanctie bij niet naleving van artikel 1193ter Ger. W. Artikel 47 Faill.wet inzake de voorwaarden voor de verdezetting van de handel. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 1193ter Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2005/AR/165 INZAKE VAN : De heer J. C., advocaat, waarvan het kantoor gevestigd is te 3290 DIEST, F. Allenstraat 4, appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van Koophandel te Leuven op 2 november 2004, vertegenwoordigd door Meester Walter BOSMANS, advocaat te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 39-41, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer F. S., 2) De heer P eerste en tweede geïntimeerde, de eerste in persoon verschijnende, beide vertegenwoordigd door Meester Claude VERHEYLEWEGHEN, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30, 3) De B.V.B.A. I. LINE, vertegenwoordigd door haar curator over het faillissement, de heer Luc JORDENS, advocaat te 3010 LEUVEN, Diestsesteenweg 325, derde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Alexandra MONDET loco Meester Isabelle BAELE, advocaat te 1780 WEMMEL, Limburg Stirumlaan 248, Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Leuven op 2 november 2004, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 19 januari 2005; · de conclusie van eerste en tweede geïntimeerde neergelegd ter griffie op 20 mei 2005; · de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 21 september 2005; · de syntheseconclusie en vervangende conclusie van derde geïntimeerde neergelegd ter griffie op 25 oktober 2005. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 28 januari 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1.De oorspronkelijke eis van huidige geïntimeerden strekte ertoe huidige appellant te horen veroordelen tot betaling (
- a)aan geïntimeerden sub 1 en 2 van een provisie van 25.000 euro en (
- b)aan geïntimeerde sub 3 van een bedrag van 92.214 euro , beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 7 januari 1999. In conclusie werden deze vorderingen gewijzigd en vroegen geïntimeerden sub 1 en 2 de betaling van 11.750.000 BEF of 291.274,89 euro en geïntimeerde sub 3 de betaling van 53.668,95 euro , minstens van 43.016,69 euro . 1.2. De eerste rechter heeft (
- a)de vorderingen van geïntimeerden sub 1 en 2 ontvankelijk doch ongegrond verklaard, (
- b)de vordering van geïntimeerde sub 3 ontvankelijk en gegrond verklaard en (
- c)dienvolgens huidige appellant veroordeeld tot betaling van het bedrag van 53.049,21 euro , plus de vergoedende intresten vanaf 7 januari 1999 en de gerechtelijke intresten. M.b.t. het door derde geïntimeerde gevorderde bedrag stelde de eerste rechter dat de koper (thans curator Jordens) in zijn laatste aanvullende conclusie in hoofdorde betaling vorderde van 53.668,95 euro doch dat hiermee de terugbetaling van het betaalde voorschot wordt vermoed, waarvan het saldo na aftrek van het reeds terugbetaalde (2.625.000 - 485.000), 2.140.000 BEF bedraagt of 53.049,21 euro (zie tussenvonnis dd. 5 december 2003). 1.3. Het hoger beroep van appellant beoogt (
- a)de vorderingen van geïntimeerden sub 1 en 2 niet toelaatbaar te horen verklaren, (
- b)minstens, samen met de vordering van geïntimeerde sub 3 deze ongegrond te horen verklaren en (
- c)voor zoveel als nodig, hem te horen toelaten met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, het bewijs te leveren van twee wel bepaalde feiten. 1.4. Bij incidenteel beroep vorderen geïntimeerden sub 1 en 2 appellant te veroordelen tot betaling van een bedrag van 67.250 euro . 1.5. Geïntimeerde sub 3 vraagt (
- a)de bevestiging van het bestreden vonnis en (
- b)bij wijze van tegeneis appellant te veroordelen tot betaling van een bedrag van 5.000 euro ten titel van kosten en ereloon die hij dient te dragen voor zijn verdediging II. De Feiten. 2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.2. Samengevat komt het hierop neer dat op 6 januari 1998 de N.V. B. Tuinbouw failliet werd verklaard en mr. C., huidige appellant, als curator werd aangesteld. De curator verkocht op 30 januari 1998 (zie P.V. van verkoop) aan de B.V.B.A. I. Line bij toepassing van artikel 49 van de faillissementswet de totaliteit van de onroerende goederen - waaronder een aantal serres - van het faillissement B., met uitsluiting van een huis op en met grond, voor de prijs van 26.250.000 BEF of 650.720,50 euro . Op die prijs werd een voorschot betaald van 2.625.000 BEF of 65.072,05 euro . Deze verkoop werd aangegaan onder de opschortende voorwaarden dat binnen de 6 maanden (
- a)op verzoek van de verkoper een oriënterend bodemonderzoek zou plaatsvinden en (
- b)door de OVAM bodemattesten zouden afgeleverd worden. Desbetreffend werd ook overeengekomen dat de verkoper er zich toe verbond de inhoud van de bodemattesten uiterlijk binnen de 4 maanden vanaf de ondertekening van het P.V. mee te delen aan de koper d.m.v. een aangetekend schrijven. Gezien de vereiste bodemattesten niet konden worden voorgelegd binnen de overeengekomen termijn werd deze tot tweemaal toe verlengd , zijnde een eerste maal tot 15 december 1998 en een tweede maal tot 7 januari 1999. Op 7 januari 1999 liet de koper weten dat zij afzag van een verdere verlenging van de koopoptie gezien door het ontbreken van de bodemattesten en de notariële akte zij geen financiering kon krijgen en vroeg zij haar voorschot terug t.b.v. 2.625.000 BEF. De curator ging over tot dagvaarding in kort geding en vroeg om de aanstelling van een deskundige teneinde na te gaan of er inmiddels schade was toegebracht aan de installaties van het verkochte bedrijf. De heer Rutten werd bij beschikking van 19 januari 1999 als deskundige aangesteld en hij legde zijn verslag neer op 30 november 2000. In de loop van 1999 betaalde de curator een deel van het voorschot terug, zijnde 485.000 BEF of 12.022,84 euro . De oorspronkelijke koper, de B.V.B.A. I. Line, werd op haar beurt op 9 augustus 1999 failliet verklaard en mr. L. Jordens, huidige geïntimeerde sub 3, werd als curator aangesteld. Bij schrijven van 11 april 2000 stelde mr. Jordens appellant in gebreke om de totaliteit van het betaalde voorschot terug te betalen. Het faillissement B. werd op 9 april 2000 afgesloten. III. Beoordeling. 3.1. Wat de toelaatbaarheid betreft van de vordering ingesteld door geïntimeerden sub 1 en 2: 3.1.1. Geïntimeerden sub 1 en 2 zijn aandeelhouders van de inmiddels failliet verklaarde B.V.B.A. I. Line, zijnde de oorspronkelijke koper. Zij vragen thans een bedrag van 67.250 euro omdat zij door de fout van curator C. de serres niet hebben kunnen aankopen waardoor zij zich verplicht zagen het faillissement aan te vragen van hun vennootschap. Het gevorderde bedrag is als volgt samengesteld: (
- a)overname aandelen B.V.B.A. I. Line t.b.v. 50.000 BEF, (
- b)begeleiding bij deze aankoop door een boekhouder t.b.v. 30.000 BEF en (
- c)terugbetaling van het voorschot van 2.625.000 BEF, zogezegd betaald met eigen gelden van geïntimeerde sub 1. 3.1.2. Appellant werpt op dat geïntimeerde sub 1 en 2 niet beschikken over het vereiste belang en de nodige hoedanigheid zoals vereist in artikel 17 en 18 Ger.W. om een vordering in te stellen gezien dit recht enkel zou voorbehouden zijn aan de curator van de failliete B.V.B.A. I. Line. De eerste rechter heeft deze stelling reeds op een oordeelkundige wijze weerlegd en het hof kan zich bijgevolg enkel aansluiten bij de in het bestreden vonnis aangehaalde motieven. Ten overvloede wordt herhaald dat de betwiste koop inderdaad werd afgesloten tussen de B.V.B.A. I. en de curator van de failliete vennootschap B. wat niet wegneemt dat de aandeelhouders van I. een belang blijven hebben om een vordering in schadevergoeding in te stellen indien zij menen schade te hebben geleden door de fout van een derde waarmee gecontracteerd werd en waardoor de vennootschap, waarin zij aandeelhouders waren, failliet is gegaan. 3.1.3. De eerste rechter heeft dan ook terecht beslist dat de vordering van geïntimeerden sub 1 en 2 voldoet aan de vereisten van artikel 17 en 18 Ger.W. en bijgevolg ontvankelijk is. 3.2. Wat de gegrondheid betreft van de vordering ingesteld door geïntimeerden sub 1 en 2: 3.2.1.In hun beroepsconclusie stellen geïntimeerden sub 1 en 2 dat door het niet kunnen aankopen van de serres door de fout van de heer C. zij het faillissement dienden aan te vragen van hun vennootschap en verder dat Cera bereid was een bedrag van 35 miljoen Belgische frank toe te staan als lening aan I. Line op voorwaarde dat I. eigenaar zou worden van het bedrijf en het handelsfonds. De vergoeding die hiervoor gevraagd wordt, bestaat uit: (
- a)overname aandelen B.V.B.A. I. Line t.b.v. 50.000 BEF, (
- b)begeleiding bij deze aankoop door een boekhouder t.b.v. 30.000 BEF en (
- c)terugbetaling van het voorschot van 2.625.000 BEF, zogezegd betaald met eigen gelden van geïntimeerde sub 1. De posten vermeld onder (
- a)en (
- b)zijn kosten of betalingen gedaan namens de vennootschap I. en de post (
- c)is het voorschot dat betaald werd ingevolge de koopovereenkomst aangegaan op 30 januari 1998 tussen de B.V.B.A. I. Line en de curator van de failliete N.V. B.. Nergens blijkt uit dat dit voorschot betaald werd met eigen gelden van geïntimeerde sub 1 al dan niet in de vorm van een lening aan I.. Deze laatste post wordt overigens ook teruggevorderd vanwege de curator van de inmiddels ook failliet verklaarde B.V.B.A. I. Line. Geïntimeerden bewijzen dus niet enige eigen schade te hebben geleden ingevolge het faillissement van hun vennootschap. Ten overvloede wordt hieraan toegevoegd dat ook niet bewezen is dat het al dan niet bekomen van een lening vanwege Cera in het kader van de koop afgesloten op 30 januari 1998 enige relevantie heeft t.a.v. het latere faillissement van de vennootschap I.. 3.2.2. Het is dan ook terecht dat de eerste rechter de vordering van geïntimeerden sub 1 en 2 ongegrond heeft verklaard. Dit deel van het bestreden vonnis wordt dan ook bevestigd. 3.3. Wat de vordering betreft van geïntimeerde sub 3, curator van de failliet verklaarde B.V.B.A. I. Line (terugbetaling van het niet terug betaalde deel van het voorschot = 53.049,21 euro ): 3.3.1. Geïntimeerde sub 3 verwijt appellant bij het afsluiten van de koop op 30 januari 1998 artikel 1193ter Ger.W. miskend te hebben door voor de verkoop geen machtiging te hebben aangevraagd bij de rechtbank van koophandel om uit de hand te mogen verkopen. Appellant betwist dit en meent dat hij bij toepassing van artikel 49 van de faillissementswet onmiddellijk tot de verkoop van de activa kon overgaan, mits machtiging van de rechter - commissaris, wat in deze gebeurde. 3.3.2. Artikel 49 van de faillissementswet bepaalt dat inderdaad tot een onmiddellijke verkoop van bepaalde activa kan worden overgegaan, met name activa die onderhevig zijn aan spoedig bederf of snelle waardevermindering. De verkoop had als voorwerp allerlei onroerende goederen zoals een chalet, een waterreservoir, weilanden, serres, landbouwgrond, woningen, atelier enz. en het is totaal onduidelijk om welke reden deze activa onderhevig zouden zijn geweest aan spoedig bederf of snelle waardevermindering. De aangehaalde reden dat " er zo spoedig mogelijk 80.000 tomatenplanten moesten geplant worden " is geen reden waarom al de hier voren geciteerde onroerende goederen onmiddellijk moesten verkocht worden. 3.3.3. Artikel 1193ter Ger.W. is ingevoerd teneinde na te gaan of een onderhandse verkoop in het belang is van de chirografaire schuldeisers en in het licht hiervan dient artikel 49 faillissementswet strikt geïnterpreteerd te worden zoniet zou de draagwijdte van artikel 1193ter Ger.W. volledig uitgehold worden. 3.3.4. Bovendien was appellant er zich terdege van bewust dat in huidige verkoop wel toepassing diende gemaakt te worden te worden van artikel 1193ter Ger.W. gezien hij in het P.V. van 30 januari 1998 in punt 8 expliciet vermeld staat: " Huidige verkoop geschiedt tevens onder de opschortende voorwaarde van homologatie door de rechtbank van koophandel te Leuven, bij toepassing van artikel 1193ter Ger.W. ". De curator kan echter geen verkoopsovereenkomst sluiten - zelfs niet onder opschortende voorwaarde - vooraleer hij door de rechtbank gemachtigd is om uit de hand te verkopen. De curator kan zich hoogstens verbinden om binnen een bepaalde termijn nadat hij een bod in ontvangst heeft genomen, het nodige te doen om machtiging te vragen aan de rechtbank om de massa te verbinden doch hij moet de bieder heel duidelijk maken dat hij hieromtrent persoonlijk geen beslissingsbevoegdheid heeft en dat zelfs na de machtiging door de rechtbank het bod al dan niet kan aanvaard worden (Vander Meulen en Vercruysse, Practische gids voor faillissementscuratoren, Kluwer, p. 144). Of de rechter-commissaris al dan niet zijn akkoord betuigde met de verkoop is niet relevant gezien het de rechtbank van koophandel is die souverein oordeelt of een bepaalde onderhandse verkoop al dan niet in het belang is van de boedel. 3.3.5. Het is dan ook terecht dat de eerste rechter de verkoop van 30 januari 1998 nietig verklaarde (nietigheid ex tunc = partijen worden in hun rechtspositie hersteld zoals ze bestond vóór de verkoop) wegens miskenning van artikel 1193ter Ger.W. door appellant, in zijn hoedanigheid van curator van de failliete vennootschap B., en hem veroordeeld heeft tot terugbetaling van het saldo van het door de koper betaalde voorschot, hetzij 53.049,21 euro (= 65.072,05 euro - 12.022,84 euro , reeds terugbetaald). 3.3.6. Alle overige door partijen ter zake aangevoerde middelen zijn niet dienend in het licht van wat hier voren reeds werd beslist en behoeven bijgevolg geen nader onderzoek. Voor zoveel als nodig wordt desbetreffend ook nog verwezen naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter die, voor zover niet tegenstrijdig met huidige motieven, als volledig hernomen worden beschouwd. 3.3.7. Appellant beweert dat hij allerlei kosten diende te maken opdat de handelsactiviteiten zouden kunnen verder gezet worden en/of voor de onmiddellijke uitvoering van de verkoop en dat deze kosten minstens dienen gecompenseerd te worden met het nog niet terugbetaalde deel van het voorschot. Dat voor de uitvoering van de verkoop geen machtiging werd aangevraagd werd hier voren reeds uiteengezet als gevolg waarvan de verkoop nietig is en alle rechtshandelingen die op deze verkoop geënt zijn. Voor wat de voorlopige, gehele of gedeeltelijke voortzetting van de handelsverrichtingen van de gefailleerde betreft is conform artikel 47 van de faillissementswet eveneens een voorafgaande machtiging vereist van de rechtbank van koophandel, die in deze evenmin aanwezig is. De kosten die desgevallend gemaakt werden om een onregelmatige voortzetting van de handelsactiviteiten van de gefailleerde te bewerkstelligen, vallen niet ten laste van het faillissement en kunnen bijgevolg ook niet in rekening gebracht worden. Wat appellant bedoelt met het adagium dat iedereen geacht wordt de wet te kennen, is nogal onduidelijk. Voornoemd artikel 47 stelt duidelijk dat een verzoek om de handelsactiviteit van de gefailleerde verder te zetten, moet ingediend worden bij de rechtbank van koophandel en dit op verzoek van de curators of van iedere belanghebbende en op verslag van de rechter-commissaris. Gezien de bijzondere hoedanigheid waarmee een curator gelast is, kan niet redelijk voorgehouden worden dat het de koper is die foutief handelt wanneer hij de activiteiten van de gefailleerde verder zet zonder zelf een machtiging te vragen aan de rechtbank. Indien overigens appellant meende recht te hebben op terugbetaling van door hem gemaakte kosten, behoorde het hem een schuldvordering in te dienen in het faillissement I., wat niet gebeurde, en het hof dient bovendien ook nog vast te stellen dat het faillissement B. inmiddels afgesloten is (sedert 2000). 3.3.8. Nog steeds m.b.t. deze kosten laat appellant uitschijnen dat tussen partijen een regeling werd getroffen in die zin dat de curator van I. deze kosten zou voorschieten gezien de failliete vennootschap deze niet zelf kon betalen. De voorstellen die werden gedaan in het kader van het deskundigenonderzoek waren gericht op het bereiken van een minnelijke schikking of het deblokkeren van de situatie. In deze werd tussen partijen op geen enkel punt een minnelijke regeling bereikt gezien appellant aan de deskundige liet weten dat in de gegeven omstandigheden hij meende dat de procedure ten gronde diende afgewacht te worden alvorens enige betaling kon gebeuren gezien het standpunt ingenomen door de curatele van IDL (verslag deskundige p. 47). In deze context verwijst appellante tevens naar een schrijven van 26 oktober 1999 waarin verwezen wordt naar een telefoongesprek en een akkoord van 19 juli 1999. Dit schrijven wordt niet medegedeeld en hoe dan ook blijkt nergens uit dat tussen partijen welke regeling ook getroffen werd. Hierbij wordt nogmaals verwezen naar het schrijven dd. 22 september 2000 (verslag deskundige p. 47) waarin appellant zelf stelt dat de procedure ten gronde dient afgewacht te worden wat aangeeft dat tussen partijen geen duidelijke regeling getroffen werd. De beschouwingen van de deskundige desbetreffend zijn niet relevant gezien deze zich niet kan uitspreken over punten met enige juridische relevantie. 3.3.9. Ook op dit punt wordt het bestreden vonnis bevestigd en wordt voor zoveel als nodig verwezen naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter die, voor zover niet tegenstrijdig met huidige motieven, als volledig hernomen worden beschouwd. Alle overige terzake ingeroepen middelen zijn niet dienend in het licht van wat voorafgaat. 3.4. Wat de tegenvordering betreft van geïntimeerde sub 3 (betaling van een schadevergoeding t.b.v. 5.000 euro ): 3.4.1. Geïntimeerde sub 3 vraagt een schadevergoeding van 5.000 euro ten titel van staat van kosten en erelonen die hij dient te dragen voor zijn verdediging. 3.4.2. Overeenkomstig het nieuwe artikel 1022 in fine Ger.W. kan een partij boven het bedrag van de RPV niet meer worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van de tegenpartij. 3.4.3. Ingevolge het van kracht worden van de wet van 21 april 2007 is deze vordering ongegrond geworden. 3.5. Wat de gerechtskosten (RPV) betreft: 3.5.1.Ter zitting van 28 januari 2008 vroegen alle betrokken partijen het basistarief wat de RPV betreft. 3.5.2. Aan geïntimeerde sub 3 komt gelet op het door hem gevorderde (53.049,21 euro in hoofdsom), een RPV toe van 2.500 euro . OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen. Verklaart de tegeneis ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt appellant tot 3/4den en geïntimeerden sub 1 en 2 samen tot ¼de van de kosten in hoger beroep, in hun geheel begroot - in hoofde van derde geïntimeerde op euro 2.500 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 18/03/2008 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div