← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080402.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 02 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080402.6 Rolnummer: 2005AR1207 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Familierecht Invoerdatum: 2009-01-19 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 17:16 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling - Uit onverdeeldheidtreding BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Modaliteiten - Voorwaardelijke verbintenis - Ontbindende voorwaarde BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Geldigheidsvereisten overeenkomst - Oorzaak BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis BURGERLIJK RECHT - SAMENWONEN - Feitelijk samenwonen Vrije woorden: Feitelijk samenwonen. Aankoop met aanwasclausule door de concubanten. Einde van het feitelijk samenwonen. Eén concubant vordert de gerechtelijke uitonverdeeldheidtreding en verkoop. Is art. 815 B.W. toepasselijk bij dergelijke aanwasclausule. Quid de leer van het verval wegens verdwijning van de oorzaak (verdwijning van het samenleven). Quid het bestaan van een impliciete ontbindende voorwaarde? Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, Aanvullende kamer 1S, (wet van 9 juli 1997), Nr.: na beraad spreekt het volgend arrest uit : A.R. Nr. 2005/AR/2078 Rep.nr.: 2008/ IN ZAKE VAN : Kamer 1S M. A., appellante, geïntimeerde op incidenteel beroep, die niet verschijnt noch vertegenwoordigd wordt, Eindarrest TEGEN : K. Mi. geïntimeerde, appellant op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door meester Victor Wieme, advocaat te 1080 Brussel, Mettewielaan 79 bus

  1. ************ Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (7de kamer) op tegenspraak uitgesproken op 18 april 2005, aan appellante bij exploot van 29 juni 2005 betekend; - het verzoekschrift tot hoger beroep, op 29 juli 2005 ter griffie van het hof neergelegd; - de conclusie van geïntimeerde. Gehoord de advocaat van geïntimeerde partij ter openbare terechtzitting van 20 februari 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegde. Op deze zitting is appellante niet verschenen en werd zij niet vertegenwoordigd. Geïntimeerde heeft met toepassing van art. 747 § 2, 7de lid in fine, van het Gerechtelijk Wetboek een op tegenspraak gewezen beslissing gevorderd. I. Procedure in eerste aanleg
  2. Bij exploot van 4 december 2000 heeft de heer K. een vordering ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel tegen mevrouw M. teneinde te horen zeggen voor recht dat er zal worden overgegaan tot de openbare verkoop van het onroerend goed van partijen gelegen te L., Boskantstraat 43, en om daartoe twee notarissen te doen aanstellen. De heer K. vorderde bovendien de veroordeling van mevrouw M. in alle gerechtskosten.
  3. Na een verstekvonnis van 1 juni 2004 waarbij de rechtbank de debatten heropende m.b.t. de kantmelding van de dagvaarding conform art. 3, 1ste lid Hyp.W. heeft de rechtbank, bij eindvonnis van 18 april 2005, ditmaal na tegenspraak uitgesproken, en na betekening door de heer K. van een nieuwe dagvaarding, de vorderingen ontvankelijk verklaard en gegrond in de volgende mate. De rechtbank zegde dat het beding van aanwas zoals opgenomen in de akte van 4 mei 1992 verleden door notaris X. Y. vervallen is. Zij beval voor het overige de vereffening en verdeling van de onverdeeldheid tussen partijen, stelde vast dat het onroerend goed niet vatbaar is voor een normale verdeling of toebedeling in natura en beval dat er, overeenkomstig art. 1211 van het Gerechtelijk Wetboek zal overgegaan worden tot de openbare verkoop ervan. De rechtbank stelde ten slotte twee notarissen aan en legde de kosten ten laste van de massa. II. Procedure voor het hof
  4. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 29 juli 2005 stelde mevrouw M. hoger beroep tegen het vonnis van 18 april 2005 in. Zij vroeg het bestreden vonnis teniet te doen, voor recht te zeggen dat het beding van aanwas niet vervallen is en dat bijgevolg de akte verleden op 4 mei 1992 door notaris Christaan Y. te Buggenhout nog immer toepasselijk is. Zij vorderde ten slotte de veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het hoger beroep. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.
  5. Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep, met veroordeling van appellante in de kosten van beide aanleggen. Wat de gerechtskosten in eerste aanleg betreft heeft geïntimeerde aldus impliciet incidenteel beroep ingesteld. III. Relevante feitelijke gegevens
  6. Bij (niet door partijen overgelegde) notariële akte van 18 oktober 1991, verleden door notaris Alfred Vreven te Sint-Truiden, hebben partijen een onroerend goed aangekocht, ieder voor de helft. Het betreft een woonhuis met aanhorigheden, landgebouw en weiland, gelegen te L. (ex S.) aan de Boskantstraat 43, voor een gezamenlijke oppervlakte van 1 hectare 7 aren 24 centiaren.
  7. Partijen hebben het woonhuis samen bewoond "ter voortzetting van hun feitelijk samenwonen dat reeds eerder een aanvang had genomen" . Een zoon Z. is uit hun relatie op 28 september 1992 geboren.
  8. Op 4 mei 1992 hebben partijen een akte bij notaris X. Y. ondertekend. Zij verklaren dat uit hun feitelijk samenwonen "voor hen wederkerige verplichtingen (zijn) ontstaan, die oorspronkelijk slechts natuurlijke verbintenissen waren, maar die partijen hierbij uitdrukkelijk erkennen en tot burgerrechtelijke verbintenissen omzetten. Deze verplichtingen houden o.m. verband met de noodzaak voor partijen om de langstlevende onder hen te beveiligen tegen de economische gevolgen van het vóóroverlijden van één van hen, en met de verplichting de langstlevende van hen de voortzetting van de gezamenlijk gekozen huisvesting te waarborgen.Als gevolg hiervan hebben partijen beslist, (...) het gezamenlijk onroerend goed als een bijzondere onverdeeldheid tussen hen te beschouwen, waaraan een beding van aanwas wordt gekoppeld, zodat bij het overlijden van één van hen, het aandeel van de eerststervende zal aangroeien ten voordele van de langstlevende". In de akte wordt het volgende beding van aanwas overeengekomen: Partijen komen uitdrukkelijk overeen, ten titel van wederkerige bepaling en kanscontract, dat bij het overlijden van de eerststervende onder hen, zijn aandeel in voorschreven onroerend goed zal aangroeien bij dat van de langstlevende van hen, zonder dat deze laatste iets verschuldigd zou zijn aan de erfgenamen van de eerststervende. Aldus staat ieder van de eigenaars zijn aandeel af aan de andere onder opschortende voorwaarde van zijn vooroverlijden. Als tegenprestatie voor deze afstand verkrijgt degene die afstaat een gelijke kans om het aandeel van de andere te verwerven, indien hij het langst leeft. Onder de modaliteiten van het beding werd o.m. overeengekomen: - dat partijen hun aandeel in het goed op geen enkele wijze zullen kunnen afstaan noch met een zakelijk recht bezwaren; - dat partijen hun deel in de inboedel niet zullen vervreemden of verplaatsen zonder uitdrukkelijke instemming van de andere; - "dat bij een feitelijke scheiding tussen hen beiden, degene die het voorschreven eigendom blijft bewonen, dit eigendom mag blijven bewonen gedurende een termijn van maximum 5 jaar. Dit recht voor de persoon die blijft wonen, vervalt bij het samenwonen met een andere derde persoon. De persoon die blijft wonen dient aan de andere persoon een bezettingsvergoeding te betalen, gelijk aan de helft van een normale huur, en geïndexeerd zoals bij huur". 8.Partijen zijn in de loop van het jaar 1998 uit elkaar gegaan, waarbij mevrouw M. in eerste instantie het goed bleef betrekken. De heer K. werd vanaf 18 maart 1999 ingeschreven in de bevolkingsregisters van de gemeente Sint-Jans-Molenbeek.
  9. Appellante, die op het adres te L. vanaf 16 februari 2000 ingeschreven werd en dan vanaf 27 juni 2001 (terug) te Heers, is sinds 27 december 2002 ingeschreven te Elsene. Zij trouwde op 27 januari 2000 te Sarajevo met de heer P. en is sinds 26 september 2001 als alleenstaande aangegeven (zie inlichtingen gehecht aan de exploten van dagvaarding).
  10. De heer K. heeft op 20 juli 2002 door pvv. gerechtsdeurwaarder Peter Coene laten vaststellen dat het onroerend goed volledig verwaarloosd is. IV. Bespreking
  11. Appellante is van oordeel dat een beding van aanwas niet eenzijdig kan beëindigd worden, zelfs indien de concubanten gescheiden leven en dat, bij gebreke - zoals in huidig geval - aan andersluidende bepaling daaromtrent in de akte, het beding slechts in onderlinge toestemming een einde kan nemen. De leer van de verdwijning van de oorzaak is volgens haar niet van toepassing op rechtshandelingen ten bezwarende titel zodat de eerste rechter ten onrechte het beding van aanwas vervallen heeft verklaard.
  12. Geïntimeerde haalt het definitief verdwijnen van de oorzaak van de akte van 4 mei 1992 aan. Het voortbestaan van het beding van aanwas, zoals door appellante nagestreefd, zou in geval van vooroverlijden van de geïntimeerde, tot de onaanvaardbare of immorele consequentie leiden dat zij zou genieten van de aanwas hoewel zij derwijze gehandeld heeft dat zij definitief een einde stelde aan de relatie die de oorzaak was van het verlijden van de akte.
  13. De overeenkomst van 4 mei 1992 werd door partijen afgesloten wegens hun feitelijk samenwonen en gegeven de omstandigheid dat appellante toen zwanger was. Het beding van aanwas werd toen overeengekomen, kennelijk na consultatie van notaris Y., om een materieel voordeel te bieden aan de overlevende partner. De overeenkomst had een geldig voorwerp en een duidelijke oorzaak. De geldigheid van het beding van aanwas wordt door partijen niet in vraag gesteld. Zulke bedingen worden in het Belgisch rechtssysteem algemeen aanvaard als kanscontracten onder bezwarende titel die niet strijdig zijn met art. 1130 B.W.
  14. Partijen hebben duidelijk de wil uitgedrukt om hun onroerend goed "als een bijzonder onverdeeldheid tussen hen te beschouwen, waaraan een beding van aanwas (werd) gekoppeld". Dit wordt nog verduidelijkt doordat zij zich het recht ontzegden om hun aandeel in het goed te vervreemden of te bezwaren met een zakelijk recht zonder uitdrukkelijke instemming van de andere partij. Het beding van aanwas sluit de vordering gegrond op art. 815 B.W. uit nu partijen een overeengekomen onverdeeldheid in het leven hebben geroepen. Het toepassingsgebied van art. 815 B.W., luidens hetwelk niemand kan worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven en de verdeling altijd kan worden gevorderd, is beperkt tot de ongewilde en onvoorziene mede-eigendomssituaties .
  15. De akte van 4 mei 1992 houdt geen contractuele tijdsbeperking in. Dit blijkt te dezen geen vergetelheid van de partijen of van de notaris. Uit de overeengekomen modaliteiten van het beding moet immers worden afgeleid dat partijen wel degelijk de hypothese van de feitelijke scheiding in aanmerking hebben genomen: zij hebben hun rechten en verplichtingen in dat geval geregeld (recht van bewoning, termijn van vijf jaar, betaling van een bezettingsvergoeding). Nergens blijkt uit de akte dat partijen overeenkwamen dat het beding van aanwas in geval van feitelijke scheiding zou vervallen of dat het geen toepassing meer zou vinden.
  16. Geïntimeerde steunt zijn vordering op het verval van het beding van aanwas gelet op het definitief verdwijnen van de oorzaak van de akte van 4 mei
  17. Het verval wegens verdwijning van de oorzaak wordt thans algemeen aanvaard m.b.t. schenkingen of testamenten . Deze leer is echter niet zomaar bruikbaar bij rechtshandelingen onder bezwarende titel*. De verdwijning van de objectieve oorzaak van de verbintenis van één partij, dit is eigenlijk de tegenprestatie van de andere partij, kan in wederkerige contracten het tenietgaan van de contractuele verbintenis voor gevolg hebben. Daarentegen zal de verdwijning van de subjectieve oorzaak van een rechtshandeling ten bezwarende titel, dit is de determinerende beweegreden van de contractant, het verval van de overeenkomst slechts veroorzaken als de verdwijning van de subjectieve oorzaak de uitvoering ervan in natura onmogelijk maakt of indien de partijen aan deze verdwijning het karakter van een ontbindende voorwaarde hebben gegeven . In huidig geval blijft de uitvoering in natura van het aanwasbeding mogelijk. Zoals hierboven uiteengezet, hebben partijen de feitelijke scheiding evenmin beschouwd als een ontbindende voorwaarde. Het aanwasbeding is niet vervallen.
  18. Geïntimeerde roept motieven van billijkheid in maar de billijke uitvoering van het aanwasbeding kan niet afhangen van de omstandigheid van wie het eerst overlijdt. Het verval van het aanwasbeding zou ook een onbillijke rechtsonzekerheid scheppen. Wat het gebrek aan onderhoud van het onroerend goed betreft kan geïntimeerde aanspraak maken op andere rechten, en o.m. op art. 577-2 B.W. Het hoger beroep is gegrond. De oorspronkelijke vordering van geïntimeerde wordt ongegrond verklaard.
  19. Nopens de gerechtskosten. Met ingang van 1 januari 2008 zijn de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat en het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek in werking getreden en dienen vanaf dan de nieuwe tarieven inzake de verschuldigde RPV toegepast te worden op de hangende zaken. Partijen hebben hun kosten begroot onder gelding van de vroegere wetgeving zonder hierover expliciet te concluderen. Derhalve dient van rechtswege het basistarief toegekend te worden voor wat de RPV betreft.
  20. Gelet op de voorgaande overwegingen is het incidenteel beroep m.b.t. de gerechtskosten ongegrond. De kosten vallen ten laste van geïntimeerde. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende na tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het bestreden vonnis behalve in zover het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaart en de kosten begroot. Opnieuw rechtsprekende voor het overige, verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt geïntimeerde in de gerechtskosten van beide aanleggen. Begroot de kosten van het hoger beroep in hoofde van appellante op hoofdberoep op 186 euro (kosten akte hoger beroep) en in hoofde van geïntimeerde op hoofdberoep op 1.354,85 euro (154,85 betekeningkosten +1.200 rpv). Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de kamer 1S van het hof van beroep te Brussel op 2 april 2008 waar aanwezig waren : De heer E. Janssens de Bisthoven, raadsheer, d.d. voorzitter, De heer E. Vander Stadt, plaatsvervangend raadsheer, De heer M. Boes, plaatsvervangend raadsheer, De heer Th. Gillioen, e.a. adjunct-griffier. Th. Gillioen M. Boes E. Vander Stadt E. Janssens de Bisthoven Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.