id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 22 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080422.12 Rolnummer: 2004AR1005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-15 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-07-02 17:21 Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Planschade en -baten Vrije woorden: Planschadevergoeding. Art. 35 en 36 van het decreet van 22 oktober
- Voorwaarden. Voorlegging van een negatief stedenbouwkundig attest. Quid respectieve waarde van het stedenbouwkundig attest nr1 of nr.
- Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2004/AR/1005 INZAKE VAN : De gewone commanditaire venootschap REDEVCO INDUSTRIAL BELGIUM, die in rechte getreden is van de gewone commanditaire vennootschap REDEVCO IMMO, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1050 BRUSSEL, Troonstraat 108 bus 6, ingeschreven in het handelsregister van Brussel onder het nummer 659.696, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 13 januari 2004, vertegenwoordigd door Meester Katharina ERARD loco Meester Francis HAUMONT, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 480, 1ste kamer TEGEN : Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, vertegenwoordigd door haar Voorzitter, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Koolstraat 35, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester G. LENAERS loco Meester Lieve DEHAESE, advocaat te 3500 HASSELT, Luikersteenweg 187, Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (25ste kamer) op tegenspraak uitgesproken op 13 januari 2004, waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep, op 20 april 2004 ter griffie van het hof neergelegd; - de conclusie, tweede conclusie en aanvullende conclusie na tweede conclusie van appellante; - de conclusie, tweede conclusie en syntheseconclusie van geïntimeerde. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 19 februari 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Procedure in eerste aanleg
- Bij exploot van 13 juli 2002 heeft Redevco Immo GCV een vordering ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel tegen het Vlaamse Gewest in betaling van een schadevergoeding van 2.085.699,77 euro (84.136.920 BEF) te vermeerderen met een bedrag van 8.676,72 euro (350.000 BEF) wegens kosten van verdediging en met alle kosten. In ondergeschikte orde was de aanstelling van een deskundige gevorderd met de opdracht de schade te begroten die Redevco leed ingevolge de bestemmingswijziging van het gewestplan Sint-Truiden - Tongeren op 30 oktober 1997 voor zone ambachtelijke bedrijven en voor KMO in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. In meer ondergeschikte orde vorderde Redevco de planschadevergoeding op grond van art. 35 en 36 van het Coördinatiedecreet van 22 oktober 1996, t.b.v. 80 % van 70.114.100 BEF of 56.091.280 BEF, hetzij 1.390.466,52 euro , te vermeerderen met de gerechtelijke interesten en de kosten. In de loop van het geding heeft de GCV Redevco Industrial Belgium het geding hervat.
- Het Vlaamse Gewest besloot tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering (bij gebrek aan belang of hoedanigheid en wegens uitblijven van administratief verhaal en van beroep bij de Raad van State en tenslotte wegens uitblijven van een negatief stedenbouwkundig attest), minstens tot de ongegrondheid ervan.
- Het bestreden vonnis verklaarde de vordering niet ontvankelijk in zoverre ze betrekking heeft op de percelen grond gelegen te Sint-Truiden, aan de Zoutleeuwsesteenweg en kadastraal gekend onder sectie G, met nummers 145/c, 146/b, 147/a en 149/c, zulks bij gebrek aan bewijs van eigendom over deze percelen. De vordering, in zoverre gesteund op art. 35 en 36 van het Decreet betreffende de ruimtelijke orde gecoördineerd op 22 oktober 1996, werd eveneens onontvankelijk verklaard bij gebrek aan een definitief stedenbouwkundig attest. Voor het overige verklaarde de rechtbank de vordering ongegrond bij gebrek aan bewezen schade en werd eiseres, thans appellante, tot alle gerechtskosten veroordeeld. II. Procedure voor het hof
- Voor het hof vraagt appellante het bestreden vonnis te hervormen en, opnieuw rechtsprekende, haar oorspronkelijke vordering in te willigen. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.
- Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Zij besluit bovendien tot de verjaring van de vordering van appellante in zoverre als gesteund op art. 1382 B.W. III. Relevante feitelijke gegevens
- Het geschil betreft 9 percelen gelegen te Sint-Truiden aan de Zoutleeeuwse-steenweg, voor een globale oppervlakte van ruim 7 hectaren, gekend onder de benaming "Stayen het gehucht" en kadastraal gekend onder eerste afdeling, sectie G, met nummers 125/d, 128/a, 145/c, 146/b, 147/a, 147/02, 149/c, 149/02 en 127/d (aldus de opsomming in aanleg van hoger beroep, zijnde anders dan in de gedinginleidende dagvaarding).
- Deze goederen werden volgens appellante aangekocht bij akte van 22 december 1980 door de NV Bazimo. Appellante stelt thans eigenaar te zijn geworden van de litigieuze goederen na opeenvolgende fusies, wijzigingen van benamingen enz. (zie hierover verder randnummer 22).
- De litigieuze gronden werden oorspronkelijk gerangschikt in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor KMO's (kleine en middelgrote ondernemingen), en zulks overeenkomstig het gewestplan Sint-Truiden - Tongeren, goedgekeurd bij KB van 5 april
- Bij besluit van 22 oktober 1996 van de Vlaamse Regering houdende de voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Sint-Truiden / Tongeren werden de percelen nu ingekleurd als natuurgebied. Er volgde een bezwaarschrift van de NV Bazimo.
- Op 30 augustus 1996 wordt door NV GB UNIC een aanvraag tot stedenbouwkundig attest nr. 2 bij het college van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Sint-Truiden ingediend met het oog op de "nieuwbouw warenhuis Maxi-GB met parkeergelegenheid". De aanvraag had betrekking op de percelen "kadastraal bekend sectie G, nr. 125/2-3; 125d; 127e; 128a; 145c; 146b; 147a; 147/2; 149e; 149/2, eigendom van GB". Het advies van het gemeentebestuur aan het Bestuur van de Stedenbouw en de Ruimtelijke Ordening te Hasselt van 4 oktober 1996 luidde: "De betrokken percelen zijn gelegen in de KMO-zone. Er is geen detailhandel toegestaan". Bij brief van 14 november 1996 schreef de gemachtigde ambtenaar dat de grond gelegen was binnen een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's en besloot dat gelet op de tegenstrijdigheid met de bestemming van het gewestplan (KB van 5 april 1977), er ter plaatse geen warenhuis voor detailhandel kon worden toegestaan.
- Bij Besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 1997 houdende definitieve vaststelling van het gewestplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Sint-Truiden - Tongeren op het grondgebied van de gemeente Sint-Truiden (B.S. 8 november 1997) werden de litigieuze percelen definitief opgenomen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het bezwaar van de NV Bazimo d.d. 2 april 1997 tegen het ontwerp tot wijziging van het gewestplan Sint-Truiden - Tongeren (Besluit van 22 oktober 1996 van de Vlaamse Regering) werd verworpen.
- Op 27 maart 2002 verzocht GCV Redevco Immo om een stedenbouwkundig attest nummer 1 betreffende het perceel. De gemachtigde ambtenaar schreef in zijn advies d.d. 3 juni 2002 dat het goed "gelegen (is) binnen een landschappelijk waardevol agrarisch gebied" en dat "het advies van de Administratie Wegen en Verkeer, afdeling Wegen Limburg, dient gevolgd te worden (perceel langs een gewestweg). Een verder advies kan slechts verstrekt worden na voorlegging van concrete gegevens als voorzien voor aanvraag van een stedenbouwkundig advies nr. 2." Het advies van het gemeentebestuur Sint-Truiden d.d. 28 juni 2002 luidde: "gunstig, attest verlenen met het advies van stedenbouw". IV. Bespreking 1°. De ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering
- Het bestreden vonnis stelt dat de vordering onontvankelijk is omdat huidige appellante in gebreke blijft te bewijzen dat de percelen grond gelegen te Sint-Truiden, aan de Zoutleeuwsesteenweg en kadastraal gekend onder sectie G, met nummers 145/c, 146/b, 147/a en 149/c haar eigendom zijn. De vraag naar het eigendomsrecht van appellante over de litigieuze percelen raakt echter de gegrondheid van de vordering en niet de ontvankelijkheid ervan. Feit is dat Redevco aanspraak maakt op het eigendomsrecht over al de litigieuze percelen. Het behoort het hof het bestaan van deze rechten na te gaan in het kader van het onderzoek ten gronde. In die mate is het hoger beroep gegrond.
- Het uitblijven van administratief verhaal en van beroep bij de Raad van State kan evenmin de niet-ontvankelijkheid van de vordering voor de burgerlijke rechter voor gevolg hebben. Alleszins was appellante op grond van art. 6 van het EVRM gerechtigd om een vordering op grond van art. 1382 B.W. of een planschadevordering voor de burgerlijke rechter in te stellen. 2° De verjaring van de vordering op grond van art. 1382 B.W.
- Volgens appellante is het gewestplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Sint-Truiden - Tongeren op het grondgebied van de gemeente Sint-Truiden (Besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 1997) op onwettige wijze tot stand gekomen. Het bezwaarschrift dat zij indiende tegen het ontwerp gewestplan werd zonder afdoende motivering afgewezen en deze verwerping steunt op een volledig gebrekkig, onduidelijk en tegenstrijdig advies van de Streekcommissie. Appellante stelt dat de overheid het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden doordat haar eigendom zonder toekenning van een passende schadevergoeding met een ernstige erfdienstbaarheid werd aangetast. Het Vlaamse Gewest zou zich bovendien hebben schuldig gemaakt aan machtsafwending.
- De vijfjarige verjaringstermijn bepaald bij art. 100 van het K.B. van 17 juli 1991 houdende de coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit (voorheen art. 1 van de wet van 6 februari 1970) is ook van toepassing op vorderingen ten laste van de overheid op grond van art. 1382 B.W. Deze verjaringstermijn is van toepassing op de vorderingen op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid wanneer het nadeel en de identiteit van de daarvoor aansprakelijke onmiddellijk kunnen worden vastgesteld .
- Te dezen heeft appellante zich vanaf de bekendmaking van het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 1997 rekenschap kunnen geven van het door haar opgelopen nadeel uit de rangschikking van haar goederen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en kon zij ook onmiddellijk de aansprakelijke identificeren, met name de bevoegde Streekcommissie die een gebrekkig advies zou hebben verstrekt en het bestuur dat het besluit tot vaststelling van het gewestplan had genomen. In haar "aanvullende conclusie na tweede beroepsconclusie" laat appellante overigens gelden dat zij vanaf 8 november 1997 kennis kon nemen van de schade die haar werd toegebracht. Zij lijdt hieruit verkeerdelijk af dat de verjaringstermijn een aanvang nam op deze dag (om te verstrijken op 7 november 2002) zonder een juiste toepassing te maken van artikel 100 van het K.B. van 17 juli
- De schuldvordering op grond van art. 1382 B.W., die door appellante niet werd overgelegd, is eigenlijk verjaard na verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij is ontstaan, anders gezegd te rekenen vanaf 1 januari
- Deze verjaring is overigens van openbare orde en kon voor het eerst in hoger beroep worden ingeroepen (art. 2224 B.W.). De vordering op grond van art. 1382 B.W. was bijgevolg verjaard op 31 december 2001, terwijl de dagvaarding dateert van 13 juli
- 3°. De vordering tot planschade
- Artikel 35, derde lid, van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening bepaalt: Het recht op schadevergoeding ontstaat ofwel bij overdracht van het goed ofwel bij de weigering van een bouw- of verkavelingsvergunning of nog bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest.
- Geïntimeerde stelt dat de vordering van appellante niet toelaatbaar is omdat zij geen negatief stedenbouwkundig attest nr. 2 overlegt maar slechts een stedenbouwkundig attest nr. 1, dat inlichtingen verschaft over het goed "onder voorbehoud van de uitslag van het beslissend onderzoek waaraan de zaak zou worden onderworpen ingeval u een bouw- of verkavelingsaanvraag mocht indienen".
- Een op artikel 35 gegronde vordering tot schadeloosstelling is niet toelaatbaar zolang de afgifte van een bouw- of verkavelingsvergunning aan de eiser niet is geweigerd of deze geen negatief stedenbouwkundig attest heeft verkregen . Een stedenbouwkundig attest is "negatief" in de zin van art. 37, derde lid, van de wet van 29 maart 1962, o.m. wanneer het een bestemming vermeldt waaruit een bouw- of verkavelingsverbod voortvloeit . De enige omstandigheid dat appellante een stedenbouwkundig attest nr. 1 en niet nr. 2 voorlegt laat niet toe te besluiten dat het recht op vergoeding niet is ontstaan .
- Te dezen houdt het stedenbouwkundig attest nr. 1 van 28 juni 2002 enerzijds de inlichtingen in die verstrekt werden door de gemachtigde ambtenaar (Bestuur van Stedenbouw en de Ruimtelijke Ordening) volgens welke de betrokken grond volgens het gewestplan gelegen is binnen een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Anderzijds eindigt het stedenbouwkundig advies met het advies van het gemeentebestuur luidend: "gunstig, attest verlenen met het advies van stedenbouw" (onderlijning door het hof). Het is bijgevolg uitgesloten zonder de bewijskracht van dat stuk te miskennen, te stellen dat het stedenbouwkundig attest negatief is .
- In deze omstandigheden legt appellante geen negatief stedenbouwkundig attest voor.
- Appellante legt stukken neer m.b.t. de oorsprong van eigendom van de litigieuze gronden en haar eigendomsrechten. GCV Redevco Industrial Belgium is eigenaar van de percelen te Sint-Truiden o.m. ten gevolge van hierna opgesomde titels: - na inbreng van de goederen door de NV Bazimo in de NV Imodis ingevolge fusie door opslorping bij akte van 22 mei 1997 verleden voor notaris Van der Vorst te Elsene; - na overdracht van de goederen te Sint-Truiden door de NV Imodis aan de NV GIB Immo, later Redevco Immo, bij akte van 20 april 1999 (zie blz. 3 e.v.) verleden voor notaris Van der Vorst te Elsene; - na de fusie door opslorping van de GCV's Redevco Immo, Redevco Shop en Ileas door GCV Redevco België bij akte nr. 74 van 21 augustus 2002 verleden voor notaris Muller te Waasmunster; bij deze akte (zie blz. 5-8) werden o.m. de gronden te Sint-Truiden overgedragen door de vennootschap Redevco Immo aan Redevco België; - na de splitsing van NV Redevco België in drie entiteiten: Redevco Retail Belgium, Redevco Offices Belgium en appellante (GCV Redevco Industrial Belgium, opgericht bij akte van 31 juli 2002) bij akte nr. 75 van 21 augustus 2002, ook verleden voor notaris Muller te Waasmunster; blijkens deze akte (zie blz. 9-14) worden o.m. de onroerende goederen te Sint-Truiden overgedragen in volle eigendom door Redevco België aan appellante.
- Er worden dus wel opeenvolgende akten van overdracht van de goederen voorgelegd. Het recht op planschadevergoeding is echter ontstaan in hoofde van de NV Imodis die ten tijde van de inwerkingtreding van het gewestplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Sint-Truiden - Tongeren op het grondgebied van de gemeente Sint-Truiden, vastgelegd bij het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 1997, eigenares was van de percelen oorspronkelijk opgenomen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's. Uitsluitend de NV Imodis kan aanspraak maken op de waardevermindering of aantasting van het eigendomsrecht voortvloeiend uit gezegde gewestplan. Appellante bewijst evenmin dat de rechten op planschadevergoeding aan haar of aan haar rechtsvoorgangster GCV Redevco Immo overgedragen werden. Het hoger beroep is bijgevolg ongegrond. 4°. De gerechtskosten
- Met ingang van 1 januari 2008 zijn de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat en het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek in werking getreden en dienen vanaf dan de nieuwe tarieven inzake de verschuldigde RPV toegepast te worden op de hangende zaken. Ter zitting hebben partijen verklaard het basistarief van de rechtsplegingsvergoeding te vorderen. Gelet op het gevorderde bedrag (boven 1.000.000 euro ) bedraagt de RPV te dezen 15.000 euro . OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende na tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch enkel gegrond in zoverre het bestreden vonnis de oorspronkelijke vordering onontvankelijk verklaarde. Opnieuw rechtsprekende, enkel op dit punt, verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het hoger beroep voor het overige ongegrond. Veroordeelt appellante tot de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van geïntimeerde op 15.000 euro rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 22/04/08 waar aanwezig waren en zitting hielden : A. DE PREESTER, Raadsheer dd. Voorzitter, E. JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, M. DEBAERE, Raadsheer, V. DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.