id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 22 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080422.11 Rolnummer: 2005AR781 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-12-29 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-02 17:22 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Onverdeelde goederen - Gerechtelijke verdeling GERECHTELIJK RECHT - NOTARIAAT - Ambt Vrije woorden: Bijzondere rechtsplegingen. Gerechtelijke vereffening-verdeling. Proces-verbaal van beweringen en zwarigheden. Aanbrengen van zwarigheid: tijdstip (hoelang?) en vorm: mogelijk per fax? Houding van de notaris Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2005/AR/781 INZAKE VAN : De heer X appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 25 oktober 2004, vertegenwoordigd door Meester Liesbeth HAUBRECHTS loco Meester Werner DAEM, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30, 1ste kamer TEGEN : Mevrouw Y, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Martine GEYSKENS, advocaat te TURNHOUT, loco Meester Victor VAN AELST, advocaat te 1090 BRUSSEL, de Smet de Naeyerlaan 2 bus 3, Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 25 oktober 2004, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 22 maart 2005; · de syntheseconclusie van appellant neergelegd ter griffie op 12 december 2005; · de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 25 januari 2006. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 3 maart 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1.De oorspronkelijke eis van appellant strekte ertoe
(1)te horen bevelen dat het onverdeelde vermogen dat tussen hem en geïntimeerde bestond, zal worden vereffend en verdeeld,
(2)te horen bevelen dat er dien einde een boedelbeschrijving zal worden opgemaakt en zal worden overgegaan tot de veiling van een aantal onroerende goederen, gelegen te Z, zijn een woonhuis met aanhorigheden en twee percelen weide,
(3)partijen te horen verwijzen naar notaris D of naar een andere notaris die de boedelbeschrijving, de rekeningen, de vereffening en verdeling zal dienen op te maken en die dient in te staan voor de veiling en
(4)bij voorkeur notaris P. Bauwens te Dilbeek te horen aanwijzen om de niet verschijnende of weigerende partij te vertegenwoordigen. 1.2. Bij vonnis van 13 oktober 1992 werd
(1)bevolen dat tot de verrichtingen van inventaris, rekening, vereffening en verdeling zou worden overgegaan van voornoemde onverdeeldheid,
(2)bevolen dat, indien zij niet behoorlijk kunnen verdeeld worden in natura, overeenkomstig artikel 1211 Ger.W. zou worden overgegaan tot de openbare verkoop van de goederen, zo roerende als onroerende, afhangende van de onverdeeldheid,
(3)de heer G. D aangesteld als notaris en
(4)de heer L. Joris aangesteld om de niet verschijnende of weigerende partij te vertegenwoordigen. 1.
- Op 7 februari 2002 stelden de notarissen D en Sorgeloos een staat van vereffening op gevolgd door een P.V. van zwarigheden op 29 maart 2002 dat door notaris D neergelegd werd ter griffie op 2 mei
- 1.
- In het bestreden eindvonnis van 25 oktober 2004 werd de zaak opnieuw verzonden naar de notarissen G. D en M. Deynck als opvolger van notaris G. Sorgeloos, teneinde de staat van vereffening aan te passen volgens de in dat vonnis gegeven richtlijn. 1.
- Het hoger beroep van appellant beoogt
(1)de bezwaren zoals door hem geformuleerd op de vereffeningsstaat ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en de zaak opnieuw te verwijzen naar de instrumenterende notarissen teneinde een nieuwe staat te laten opmaken overeenkomstig de door hem geformuleerde richtlijnen en
(2)te horen zeggen voor recht dat hij geen betaling verschuldigd is aan geïntimeerde en daarentegen voor recht te horen zeggen dat hij een schuldvordering heeft op geïntimeerde te beloop van 219.426,28 euro (8.851.634 BEF). 1.6. Bij incidenteel beroep vordert geïntimeerde dat de staat van vereffening zoals opgesteld door beide notarissen zou gehomologeerd worden en derhalve te zeggen voor recht dat haar nog een bedrag toekomt van 195.833,41 euro . II. Beoordeling. 2.1. Bij fax van 29 maart 2002 (d.i. na de datum van het opmaken van de staat van vereffening en op de datum van het opmaken van het P.V. van beweringen en zwarigheden) uitte appellant een aantal bezwaren tegen de vereffeningsstaat, meer bepaald:
- a)meende hij aanspraak te kunnen maken op de volgende sommen: - helft van de waarde van de woning: onder voorbehoud: 123.946,76 euro - nalatenschap ...: 4.626,49 euro - geldafname: 57.986,24 euro - uitgevoerde betalingen X.....: 5.614,14 euro - afhaling rekening X: 3.134,94 euro Totaal: 195.308,57 euro
- b)betwistte hij nog enige som verschuldigd te zijn aan geïntimeerde uit hoofde van de door haar gedane terugbetaling aan de Brabantse Kas voor Beroepskrediet. 2.2.De eerste rechter besliste dat deze bezwaren laattijdig werden geformuleerd en bijgevolg geen aanleiding gaven tot een aanpassing van de staat van vereffening. Appellant betwist dit. 2.3. Beweringen en zwarigheden mogen door deelgenoten aangebracht worden in om het even welke vorm. Desgevallend dus ook mondeling. Bijgevolg kan dit ook per fax die in casu toekwam vooraleer het p.v. van beweringen en zwarigheden werd verleden. De kwestieuze fax werd verstuurd om 11h30 en de vergadering was, op dezelfde dag, gepland om 15h30 (zie o.m. Gent 27 mei 1999, T. Not. 2000, 313). De wet voorziet geen vervaltermijn binnen dewelke de aanspraken of documenten overgemaakt moeten worden. Er is geen verval zonder wettekst. Bovendien zijn de partijen niet overeengekomen in casu om een minnelijke vervaltermijn tussen hen te voorzien wat betreft het overmaken van stukken en documenten. Hieruit volgt dat de partijen aanspraken en documenten mochten overmaken tot op het tijdstip van het opmaken van het P.V. van beweringen en zwarigheden (zie o.m. PUELINCKX-COENE M., VERSTRAETE J. en GEELHAND N., Overzicht van rechtspraak, Erfenissen (1988-1995), TPR 1999, 328, nr. 232). Er dient bijgevolg in deze zaak wel degelijk rekening te worden gehouden met de bezwaren geuit door appellant in zijn fax van 29 maart 2002, toegekomen juist vooraleer de vergadering plaatsvond voor het opstellen van het P.V. van beweringen en zwarigheden. Het bestreden vonnis wordt op dit punt hervormd. 2.4. Er bestaat betwisting tussen de partijen over het lot van de verkoopprijs van de woning gelegen te Z. Appellant meent recht te hebben op de helft van de waarde van deze woning terwijl geïntimeerde aanspraak maakt op de volledige verkoopsopbrengst. Rekening houdende met de stukken van het dossier kan het volgende gesteld worden: - de aankoopakte en de hypothecaire leningsakte (bij de oorsprong van eigendom) vermelden duidelijk Mevrouw Y als enige eigenares. - Het feit dat de betalingen van de voorschotten geschiedde door de echtgenoot bewijst niet dat hij uitsluitend in eigen naam handelde; hij kan opgetreden zijn namens het gezin X-Y, of zelfs uitsluitend voor zijn echtgenote. Kortom, de bewijzen van de betalingen van de voorschotten zijn niet decisief om te beslissen dat X betaalde met eigen gelden. Er wordt in deze betalingsbewijzen overigens niet gepreciseerd wie de aankoop doet; er staat vermeld: "als voorschot bij de aankoop". Er is geen ondubbelzinnig bewijs van betaling van voorschot door de man met eigen gelden. De kwijtschriften m.b.t. de voorschotten bepalen overigens niet wie eigenaar zal zijn of worden blijkens de termen van de latere authentieke akte van verkoop. - De meerwaarde tengevolge van de marktevolutie van de vastgoedprijzen komt derhalve uitsluitend aan de - blijkens de notariële akte - enige eigenares toe, namelijk Y. - Mevrouw Y is derhalve als enige gerechtigd op de integrale verkoopprijs van 6.500.000 BEF. - De verbeteringswerken die de echtgenoot aanbracht aan een eigen goed van de echtgenote, dewelke als gezinswoning diende voor het gezin (hijzelf, zijn echtgenote en hun twee kinderen) dienen beschouwd te worden als een uitvoering in natura, vanwege de echtgenoot, van zijn verplichting tot bijdrage in de lasten van de gemeenschappelijke huishouding (art. 221 B.W.) precies zoals Mevrouw deze verplichting in natura nakwam door haar huishoudelijke taken en haar bijdrage tot de opvoeding van haar twee kinderen. Er kan enkel anders geredeneerd worden indien - quod non in casu - de verbeteringswerken van de echtgenoot een eigen ander goed (tweede, een investeringsgoed, maar niet het eerste goed, de gezinswoning) van de echtgenote hadden betroffen, maar in casu betreft het werken aan de enige woning van Y die diende als gezinswoning, waarvoor de man derhalve geen vergoeding kan vragen ingevolge artikel 221 B.W. De aflossing van de lening aangegaan door beide echtgenoten bij N.V. Urbaine, op de dag van de aankoop, (voor de financiering van de verbeteringswerken volgens X doch die welbepaalde bestemming van de gelden staat alleen vermeld in het voorstel m.b.t. het krediet), kan eveneens beschouwd worden als een wijze van uitvoering in natura, van de bijdrage in de lasten van het huishouden. Bovendien heeft geïntimeerde ook medegewerkt in de eigen handelszaak van haar echtgenoot - wat mede bijdroeg tot de werking van zijn handelszaak, eigen goed van hem - en waarvoor Mevrouw Y geen vergoeding vraagt. Tenslotte blijkt uit het pensioenattest dat Mevrouw Y wel degelijk gewerkt heeft in de periode 1968-1973 en dus eigen beroepsinkomsten had. Kortom de aflossing van de - door beide echtgenoten gesloten - voormelde lening van 500.000 BEF bij Urbaine geeft - op zichzelf - geen titel aan X om thans een deel van de opbrengst zelf van de verkoop van het huis te vorderen lastens Y. Derhalve dient besloten te worden dat de aflossing door beiden van de hypothecaire lening van 500.000 BEF beschouwd moet worden als bijdragen in natura in de lasten van de huishouding, nu overigens bij de aanvang van het huwelijk de echtgenote professionele activiteiten had, net zoals haar echtgenoot. Overigens, zelfs indien er zou gesteld worden dat de man een (onrechtstreekse) schenking aan zijn vrouw zou gedaan hebben, ten belope van de helft van het ontleende bedrag , zou de gift niet het onroerend goed zelf betreffen, maar alleen de prijs. In huidige zaak stelt de appellant overigens niet dat er een schenking is geweest, en is in elk geval het bewijs van de animo donandi niet geleverd. De door appellant aangehaalde theorie van de verrijking zonder oorzaak, van de vrouw lastens haar man, kan evenmin aangehouden worden, gelet op de voormelde oorzaak, zijnde de bijdragen in natura, zowel door de man als de vrouw, in de lasten van het huishouden (oud artikel 218 B.W., sinds 28-9-1976: nieuw artikel 221 B.W.). De volledige opbrengst van de verkoop van de woning te Z komt bijgevolg toe aan geïntimeerde, mevrouw Y. 2.5. Appellant betwist vervolgens nog een som verschuldigd te zijn uit hoofde van terugbetalingen, uitgevoerd door Mevrouw Y, aan de Brabantse kas voor Beroepskrediet, hierna afgekort BKB genoemd (Zie blz. 4 van de bezwaren van X vervat in de brief van diens advocaat van 29 maart 2002). Het betreft blijkbaar:
- a)23 december 1975: Kredietopening bij BKB, gesloten als hoofdelijke schuldenaars, door X (in persoon) én Y, ten belope van 1 miljoen BEF. (niet afbetaald: negatief saldo op 28/2/1997: 6.654.978 BEF);
- b)26 januari 1979: Nieuwe kredietopening bij BKB, ten belope van 1.750.000 BEF, ditmaal toegestaan aan PVBA X, met beide echtgenoten als medeschuldeisers tegenover de bank, wat inhoudt dat tussen hen onderling de PVBA schuldenaar was en zij beiden zich borg stelden voor de PVBA ( Niet afbetaald: negatief saldo. Faling van de PVBA waardoor de BKB beide echtgenoten aanspreekt voor de schulden). Vermits de eerste kredietopening aangegaan werd door de beide echtgenoten, hoofdelijk en ondeelbaar, kan Mevrouw Y, die alleen die schuld vereffende middels een dading voor slot van alle rekening, slechts de helft van wat zij effectief betaalde tot het bekomen van de dading m.b.t. deze schuld, terugvorderen van de andere hoofdelijke schuldenaar, zijnde haar echtgenoot (vergelijk artikel 1213 B.W.). De tweede kredietopening werd aangegaan door de PVBA X. De heer X en Mevrouw Y zijn ten aanzien van de bank gewone medeschuldenaars, maar onderling tussen hun drie is er een clausule van orde waarbij de PVBA hoofdschuldenaar is en de echtgenoten garanten of borgen. Nu Mevrouw Y, gewone schuldenaar tegenover de bank, de integrale vereffening van de schuld bekwam door de dading "voor slot van alle rekening", kan zij zich wenden tot de medeborg, nu de andere schuldenaar (hoofdschuldenaar t.o.v. de bank) failliet is. Dit verhaal onderling tussen de borgen is gegrond op artikel 2033 B.W. Mevrouw Y kan hier opnieuw slechts de helft terugvorderen van de heer X. Bijgevolg dient appellant de helft terug te betalen aan mevrouw Y van het bedrag dat zij betaalde aan BKB (= ½ van 5.000.000 BEF dat zij terugbetaalde voor slot van alle rekening). 2.6. Appellant houdt voor dat gelden die hij haalde uit de nalatenschap van zijn tante, mevrouw Elvire X, rechtstreeks werden gestort in handen van notaris Van Haelewijk en aangewend werden ter aanzuivering van schulden van geïntimeerde. De loutere vermelding van ‘Er werd voor hem betaald aan Mr. Van Haelewijk' in het stuk 13 van zijn dossier laat niet toe te besluiten dat het bewijs is geleverd van de bewering van de heer X dat dit geld diende voor de betaling van een eigen schuld van Mevrouw Y. De concrete bestemming van deze som wordt immers niet bewezen. 2.7. Appellant werpt op dat geïntimeerde verschillende malen gelden heeft afgehaald van de PVBA X die bestemd waren voor privé-gebruik en dit ten beloop van 57.986,24 euro (2.339.159 BEF). Appellant verwijst hiervoor naar een stuk 14 uit zijn dossier dat geen bewijs inhoudt van afhalingen door geïntimeerde uit de kas van de PVBA. 2.8. Door appellant wordt de terugbetaling gevraagd van een bedrag van 5.5614,14 euro dewelke betalingen zouden betreffen door hem uitgevoerd. Er wordt hierbij verwezen naar de stukken 15 en 16 van zijn dossier. Deze stukken tonen niet aan dat appellant over een dergelijke vordering zou beschikken ten nadele van geïntimeerde. Het betreft inkomsten en uitgaven die het huwelijk betreffen en de afgehaalde sommen overtreffen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding niet. De afhalingen vertonen evenmin een buitensporig karakter. 2.9. Wat tenslotte de afhalingen betreft van de rekening van hun gemeenschappelijke zoon A, hiermede heeft appellant geen uitstaans gezien zijn zoon inmiddels meerderjarig is en hij alleen in rechte kan optreden m.b.t. hem toekomende fondsen. 2.10. De bezwaren van appellant, geformuleerd in zijn fax van 29 maart 2002 zijn, in tegenstelling met wat de eerste rechter besliste, niet laattijdig ingediend maar werden hier voren allen verworpen zodat desbetreffend niets hoeft gewijzigd te worden aan de voorliggende staat van vereffening. 2.11. Conclusie:
- a)de verkoopprijs (6.500.000 BEF) van het huis deze komt integraal ten goede aan de enige eigenares, zijnde mevrouw Y;
- b)Mevrouw Y wendde 5 miljoen (van deze 6.500.000 F) aan ‘tot slot van alle rekeningen' m.b.t de twee voormelde kredietopeningen (de facto gesloten ten voordele van de handelsactiviteit van aannemer X, eerst in eigen naam, maar dan als BVBA. maar in de eerste kredietopening waren beide echtgenoten hoofdelijke medeschuldenaars en in de tweede gezamenlijke borgen. ); Op grond van de voormelde artikelen 1213 B.W. en 2033 B.W. dient besloten te worden dat Mevrouw aldus schulden jegens de BKB vereffende die X én Y elk voor de helft verschuldigd zijn in hun respectieve hoedanigheid van medeschuldenaars (eerste k.o.) en beiden borgen (tweede k.o.); Dit betekent concreet dat appellant (als medeschuldenaar van de voormelde 5.000.000 BEF) nog ten beloop van de helft van deze 5.000.0000, zijnde 2.500.000 BEF, plus de intresten, verschuldigd is aan Mevrouw Y. Het is dan ook ten onrechte dat boedelnotaris D stelt dat, vermits de twee leningen aangegaan zijn voor beroepsdoeleinden van X, zij eigen schulden zijn van X. Het doel van de leningen is niet relevant doch wel het gegeven dat én X en Y beide kredietopeningen ondertekend hebben, de eerste als hoofdelijke medeschuldenaars, de tweede als mede-borgen. Op dit punt dient bijgevolg boedelnotaris D zijn ontwerp van verdeling aan te passen. Het bestreden vonnis bevat tegenstrijdige motieven wanneer enerzijds gesteld wordt dat het niet gerechtvaardigd voorkomt dat in de verhouding tussen de gewezen echtelieden de verkoopsopbrengst van de woning uitsluitend in haar voordeel zou worden toegekend om nadien verder te argumenteren over het lot van de 5.000.000 BEF die mevrouw Y betaalde voor slot van alle rekening aan de BKB. Hierdoor wordt de indruk gewekt dat een deel van de verkoopsopbrengst van de woning tevens toekomt aan appellant, wat niet het geval is. Om deze reden wordt het bestreden vonnis dan ook vernietigd. De bezwaren geuit door appellant in zijn fax van 29 maart 2002 zijn niet laattijdig doch komen ongegrond voor. Partijen dienen derhalve terug verwezen te worden naar de boedelnotarissen, die de staat van vereffening enkel dienen aan te passen op één punt met name : Geen volledige aanrekening van voormeld bedrag van 5.000.000 BEF of 123.946,76 euro + intresten, lastens X ten voordele van Y, maar wel aanrekening van (slechts) de helft van dit bedrag + intresten lastens X ten voordele van Y. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep beiden ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis. Verzendt de zaak opnieuw naar de notarissen ... teneinde de staat van vereffening aan te passen volgens de in onderhavig arrest gegeven richtlijn. Legt de kosten van beide aanleggen ten laste van de massa, begroot - in hoofde van appellant op euro 1.386 (186 rolrecht + 1.200 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding; Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 22/04/08 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div