id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 09 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080409.6 Rolnummer: 2005AR2491 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-02-04 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-02 17:18 Fiche I. Beroepsaansprakelijkheid van de advocaat. Meer fundamenteel - in casu - is dat de advocaat zijn cliënt informeerde over de inhoud van een correctioneel vonnis zonder op nauwkeurige wijze toelichting te geven over de datum waarop de toepasselijke beroepstermijn zou verstrijken. Het behoorde echter tot de elementaire taak van de advocaat om, vooral als zijn brief acht dagen na de uitspraak verzonden was, de aandacht van de cliënt bijzonder te vestigen op het feit dat de beroepstermijn concreet al op 9 juli 1993 verstreek en dat hij desnoods op nuttige tijd een antwoord moest verkrijgen. De eenvoudige vraag om hem 'spoedig te willen berichten' is in dit opzicht te vaag en, mede gelet op het toch belangrijke bedrag in geschil, foutief in een professionele relatie met een cliënt. De rechtsleer heeft terecht gewezen op de bijzondere aansprakelijkheid van de advocaat om in strafzaken 'zijn cliënt zo vlug mogelijk in kennis (
- te)stellen van de uitspraak en van de termijn om hoger beroep in te stellen' .De gebrekkige berichtgeving door de advocaat heeft in de concrete omstandigheden van de zaak de cliënt de praktische mogelijkheid ontnomen, minstens zwaar beperkt, om een nuttige beslissing te nemen m.b.t. het instellen van het hoger beroep.De eerste rechter heeft terecht een professionele fout in hoofde van de verzekerde van appellante weerhouden. II. De schade en het oorzakelijk verband. Verbreking van het oorzakelijk verband door de tussenkomst van een wettelijke of statutaire of contractuele verplichting? Appellante verwijst naar de oude rechtspraak volgens welk er sprake is van verbreking van het oorzakelijk verband wanneer er tussen de fout en de schade een eigen juridische oorzaak optreedt die veronderstelt dat er een juridische verantwoording bestaat buiten de fout. Deze rechtspraak werd nochtans stilaan achterhaald na een reeks arresten van het Hof van Cassatie vanaf 1985 volgens welke de vaststelling dat een uitgave of prestatie een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting als rechtsgrond heeft, niet voldoende is om het oorzakelijk verband tussen een onrechtmatige daad van een derde en die uitgave of prestatie te ontkennen. Op 13 april 1988 oordeelde het Hof van Cassatie dat in de regel een verbreking van het causaal verband is wanneer er zich tussen de fout en de schade een eigen juridische oorzaak plaatst, zoals een wettelijke of reglementaire verplichting, die op zichzelf volstaat als grondslag voor de uitvoering maar dat deze regel niet geldt wanneer die verplichting slechts secundair is t.o.v. de verplichting van de dader van een delictuele of quasi-delictuele fout, om een toestand te laten stoppen die hij heeft gecreëerd en die niet kan blijven voortduren. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechterlijk gewijsde - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Aansprakelijkheid advocaat BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Causaal verband - Verbreking causaal verband Vrije woorden: I. Aansprakelijkheid van de advocaat. Informatieplicht. Datum waarop de beroepstermijn zal verstrijken. II. Buitencontractuele aansprakelijkheid. Oorzakelijk verband. Doorbreking ervan. III. Artikel 25 Ger. W. Rechterlijke gewijsde. Concrete draagwijdte Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 1382 Gerechtelijk Wetboek - 25 Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, Aanvullende kamer 1S, (wet van 9 juli 1997), Nr.: na beraad spreekt het volgend arrest uit : A.R. Nr. 2005/AR/2491 Rep.nr.: 2008/ IN ZAKE VAN : Kamer 1S ALLIANZ BELGIUM N.V., voorheen AGF BELGIUM INSURANCE N.V., met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Lakensestraat 35, appellante, vertegenwoordigd door meester Dirk De Maeseneer, loco meester Paul Depuydt, advocaat te 1050 Brussel, Waterloosesteenweg 412 F, Eindarrest TEGEN : Het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BRUSSEL, met zetel te 1000 Brussel? Hoogstraat 298, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester Rudi Loos, loco meester Quentin Alaluf, advocaat te 1040 Brussel, St.-Michielslaan 55/10. ************ Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (22ste kamer) op tegenspraak uitgesproken op 7 juni 2005 waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep, op 23 september 2005 ter griffie van het hof neergelegd; - de conclusie van appellante; - de conclusie, syntheseconclusie en (tweede) syntheseconclusie van geïntimeerde. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 12 maart 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Procedure in eerste aanleg 1. Bij proces-verbaal neergelegd op 3 maart 2003 heeft het Openbaar Centrum voor Maatschappelijke Welzijn van Brussel, hierna OCMW van Brussel, een vordering ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel tegen de NV AGF Belgium in haar hoedanigheid van verzekeraar van advocaat X. Y.. De vordering strekte tot betaling van 51.913,14 euro en 276,03 euro , te vermeerderen met de vergoedende interesten, de gerechtelijke interesten en de gerechtskosten. Het OCMW vorderde aldus vergoeding voor de schade die zij beweerde te hebben geleden ingevolge een beroepsfout van de advocaat in de verdediging van haar belangen ter aanleiding van een burgerlijke rechtsvordering voor de correctionele rechtbank en het hof van beroep te Brussel. 2. De NV AGF Belgium besloot tot de ongegrondheid van de vordering. 3. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard en de NV AGF Belgium veroordeeld tot betaling van 52.207,17 euro , vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 1 juli 1993, de gerechtelijke interesten en alle kosten. II. Procedure voor het hof 4. Voor het hof vraagt appellante het bestreden vonnis te hervormen en, opnieuw rechtsprekende, de oorspronkelijke vordering ongegrond te verklaren. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk. 5. Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep. III. Relevante feitelijke gegevens 6. Mevrouw Carolle V.V., tewerkgesteld van het Brugmannziekenhuis en aangestelde van het OCMW van Brussel, werd op 22 oktober 1991 het slachtoffer van een verkeersongeval. Zij liep verwondingen op en werd in het ziekenhuis opgenomen, waarna ze in ziekteverlof was. Ter aanleiding van dit ongeval heeft het OCMW van Brussel uitkeringen gedaan voor hospitalisatiekosten, medische kosten en verdere uitbetaling van het loon van het slachtoffer. 7. Het OCMW van Brussel raadpleegde advocaat X. Y. om vergoeding te bekomen van haar uitgaven en om zich burgerlijke partij te stellen tegen de aansprakelijke derde, een zekere L., verzekerd bij de NV Royale Belge. Het dossier werd aan de advocaat per brief van 13 juli 1992 overgemaakt. 8. De aansprakelijke werd voor de correctionele rechtbank te Brussel vervolgd wegens onopzettelijke slagen en verwondingen en vluchtmisdrijf. Op de zitting van 19 februari 1993 stelde de advocaat zich burgerlijke partij voor een provisioneel bedrag van 799.000 BEF. 9. Bij brief van 2 juli 1993 informeerde de advocaat het OCMW dat een vonnis op 24 juni 1993 werd gewezen, waarbij de beklaagde L. vrijgesproken werd. De advocaat besloot in zijn brief: "De vrijspraak is tussengekomen op grond van de twijfel die in het voordeel van de beklaagde moet spelen. Hieraan zal, naar ik meen, door het Hof geen wijziging worden gebracht. Het vonnis is trouwens op dit gebied zeer gemotiveerd. Mocht U toch wensen dat beroep zou worden ingesteld, dan zal U mij spoedig berichten. (...)" 10. Bij brief van 14 juli 1993 nodigde het OCMW zijn raadsman om "de mogelijkheid te onderzoeken (zijn) kostenstaat (van 799.000 BEF) terug te vorderen in het kader van het burgerlijk geding." De brief benadrukte nog: "Mocht het slachtoffer zelf beroep aantekenen tegen het tussengekomen vonnis, dan zullen wij natuurlijk niet nalaten onze Raad voor te stellen om dezelfde weg op te slaan". Op 15 september 1993 schreef het OCMW dat het Beheerscomité van het Brugmannziekenhuis beslist had hoger beroep in te stellen en voegde eraan toe: "Wij hebben nota genomen dat U, ten bewarende titel, al het nodige gedaan hebt desbetreffende." Een nieuwe voorlopige kostenstaat voor de totale som van 1.140.662 BEF werd bij deze gelegenheid aan de advocaat overgemaakt. 11. Op 17 november 1994 schreef de advocaat dat de zaak nog niet vastgesteld werd voor het hof van beroep. Hij deelde ook de conclusie van de verzekeraar van de beklaagde mee, die overigens gericht was tegen het OCMW van Brussel en naar het hoger beroep "van de burgerlijke partijen" verwees. Het OCMW antwoordde hierop bij brief van 25 november 1994. 12. Het OCMW stuurde later meerdere rappelbrieven aan de advocaat. Geïntimeerde vernam dat de verzekeringsmaatschappij van de beklaagde met het slachtoffer onderhandelde en zij nam dan rechtstreeks contact op met deze maatschappij, haar wijzende op het feit dat ook het OCMW schade had geleden en dat het Centrum "destijds beroep ingediend (had) tegen het vonnis dat op 24 juni 1993 werd uitgesproken". De advocaat van de Royale Belge antwoordde op 11 juni 2001 dat het OCMW van Brussel "destijds hoegenaamd geen hoger beroep heeft ingediend tegen het vonnis van 24 juni 1993 zodat dit opzichtens (het OCMW) kracht van gewijsde heeft verworven. Dit betekent dan ook dat er geen vordering meer kan gericht worden lastens (de Royale Belge)". 13. Het is later gebleken dat de andere burgerlijke partijen, zijnde het slachtoffer V.V. en dier echtgenoot, op 30 juni 1993 hoger beroep hadden ingesteld tegen het vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel d.d. 24 juni 1993 en dat het hof van beroep te Brussel, 13de kamer, bij arrest van 1 maart 1995 het vonnis had hervormd en de beklaagde L. had veroordeeld tot een geldboete en, op burgerlijk gebied, tot integrale vergoeding van de schade door de burgerlijke partijen geleden. Mevrouw V.V. bekwam een provisie van 75.000 BEF en haar echtgenoot een provisie van 1 BEF. Een wetsdokter werd tenslotte als deskundige aangesteld. 14. Na neerlegging van het verslag van deskundigenonderzoek werd het slachtoffer door de Royale Belge minnelijk vergoed. IV. Bespreking 1°. Het bestaan van een fout 15. Appellante betwist dat haar verzekerde in zijn opdracht van advocaat een fout heeft kunnen begaan nu hij tijdig geen mandaat had gekregen om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de correctionele rechtbank. 16. Er kan alleszins geen fout worden vastgesteld in hoofde van de advocaat in zoverre hij een hoger beroep aan zijn cliënt afgeraden heeft. Uit geen enkel element, en ook niet na kennisname van het vonnis van de correctionele rechtbank, blijkt dat dit advies over de kansen tot welslagen in hoger beroep kennelijk verkeerd was. De inhoud van het arrest d.d. 1 maart 1995 bewijst dit uiteraard op zich niet. 17. Het probleem ligt bij de mededeling zelf door de advocaat aan de cliënt m.b.t. het uitgesproken vonnis en de mogelijkheid tot hoger beroep. De advocaat had weliswaar al wat vroeger het OCMW kunnen informeren. De mededeling over het vonnis van (donderdag) 24 juni 1993 werd immers pas op (vrijdag) 2 juli 1993 gestuurd, wat, vooral bij het begin van de zomervakantie, bijzonder laattijdig is gelet op de beperkte termijn van 15 dagen voor hoger beroep. Deze vertraging moest echter op zich geen gevolg hebben gehad voor zover de brief een gepast bericht had bevat over de wettelijke termijn om hoger beroep in te stellen. Meer fundamenteel is dat de advocaat zijn cliënt informeerde over de inhoud van een correctioneel vonnis zonder op nauwkeurige wijze toelichting te geven over de datum waarop de toepasselijke beroepstermijn zou verstrijken. Het behoorde echter tot de elementaire taak van de advocaat om, vooral als zijn brief acht dagen na de uitspraak verzonden was, de aandacht van de cliënt bijzonder te vestigen op het feit dat de beroepstermijn concreet al op 9 juli 1993 verstreek en dat hij desnoods op nuttige tijd een antwoord moest verkrijgen. De eenvoudige vraag om hem "spoedig te willen berichten" is in dit opzicht te vaag en, mede gelet op het toch belangrijke bedrag in geschil, foutief in een professionele relatie met een cliënt. De rechtsleer heeft terecht gewezen op de bijzondere aansprakelijkheid van de advocaat om in strafzaken "zijn cliënt zo vlug mogelijk in kennis (
- te)stellen van de uitspraak en van de termijn om hoger beroep in te stellen" . De verzekerde van appellant had bovendien op 2 juli 1993 zijn cliënt kunnen informeren over het feit dat de andere burgerlijke partij, zijnde het personeelslid van het OCMW, zelf al op 30 juni 1993 hoger beroep had ingesteld, wat hij bij een eenvoudig telefonisch contact met zijn confrater had kunnen vernemen. De gebrekkige berichtgeving door de advocaat heeft in de concrete omstandigheden van de zaak de cliënt de praktische mogelijkheid ontnomen, minstens zwaar beperkt, om een nuttige beslissing te nemen m.b.t. het instellen van het hoger beroep. De eerste rechter heeft terecht een professionele fout in hoofde van de verzekerde van appellante weerhouden. 18. Appellante beroept zich ten onrechte op het feit dat haar verzekerde met het OCMW correspondeerde via de heer F., directeur-generaal van de juridische dienst van het OCMW en zelf jurist. Uit de inhoud van de brieven van het OCMW d.d. 14 juli en 12 september 1993 (zie hierboven randnummer 10) moet het hof afleiden dat de heer F. weinig of geen praktische kennis had over de duur en de aanvang van de termijn om in strafzaken hoger beroep in te stellen. Uit de brief van 14 juli 1993 blijkt dat de heer F. zich, bij de ontvangst van de brief van de advocaat, geenszins rekenschap heeft gegeven van het feit dat de termijn op 10 juli 1993 zou verstrijken. Geïntimeerde is bijgevolg niet zelf aansprakelijk voor het feit dat geen hoger beroep ingesteld werd. Appellante die haar dekking van het schadegeval niet betwist is bijgevolg gehouden tot volledige vergoeding van de schade die aan geïntimeerde werd berokkend door het feit dat geen hoger beroep werd ingesteld tegen het correctionele vonnis van 24 juni 1993. 2° De schade en het oorzakelijk verband 19. Appellante verklaart dat geïntimeerde geen medisch getuigschrift voorlegt waaruit zou blijken dat de afwezigheid van haar personeelslid het gevolg zou zijn van het verkeersongeval van 22 oktober 1991. Geïntimeerde legt wel een reeks stukken in die zin voor: medische attesten, interne bescheiden en documenten i.v.m. de oppensioenstelling . 20. Verder stelt appellante dat het oorzakelijk verband tussen de schade (de uitkeringen in het voordeel van het slachtoffer) te dezen verbroken werd door de tussenkomst van een wettelijke of statutaire of contractuele verplichting. Appellante verwijst naar de oude rechtspraak volgens welk er sprake is van verbreking van het oorzakelijk verband wanneer er tussen de fout en de schade een eigen juridische oorzaak optreedt die veronderstelt dat er een juridische verantwoording bestaat buiten de fout. Deze rechtspraak werd nochtans stilaan achterhaald na een reeks arresten van het Hof van Cassatie vanaf 1985 volgens welke de vaststelling dat een uitgave of prestatie een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting als rechtsgrond heeft, niet voldoende is om het oorzakelijk verband tussen een onrechtmatige daad van een derde en die uitgave of prestatie te ontkennen. Op 13 april 1988 oordeelde het Hof van Cassatie dat in de regel een verbreking van het causaal verband is wanneer er zich tussen de fout en de schade een eigen juridische oorzaak plaatst, zoals een wettelijke of reglementaire verplichting, die op zichzelf volstaat als grondslag voor de uitvoering maar dat deze regel niet geldt wanneer die verplichting slechts secundair is t.o.v. de verplichting van de dader van een delictuele of quasi-delictuele fout, om een toestand te laten stoppen die hij heeft gecreëerd en die niet kan blijven voortduren. Appellante voert dus ten onrechte aan dat het hof van beroep te Brussel bij het arrest van 1 maart 1995 meteen het oorzakelijk verband tussen de schade-eis van het OCMW en de inbreuk van de beklaagde zou hebben verworpen, des te meer dat het hof zich beperkte tot het onderzoek van de aansprakelijkheid van de beklaagde en dat het, op burgerlijk gebied, een deskundig onderzoek beval en, in afwachting van het deskundig verslag over de lichamelijke letsels in hoofde van het slachtoffer, vooraleer ten gronde recht te doen, een provisie aan de burgerlijke partijen toekende. Alleszins stelt het hof vast dat de uitkeringen van het OCMW in het voordeel van zijn personeelslid, al werden die statutair bepaald, in oorzakelijk verband staan met de fout van de aansprakelijke derde L.. 21. Appellante houdt verder ten onrechte voor dat geïntimeerde nog de mogelijkheid had om haar vordering tegen de aansprakelijke derde of diens verzekeringsmaatschappij voor de burgerlijke rechter in te stellen. De correctionele rechtbank te Brussel had immers de vordering van het OCMW tegen de beklaagde L. en diens verzekeraar afgewezen. Het gezag van rechterlijk gewijsde van het vonnis van 24 juni 1993 verhinderde dat de vordering opnieuw zou worden ingesteld (art. 25 van het Gerechtelijk Wetboek). 22. De door geïntimeerde gevorderde schade wordt op afdoende wijze in haar dossier bewezen . Er is geen reden om een som van 2.500 euro af te trekken voor de advocaatkosten die het OCMW in aanleg van hoger beroep zou uitgespaard hebben. Deze kosten zijn immers ruim gecompenseerd door de kosten van de huidige procedure. 23. De eerste rechter heeft terecht vergoedende interesten toegekend vanaf 1 juli 1993, plus gerechtelijke interesten. Het hoger beroep is ongegrond. 3°. Nopens de gerechtskosten 11. Partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingvergoeding te begroten op het basistarief zoals vastgesteld bij het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Hierbij zal het hof rekening houden met het gevorderde bedrag van 52.207,17 euro plus vergoedende interesten vanaf 1 juli 1993 tot 2 maart 2003. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende na tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt appellante in de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld in haren hoofde op 2.686 euro en in hoofde van geïntimeerde op 2.500 euro. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de kamer 1S van het hof van beroep te Brussel op 9 april 2008 waar aanwezig waren : De heer E. Janssens de Bisthoven, raadsheer, d.d. voorzitter, De heer J. Celis, plaatsvervangend raadsheer, De heer Th. Taffijn, plaatsvervangend raadsheer, De heer Th. Gillioen, e.a. adjunct-griffier. Th. Gillioen Th. Taffijn J. Celis E. Janssens de Bisthoven Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div