← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080318.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 18 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080318.8 Rolnummer: 2005AR2497 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2009-01-21 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 17:13 Fiche I. Het middel geput uit het bestaan van een arbitragebeding leidt niet tot de onbevoegdheid van de rechter, maar tot de niet-ontvankelijkheid bij gebrek aan rechtsmacht. De in artikel 1679.

  1. Ger. W. gebruikte term 'onbevoegdheid' is ongelukkig. II. De hoedanigheid in de zin van artikel 19 Ger. W. (17 Ger. W.) is een vereiste in hoofde van de eisende partij en niet in hoofde van de verwerende partij. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) - Bevoegdheid GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - ARBITRAGE GERECHTELIJK RECHT - ARBITRAGE - Andere (arbitrage) BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Schriftelijk bewijs - Onderhandse akte - Algemeen BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Aanneming - Algemeen BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Lastgeving - Verplichtingen lasthebber HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSPRAKTIJKEN - Andere (handelspraktijken) HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FACTUUR - BESTELBON - Bewijs Vrije woorden: I. Art. 8 en 1679 Ger. W. Bevoegdheid. Impact van een arbitragebeding. II. Artikel 17 Ger.W. Hoedanigheid: vereiste in hoofde van de eiser, niet van de verweerder. III. Onderhands bewijs. Factuur. Factureringsplicht. Artikelen 37 en 38 van de wet op de handelspraktijken. IV. Lastgeving. Hoffdelijkheid. V. Aanneming. Verplichting tot facturen. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2005/AR/2497 lastgeving - hoofdelijkheid - aanneming - verplichting tot factureren INZAKE VAN : De B.V.B.A. A & B INTERNATIONAL, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2018 ANTWERPEN, Montignystraat 69, rkbo 0464.009.002, vertegenwoordigd door haar curator, de heer Borg MOESTERMANS, advocaat te 2600 ANTWERPEN, Generaal Van Merlenstraat 3, aangesteld bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen d.d. 4 mei 2004, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 12 mei 2005, vertegenwoordigd door Meester Borg MOESTERMANS, advocaat te 2600 ANTWERPEN, Generaal Van Merlenstraat 3, 1ste kamer TEGEN : 1) Mevrouw Mia K., ...in haar hoedanigheid van algemeen legataris van wijlen de heer Roland L., overleden op 25 juli 2006, eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Iris VAN BAEL loco Meester Erik MONARD, advocaat te 3500 HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131, 2) De heer Bertrand L., 3) De heer Rudy L., 4) Mevrouw Lydia L., 5) De heer Edwin L., tweede tot en met vijfde geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Ria PIEDFORT, advocaat te 2275 GIERLE, Denefstraat 102,
  2. De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis dat na tegenspraak is gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 12 mei
  3. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. MOESTERMANS heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 19 september
  4. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
  5. Het onderwerp van de vordering 2.
  6. Voor de eerste rechter vorderde MOESTERMANS de veroordeling van Roland, Bertrand, Rudy, Edwin en Lydia L., hoofdelijk, tot de betaling van 102.283,11 EUR plus de verwijlinteresten aan de conventionele rentevoet van 12 % per jaar op de hoofdsom van 84.498,42 EUR, minstens de gerechtelijke interesten vanaf de datum van dagvaarding, en de kosten van het geding. Bertrand, Rudy, Edwin en Lydia L. concludeerden tot de ongegrondheid van de vordering. Bij tegenvordering vroegen zij de overeenkomst van 31 mei 1999 nietig te verklaren, te ontbinden of te verbreken, en MOESTERMANS te veroordelen tot betaling aan hen van 82.461,29 EUR, plus de verwijlinteresten vanaf 14 september 1999, de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding. Bij tussenvordering vroegen zij Roland L. te veroordelen tot vrijwaring. Roland L. concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering, ondergeschikt de ongegrondheid. Bij tegenvordering vroeg hij MOESTERMANS te veroordelen tot betaling aan hem van 15.657,45 EUR, plus de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding. Bij tussenvordering vroeg hij om Bertrand, Rudy, Edwin en Lydia L. te horen veroordelen om hem te vrijwaren. 2.
  7. De eerste rechter verklaarde de vordering en tegenvorderingen ontvankelijk maar ongegrond en verklaarde de vorderingen tot vrijwaring zonder voorwerp. 2.
  8. In hoger beroep herneemt MOESTERMANS zijn oorspronkelijke vordering. Ondergeschikt vraagt hij Roland L. te veroordelen tot betaling van 20.456,62 EUR plus de verwijlinteresten aan de conventionele rentevoet van 12 % per jaar op 16.899,68 EUR, minstens de gerechtelijke interesten vanaf de datum van dagvaarding. Hij vraagt geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van het geding. Roland L. is overleden, en Mia K. hervat het geding. Zij concludeert in hoofdorde tot de onbevoegdheid van het hof. Ondergeschikt vraagt zij het hoger beroep niet ontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. Zij vraagt MOESTERMANS te veroordelen tot de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. De consorten L. concluderen tot de niet-gegrondheid van het hoger beroep. Bij ondergeschikt incidenteel hoger beroep hernemen zij hun vordering tot vrijwaring tegen K.. Zij vragen MOESTERMANS te veroordelen tot de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding
  9. De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig uiteengezet als volgt: "
  10. De heren Roland, Bertrand, Rudy en Edwin L. en mevrouw Lydia L., eerste tot vijfde verweerders, (hierna "consorten L." genaamd) zijn de erfgenamen van de nalatenschap van hun overleden ouders, de heer Petrus L. en mevrouw Yvonne Janssens. In deze nalatenschap bevindt zich een huis met achtergelegen gronden, gelegen te Aarschot, Liersesteenweg 45, eerste afdeling, met een totale oppervlakte van 1 hectare en 60 are, kadastraal gekend sectie A, nummers 243 d, 244 g en v en 246 e. De BVBA A&B International (hierna "A&B "genaamd) contacteerde de consorten L. in de loop van het jaar 1999 voor een samenwerking met het oog op de verkaveling van de betrokken gronden. A&B won reeds de eerste elementaire informatie in bij de bevoegde diensten. Op 6 mei 1999 gaven de consorten L. een volmacht aan A&B om in hun naam onderhandelingen te voeren, en werd opdracht gegeven om bepaalde handelingen uit te voeren. Op 31 mei 1999 sloten partijen een overeenkomst, "overeenkomst verkaveling Liersesteenweg 45, 3200 Aarschot" genaamd, waarbij de consorten L. A&B een opdracht gaven tot het uitvoeren van alle handelingen tot het verkavelen van de betrokken terreinen (artikel 1 - opdracht). Deze opdracht omvatte de volgende handelingen, omschreven in artikel 2:
  11. opmeting van de terreinen;
  12. uitvoeren van het bodemonderzoek en het aanvragen van bodemattesten;
  13. opstellen van een marktstudie en een haalbaarheidsstudie;
  14. opstellen van een bewoningstudie;
  15. opstellen van een BPA voor de terreinen;
  16. opstellen van een verkavelingdossier voor woningbouw en/of villabouw met variante voor appartementsbouw;
  17. opstellen van de plannen en lastenboeken voor de aanleg van wegenis- en infrastructuurwerken;
  18. het organiseren van een openbare of beperkte aanbesteding voor de uitvoering der werken. Tevens werd opnieuw volmacht gegeven aan A&B om namens hen op te treden en onderhandelingen te voeren. Onderhandelingen met financiële instellingen werden uitdrukkelijk uitgesloten (artikel 3 overeenkomst). In artikel 8 werd bepaald dat voor de studiekosten voor de werkzaamheden onder 1 tot en met 6 een forfaitair bedrag van 3.158.100 frank of 78.287,25 euro verschuldigd zou zijn (artikel 8 - studiekosten). Dit bedrag diende te worden betaald door middel van vier schijven van 789.525 frank of 19.571,81 euro, betaalbaar op 15 juni, 15 juli, 15 augustus en 15 september 1999 (artikel 15 - Betalingsvoorwaarden). De kosten voor de posten 7 en 8 maakten het voorwerp uit van een globale raming in de artikelen 9 en 10 van de overeenkomst. Deze kosten zouden later afzonderlijk worden verrekend.
  19. Het wordt niet betwist dat het overeengekomen bedrag van 3.158.100 frank of 78.287,25 euro voor de onderdelen 1 tot en met 6 van de opdracht van A&B in de loop van het jaar 1999 werd betaald door de consorten L.. Op 8 juli 2000 betaalden de consorten L. een bijkomend bedrag van 1.000.000 frank of 24.789,35 euro. A&B stelde eind 2000 vier bijkomende "pro forma" facturen op, die werden verzonden aan de heer Roland L., en door hem "voor ontvangst" werden ondertekend. Het betreft de volgende facturen: Factuur pro forma van 6 september 2000: 3.453.490 frank, inclusief BTW Factuur pro forma van 15 oktober 2000: 844.919 frank, inclusief BTW Factuur pro forma van 7 december 2000: 73.475 frank, inclusief BTW Factuur pro forma van 8 december 2000: 36.784 frank, inclusief BTW min betaald "voorschot": 1.000.000 frank Totaal: 3.408.658 frank = 84.498,43 euro Deze facturen hadden betrekking op de doorrekening van gemaakte kosten (factuur 6 september) en het ereloon voor de aanleg van wegenis en infrastructuur in de verkaveling (facturen 15 oktober, 7 en 8 december). Tweede tot vijfde verweerders voeren aan slechts kennis te hebben gekregen van de facturen van september en oktober 2000 door de aan hen gerichte ingebrekestelling van 5 december
  20. De vier facturen werden schriftelijk geprotesteerd op 19 december
  21. Tweede tot vijfde verweerders voeren onder meer aan geen bijkomende vergoedingen verschuldigd te zijn voor de opdrachten 1 tot en met 6 van het contract van 31 mei 1999, gelet op het forfaitair karakter van de overeenkomst, en stellen nooit opdracht te hebben gegeven tot het uitvoeren van studies voor wegenis- en infrastructuurwerken. Zij menen dan ook geen betaling verschuldigd te zijn. Eerste verweerder, de heer Roland L., schreef op 3 juli 2001 aan de andere mede-eigenaars dat de facturatie door A&B zijn goedkeuring wegdroeg, gezien deze op werkelijke gronden werd gebaseerd.
  22. A&B stelde een verkavelingdossier samen. Een eerste versie van dit dossier werd door A&B ingediend op 31 augustus 1999, maar vijf dagen later ingetrokken. Op 6 september 2000, na uitgebreide onderhandelingen, werd een definitief verkavelingdossier ingediend bij de stad Aarschot. In de late zomer en de herfst van het jaar 2000 stelde A&B plannen en lastenboeken op voor wegenis- en infrastructuurwerken en verzocht zij verschillende aannemers om prijsaanbiedingen. Op 7 december 2000 weigerde het college van burgemeester en schepenen van de stad Aarschot een verkavelingvergunning of te leveren. Het beroep tegen deze weigeringsbeslissing werd door de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant afgewezen op 12 juni
  23. Bij brief van 13 december 2000 deelde A&B de NV Molse Bouwonderneming mee dat de uitvoering van deze werken aan haar zou worden gegund. " A&B heeft gedagvaard op 28 juni
  24. Zij is failliet verklaard en MOESTERMANS is aangesteld als curator bij vonnis van rechtbank van koophandel te Antwerpen van 4 mei
  25. Hieronder wordt appellant meestal aangeduid als A&B.
  26. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
  27. De eerste rechter De eerste rechter besliste op grond van volgende overwegingen. De exceptie van arbitrage is ongegrond, omdat het arbitragebeding in de overeenkomst dubbelzinnig is en de factuurvoorwaarden van A&B niet tegenwerpbaar. Dat Roland L. afstand heeft gedaan van zijn rechten in de onverdeeldheid is zonder invloed op zijn contractuele gehoudenheid. Verweerders bewijzen niet dat zij hebben gedwaald bij het aangaan van de overeenkomst. Zij bewijzen ook geen wanprestatie van A&B. Verweerders hebben de facturen tijdig geprotesteerd. Zij zijn geen bijkomende betaling verschuldigd voor de opmaak van het verkavelingsdossier, en zij zijn geen betaling verschuldigd voor prestaties met betrekking tot wegenis- en infrastructuurwerken, waarvoor zij aan A&B geen opdracht hadden gegeven. 4.
  28. De ontvankelijkheid van het hoger beroep Naar luid van het petitum van haar conclusie vraagt K. het hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren. Zij voert echter geen enkel middel aan dat daartoe strekt, en het hof ziet geen middel van niet-ontvankelijkheid dat ambtshalve aan te voeren is. 4.
  29. De onbevoegdheid van het hof Naar luid van het petitum van haar conclusie vraagt K. het hof om zich onbevoegd te verklaren. Zij voert echter geen enkel middel aan dat daartoe strekt, en het hof ziet geen middel dat leidt tot de onbevoegdheid van het hof om kennis te nemen van dit hoger beroep. 4.
  30. Het arbitragebeding K. herneemt het middel van onbevoegdheid van de eerste rechter, geput uit een arbitragebeding. Dit middel leidt niet tot de onbevoegdheid van de rechter, maar tot de niet-ontvankelijkheid bij gebrek aan rechtsmacht; de in artikel 1679.1 van het Gerechtelijk Wetboek gebruikte term is ongelukkig. De eerste rechter heeft het middel van K. terecht verworpen, op grond van een uitgebreide en juiste motivering. K. voert geen enkel argument aan als antwoord op die motivering, behalve dat uit een arrest zou blijken dat indien partijen arbitrage hebben afgesproken de rechter zich onbevoegd moet verklaren. Dat voegt niets toe aan artikel 1679 van het Gerechtelijk Wetboek. In deze zaak was precies de vraag aan de orde of partijen daarover een afspraak hebben gesloten. Een dergelijke afspraak blijkt niet uit de voorgelegde stukken, waarvan de eerste rechter een grondige analyse heeft gemaakt. Het hof verwijst op dit punt naar de oordeelkundige en juiste motivering van de eerste rechter en houdt die voor hier herhaald. 4.
  31. De hoedanigheid van K. K. herneemt het middel van gebrek aan hoedanigheid, gesteund op de afstand door Roland L. van zijn rechten in het onroerend goed bij akte van 31 maart
  32. Zij meent dat daaruit volgt dat de oorspronkelijke vordering niet ontvankelijk is, minstens ongegrond. Dit middel kan niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Aan de orde is immers niet of Roland L. hoedanigheid had; het staat immers vast dat hij in de procedure in rechte optrad voor zichzelf en niet voor iemand anders. Overigens is de hoedanigheid in de zin van artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek een vereiste in hoofde van de eisende partij en niet in hoofde van de verwerende partij. Roland L. was hier verweerder. Of Roland L. na de afstand van recht nog kan aangesproken worden door A&B heeft alleen betrekking op de grond van de zaak. Wat dat laatste betreft heeft de eerste rechter terecht geoordeeld dat de afstand van het aandeel van Roland L. in het onroerend goed zonder invloed is op zijn verbintenissen uit de overeenkomst met A&B. K. antwoordt overigens niet op die motivering. Uit de conclusie van K. is niet duidelijk of zij dit middel ook opwerpt tegen de vrijwaringsvordering van de consorten L.. Zij voert in elk geval niet aan, laat staan dat zij bewijst, dat de akte van afstand van 31 maart 2003 een beding bevat waardoor de consorten L. afstand doen van vorderingen tegen Roland L. of hem ontlasten van zijn aandeel in vorderingen van derden. 4.
  33. De grond De geïntimeerden hernemen niet hun middelen met betrekking tot de nietigheid van de overeenkomst en de wanprestatie van appellant, en hernemen ook niet hun oorspronkelijke tegenvorderingen. Alleen de vordering van A&B staat dus nog ter beoordeling, en de vordering tot vrijwaring van de consorten L. tegen K.. De vordering van A&B heeft zoals vermeld betrekking op de facturen voor bijkomende kosten voor het verkavelingsdossier (factuur 6 september) en het ereloon voor de aanleg van wegenis en infrastructuur in de verkaveling (facturen 15 oktober, 7 en 8 december). De bedragen van de vier facturen werden door A&B overgenomen in een factuur van 1 juli
  34. 4.6.
  35. Hoofdelijkheid en vertegenwoordiging A&B voert aan dat de overeenkomst moet gekwalificeerd worden als lastgeving, zodat tussen de lastgevers hoofdelijkheid bestaat ingevolge artikel 2002 van het Burgerlijk Wetboek. Zij leidt daaruit af dat de facturen die door Roland L. werden ontvangen en door hem aanvaard, het bewijs inhouden van verbintenissen van de consorten L.. Indien de overeenkomst hoofdelijk is aangegaan door de oorspronkelijke verweerders, dan kan in casu echter niet zonder meer aangenomen worden dat de verschillende oorspronkelijke verweerders elkaar vertegenwoordigden, omdat een afzonderlijke overeenkomst in die zin uitdrukkelijk is beëindigd. A&B beroept zich op een overeenkomst van 25 april 1999 volgens welke zij de briefwisseling alleen zou richten aan Roland L., die als contactpersoon zou fungeren. Aan die overeenkomst is echter een einde gekomen in april 2000, zoals blijkt uit de brief van A&B zelf van 20 april 2000 aan Lydia L., waarin zij stelt dat zij de briefwisseling voortaan aan Roland L. en aan Lydia L. zou richten (stuk 35 consorten L.). In een brief van 14 juli 2000 bevestigde A&B dat zij alle briefwisseling zou sturen aan alle mede-eigenaars. A&B heeft dus aanvaard dat Roland L. niet meer kon optreden voor de andere partijen L.. Ten overvloede: op 27 juni 2000 (stuk 46 consorten L.) schreef A&B dat er tot dan steeds was aangenomen dat alle beslissingen unaniem moesten genomen worden. Zij verlangde dus voortaan de instemming van elke eigenaar afzonderlijk, wat opnieuw een afzien impliceert van vertegenwoordiging van de ene eigenaar door de andere. De facturen waarvan A&B betaling vraagt, dateren van september, oktober en december 2000, dus nadat A&B afstand had gedaan van de vertegenwoordiging door Roland L.. Uit de reactie van Roland L. met betrekking tot facturen die alleen aan hem werden gericht kan dus niets afgeleid worden met betrekking tot verbintenissen van de consorten L.. De consorten L. hebben de facturen van A&B geprotesteerd bij brief van hun raadsman van 19 december 2000 (stuk 63 consorten L.). Gelet op het bovenstaande is de argumentatie van A&B met betrekking tot de kwalificatie van de overeenkomst van 31 mei 1999 als lastgeving dan wel aanneming zonder belang. 4.6.
  36. De aanvaarding van de facturen door Roland L. Ook ten aanzien van K. alleen beroept A&B zich op de erkenning van Roland L. van de facturen bij brief van 3 juli 2001 (stuk 16 A&B). In die brief schrijft Roland L. dat de facturatie zijn goedkeuring draagt "gezien deze op werkelijke gronden zijn gebaseerd". K. laat gelden dat de aanmaning van Roland L. aan de deelgenoten alleen betrekking had op de eerdere facturen, waarvan hij dacht dat ze niet waren betaald, en niet op de facturen waarvan A&B nu de betaling vraagt. Die bewering gaat in tegen de stukken: aan dezelfde brief voegde Roland L. kopie van de brief van appellant van 21 juni 2001, en die laatste brief vermeldt ondubbelzinnig de vier facturen waarop A&B haar huidige vordering steunt. De goedkeuring door Roland L. slaat dus zeker op die facturen. Belangrijker is evenwel dat de brief van Roland L. van 3 juli 2001 niet kan begrepen worden als een goedkeuring van facturen of een erkenning van schuld ten aanzien van A&B, omdat de brief alleen gericht is aan de mede-eigenaars L.. De brief bevat in substantie klachten van Roland L. over de samenwerking met, en waarschuwingen aan het adres van de mede-eigenaars, en de erkenning van de facturen is klaarblijkelijk bedoeld als een dreigement aan hun adres. A&B bewijst niet dat Roland L. aan haar heeft erkend haar schuldenaar te zijn voor de vier facturen. 4.6.
  37. De factureerplicht Geheel ten overvloede: de facturen van 6 september, 15 oktober, 7 en 8 december 2000 waren blijkens vermelding op de stukken zelf "pro forma facturen", waarbij werd vermeld dat na betaling de "definitieve factuur" zou opgesteld worden. De bedragen van de pro forma facturen werden nadien gegroepeerd in een (echte) factuur van 1 juli
  38. A&B noemt dit een "overkoepelende factuur", maar het is dus gewoon de factuur. De wetgever legt aan de BTW-belastingplichtige een factureringsplicht op (art. 53, 2° W.B.T.W.). A&B bewijst niet dat zij hiervan in casu vrijgesteld of ontheven zou zijn. Behoudens een aantal uitzonderingen, die hier niet aan de orde zijn, kan de klant bovendien van zijn leverancier, die handelaar is, in ieder geval de afgifte eisen van een factuur. De wet erkent immers de factuur als bewijs tegen de handelaar en uit artikel 1348 van het burgerlijk wetboek kan het recht worden afgeleid om zich het schriftelijk bewijs te verschaffen van de verbintenissen opgenomen door de medecontractant. Ten slotte bepaalt artikel 37 Handelspraktijkenwet dat elke verkoper van diensten aan de consument die erom verzoekt een bewijsstuk moet afgeven (behalve indien een bestek de prijs bevat, maar in casu ging het net om bijkomende kosten). Artikel 38 Handelspraktijkenwet bepaalt dat in dat geval de consument de geleverde diensten slechts moet betalen bij de afgifte van het gevraagde bewijsstuk. Uit dit alles volgt dat de door A&B gevraagde betalingen niet opeisbaar waren voordat de factuur van 1 juli 2001 werd opgesteld. 4.6.
  39. De bijkomende kosten voor het verkavelingsdossier De factuur van 6 september 2000 heeft betrekking op bijkomende kosten voor het verkavelingsdossier, voor een saldo van 2.453.490 BEF. De pro forma factuur vermeldt "doorrekening van gemaakte kosten" (bijlage bij stuk 13 A&B). A&B noemt dit in haar conclusie niet een doorrekening van kosten bij de uitvoering van de opdracht, maar "bepaalde prestaties (...) die als dusdanig niet opgenomen waren in de overeenkomst van 31 mei 1999 doch die er het logisch gevolg van waren" (p. 4 conclusie), of "bijkomende prestaties" (p. 13 conclusie). Zij levert echter niet het bewijs van het bestaan van een bijkomende opdracht. Het moet dus alleen onderzocht worden of A&B aanspraak kon maken op betaling van bijkomende kosten voor het verkavelingsdossier. Geïntimeerden laten terecht gelden dat de overeenkomst van 31 mei 1999 een forfaitaire prijs bepaalde voor de onderdelen 1 tot en met 6 van de opdracht, en niet voorzag in een doorrekening van gemaakte kosten. A&B voert aan dat uit briefwisseling blijkt dat geïntimeerden zich niettemin hebben verbonden tot het betalen van bijkomende kosten. Zij verwijst naar briefwisseling waaruit blijkt dat geïntimeerden wisten dat A&B aanspraak maakte op betaling. De kennis van de aanspraak van de schuldeiser maakt de aangesprokene echter niet tot schuldenaar. Verder verwijst A&B naar haar eigen brief van 4 juli 2000 aan Roland L.. Daarin doet zij verslag van een vergadering met de consorten L., die zich volgens haar hadden verbonden tot het betalen van 1.000.000 BEF op 8 juli 2000, en het "overeengekomen resterend bedrag" op het ogenblik dat de overheid een attest zou afleveren dat er geen probleem was voor een ontsluiting naar de Liersesteenweg. De eerste rechter merkt terecht op dat deze brief alleen aan Roland L. gericht is, terwijl die op dat ogenblik niet meer fungeerde als vertegenwoordiger (gelet op wat hierboven is overwogen onder punt 4.6.1.). Evenzeer terecht overweegt de eerste rechter dat A&B de beweerde overeenkomst zelf niet naleeft, en 854.124 BEF vordert waarvan zij volgens haar brief van 4 juli 2000 afstand deed. Geïntimeerden hebben inderdaad 1.000.000 BEF betaald (en A&B vermeldt die als voorschot in haar pro forma factuur), maar daaruit blijkt niet het bestaan van een verbintenis om meer te betalen dan was bepaald in de overeenkomst. Geheel ten overvloede: volgens A&B zouden geïntimeerden het saldo betalen op het ogenblik dat de overheid een attest zou afleveren dat er geen probleem was voor een ontsluiting naar de Liersesteenweg. Zij beweert dat de toezegging door de overheid werd bekomen, maar de eerste rechter overweegt, zonder daarin door A&B te worden tegengesproken, dat A&B nalaat het bewuste attest voor te brengen, en dat het ontbreken van waarborgen over de ontsluiting naar de Liersesteenweg een van de redenen was voor het weigeren van de verkavelingsvergunning. A&B bewijst dus niet dat aan de voorwaarden van de beweerde overeenkomst is voldaan. A&B was dus niet gerechtigd op de sommen die zij aanrekende in haar pro forma factuur van 6 september
  40. 4.6.
  41. Het ereloon op de aanleg van wegenis en infrastructuur De pro forma facturen van 15 oktober, 7 en 8 december 2000 hebben betrekking op erelonen voor de aanleg van wegenis en infrastructuur in de verkaveling. Geïntimeerde werpen op dat zij geen opdracht hebben gegeven aan A&B voor het uitvoeren van die werken. A&B laat in substantie gelden dat de overeenkomst van 31 mei 1999 bepaalde dat zij niet zou wachten op de vergunning om de voorafgaande studies uit te voeren. Het klopt dat de overeenkomst van 31 mei 1999 aan A&B ook de opdracht gaf voor de punten:
  42. opstellen van de plannen en lastenboeken voor de aanleg van wegenis- en infrastructuurwerken;
  43. het organiseren van een openbare of beperkte aanbesteding voor de uitvoering der werken. De uitvoering van deze onderdelen hing evenwel logischerwijze in beginsel af van het verkrijgen van de verkavelingsvergunning; het kan niet aangenomen worden dat de opdrachtgever instemt met en wenst te betalen voor de uitvoering van de werken waarvoor geen vergunning kan worden verkregen. Anderzijds bepaalde artikel 13 van de overeenkomst dat A&B zou vooruitlopen op het bekomen van de vergunning: "Af datum van ondertekening van huidige overeenkomst tot datum van het bekomen van de definitieve verkavelingsvergunning, dient een periode in acht genomen te worden van circa 12 maanden of 31 mei
  44. Gedurende deze periode van 12 maanden zullen alle voorafgaande studies uitgevoerd worden, zodat onmiddellijk nadat de eerste indicatie omtrent de goedkeuring van de verkaveling bekend is, met de aanbesteding van de uit te voeren werken aangevangen worden". De facto heeft A&B het artikel 13 niet nageleefd. De eerste zin van artikel 13 is taalkundig kreupel, maar moet begrepen worden als de omschrijving van de normale termijn binnen de welke A&B de vergunning zou verkrijgen. Het wordt niet betwist dat er nooit een vergunning is verkregen. In de tweede zin van artikel 13 ontbreekt een hulpwerkwoord bij "aangevangen worden", mogelijk is dat "kan" of "zal". A&B citeert dit verkeerdelijk als "met de aanbesteding van de uit te voeren werken aangevangen wordt" (het hof onderlijnt). Zelfs indien wordt aangenomen dat het verkrijgen van de vergunning automatisch een opdracht meebracht voor A&B voor het uitvoeren van de werken, dan maakt dat in deze niets uit. Zoals vermeld in de uiteenzetting der feiten heeft A&B immers de wegenis en infrastructuurwerken aanbesteed zonder een goedkeuring van de verkavelingsvergunning, meer zelfs, binnen de week na de weigering ervan. Zij had daarvoor geen opdracht van geïntimeerden. A&B stelt ten onrechte dat zij met de werkzaamheden is begonnen op het ogenblik dat er een concrete indicatie van goedkeuring was. Als indicatie van goedkeuring beschouwt zij het feit dat de gemeente Aarschot het advies van de gemachtigde ambtenaar overnam, maar dat was een ruim gemotiveerd ongunstig advies. Het bovenstaande vindt bevestiging in de kwalificatie door A&B zelf van wat zij vraagt in de pro forma facturen van 15 oktober, 7 en 8 december
  45. Zoals vermeld noemt zij dit in conclusie "bepaalde prestaties (...) die als dusdanig niet opgenomen waren in de overeenkomst van 31 mei 1999 doch die er het logisch gevolg van waren" (p. 4 conclusie). In haar briefwisseling met het Beroepsinstituut voor Vastgoedmakelaars noemt ze dit zelfs "activiteiten welke niet voorzien waren in de basisovereenkomst" (stuk 96 consorten L.). In die logica kan A&B niet een opdracht putten uit de basisovereenkomst. Ten slotte wijst de eerste rechter met recht op de brief van A&B van 1 juli 2000 van A&B aan de VLAAMSE GEMEENSCHAP. A&B stelde daar onder meer dat zij door besluiteloosheid van de mede-eigenaars geen plannen of voorontwerpen voor de toekomstige wegenis kon opstellen, en dat zij zonder geschreven opdracht van geïntimeerden geen studiewerk kon aanvatten (stuk 47 consorten L.). A&B bewijst niet het bestaan van een dergelijke opdracht. In haar brief van 14 juli 2000 aan "familie L." verklaart ze integendeel dat zij op 12 juli 2000 een overeenkomst heeft voorgesteld voor het ontwerpen van wegen en infrastructuur, en dat daarover geen overeenstemming is bereikt (stuk 50 consorten L.). A&B legt een brief voor van 2 augustus 2000 waarin zij de verderzetting van studies aankondigt (stuk 8 van A&B), maar die brief, die alleen is gericht aan Roland L., bewijst niet het bestaan van een overeenkomst. Hetzelfde geldt voor de brief van A&B aan opnieuw alleen Roland L. van 15 oktober 2000 (bijlage bij stuk 67 van consorten L.), waarin zij meldt dat ze aannemers heeft gecontacteerd. A&B bewijst dus niet dat zij recht heeft op de sommen die zij aanrekende in haar pro forma facturen van 15 oktober, 7 en 8 december
  46. 4.6.
  47. De vordering tot vrijwaring Gelet op het bovenstaande is de vordering tot vrijwaring van de consorten L. zonder voorwerp. 4.
  48. De kosten Geïntimeerden vragen in conclusie onder de kosten de wettelijke rechtsplegingsvergoeding, met toepassing van de wetgeving die gold op het ogenblik van de neerlegging van de conclusies. Deze zaak was hangend op het ogenblik van de inwerkingtreding van het gewijzigde artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 . Het bedrag van de vordering van A&B ligt tussen 100.000,01 en 250.000,00 EUR. Dat leidt met toepassing van artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot de rechtsplegingsvergoeding met een basisbedrag van 5.000,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;. Verklaart het hoger beroep van A&B en het incidenteel hoger beroep van de consorten L. ontvankelijk maar ongegrond. Veroordeelt A&B tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van haarzelf op euro 5.186 ( 186 rolrecht + 5.000 rechtsplegingsvergoeding), - in hoofde van K. op euro 5.000 rechtsplegingsvergoeding, en - in hoofde van tweede tot en met vijfde geïntimeerden samen op euro 5.000 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 18/03/2008 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.