id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 22 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080422.8 Rolnummer: 2007/AR/326 Rechtsgebied: Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2008-05-29 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 17:21 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Beneluxmerk - Onderscheidend karakter - inburgering HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Beneluxmerk - Toetsing op absolute gronden Beneluxmerk Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL18° KAMER Nr.: Na beraad, wijst volgend arrest : A.R. Nr. 2007/AR/326 Rep.nr.: 2008/ IN ZAKE VAN : N.V. JANSSEN PHARMACEUTICA, met maatschappelijke zetel te BELGIE, 2340 Beerse, Turnhoutseweg 30, ingeschreven met KBO-nummer 0403.834.160, eiseres, Kamer 18 vertegenwoordigd door Mter DE HAAN Tanguy en Mter PETERS Philippe, advocaten te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg, 177 bus 6. TEGEN : EINDARREST DE BENELUX-ORGANISATIE VOOR DE INTELLECTUELE EIGENDOM, opgericht krachtens het Benelux-Verdrag inzake Intellectuele Eigendom, met rechtspersoonlijkheid, waarvan de zetel gevestigd is te NEDERLAND, 2591 XR Den Haag, Bordewijklaan 15, vertegenwoordigd door de directeur-generaal van zijn Bureau. verweerster, vertegenwoordigd door Mter DE GRYSE Ludovic, en Mter DAUWE Brigitte, advocaten te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat 25, Over de rechtspleging. 01. Bij de inleidende akte werd het hof geadieerd met toepassing van artikel 2.12 van het Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom van 25 februari 2005 betreffende een beslissing tot doorhaling van een inschrijving van een depot waarvan op 30 november 2006 kennis werd gegeven door het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE). 02. Het verzoekschrift werd op 30 januari 2007 in een naar vorm beschouwd regelmatige akte ingediend op de griffie van het hof binnen de termijn van twee maanden voorgeschreven bij artikel 2.12.1 BVIE. 03. De advocaten van de partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 22 februari 2008. De feiten, het onderwerp van de vordering en de standpunten. 04. Eiseres heeft op 26 januari 2006 bij het toenmalige Benelux- Merkenbureau -thans het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom- een depot verricht van een woordmerk ‘ SUMMER SKIN' voor waren uit de administratieve klassen 3 en 5. Ze heeft als te beschermen waren aangegeven: cosmetische producten en toiletverzorgingsmiddelen voor de huid; haarverzorgings- en reinigingsmiddelen (K3) en medicinale preparaten voor de topische behandeling en bescherming van de huid en de hoofdhuid ( K5). 05. Het depot is bekend onder het nummer 1101923 en het werd bij toepassing van artikel 6 E van de voorheen toepasselijke Benelux Merkenwet -thans artikel 2.8.2 BVIE- op 30 januari 2006 onverwijld ingeschreven onder het nummer 0790475. Artikel 2.8.2 voorziet in de mogelijkheid voor het Bureau om tot de doorhaling van dergelijke inschrijving te besluiten. 06. Bij brief van 14 februari 2006 deelde het Benelux-Merkenbureau aan eiseres mee dat zij het voornemen had om de inschrijving van het teken door te halen omwille van volgende reden(en): ‘Het teken SUMMER SKIN is uitsluitend samengesteld uit de soortnamen summer (Engels voor: zomer) en skin (Engels voor: huid) en kan dienen tot aanduiding van soort, hoedanigheid en bestemming van de in de klassen 3 en 5 genoemde waren die betrekking hebben op een zomerhuid. Derhalve mist het teken ieder onderscheidend vermogen (zie artikel 6bis, eerste lid onder b. en c. van de Eenvormige Beneluxwet in bijlage).' Met de verwijzing naar artikel 6bis, eerste lid onder b. en c. van de Eenvormige Beneluxwet wordt gedoeld op het bepaalde in het huidige artikel 2.11.1. b. en c. BVIE. Het betreft de gevallen van ontstentenis van elk onderscheidend vermogen (2.11.1. b.) en van de omstandigheid dat het merk uitsluitend bestaat uit tekens of benamingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, hoedanigheid, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst of het tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of de diensten (2.11.1. c.). Het voornemen tot doorhaling staat in die procedure gelijk met een ‘voorlopige beslissing tot weigering'. 07. De merkgelastigde van eiseres heeft bij brief van 13 juli 2006, - en aldus tijdig, binnen de termijn bepaald in het uitvoeringsreglement van de Benelux Merkenwet - tegen deze voorlopige weigering bezwaren geformuleerd en verzocht om herroeping ervan. Ze wees er op dat het teken ‘summer skin', begrepen als een geheel en vertaald als ‘zomerhuid' niet beantwoordt aan een bestaand woord. Zij preciseerde dat het teken wel een ‘toespeling maakt op de toepassing van de producten op de huid' maar dat de combinatie van de twee woorden ‘geen direct te begrijpen aanduiding (vormt) waarmee de consument op ondubbelzinnige wijze wordt geïnformeerd over de soort, hoedanigheid of bestemming van de betreffende waren'. Hieruit wordt besloten dat het teken voldoende onderscheidend vermogen bezit. Ze heeft ook vermeld dat heel onlangs het teken in het Verenigd Koninkrijk als merk werd geaccepteerd. 08. Op 17 augustus 2006 betekende het BMB dat het depot voorlopig geweigerd bleef. Ze motiveerde die beslissing als volgt. Het enkele feit dat een woord als zodanig niet bestaat, heeft niet voor gevolg dat het ook onderscheidend vermogen bezit. Daarenboven blijkt uit een zoektocht op internet via Google dat zowel ‘summer skin' als ‘zomerhuid' gebruikt worden als een aanduiding voor ‘een huid in de zomer'. Onder verwijzing naar het verklarende woordenboek online ‘Webster' geeft ze aan ‘summer skin' als betekenis ‘huid waarmee je de zomer doorkomt'. Uit dit gegeven leidt ze vervolgens af dat het teken ‘summer skin' kan dienen om de soort, hoedanigheid of bestemming van de bij het depot opgegeven waren aan te duiden en zodoende stoot op de absolute weigeringsgrond uit artikel 6bis, eerste lid, sub c. BMW. Verder geeft ze aan dat uit de toetsing van het gedeponeerde teken naar het recht van het Verenigd Koninkrijk en de navolgende inschrijving aldaar niet voortvloeit dat het teken ook naar het recht van de Benelux onderscheidend vermogen moet worden toegeschreven. 09. Op 30 november 2006 betekende het BBIE aan eiseres dat de inschrijving werd doorgehaald aangezien de bezwaren niet binnen de gestelde termijn waren opgeheven. Ofschoon de inleidende akte voor het hof enkel deze brief van 30 november 2006 aanwijst als bestreden akte, lijdt het nochtans geen twijfel dat ook de beslissing vervat in de brief van 17 augustus 2006 wordt geviseerd. De brief van 30 november 2006 bevat immers geen enkele motivering en verwijst naar ‘onze correspondentie betreffende de voorlopige beslissing tot weigering van 14 februari 2006'. Daarentegen wordt in de brief van 17 augustus 2006 vermeld dat het depot voorlopig geweigerd werd. De brieven van 30 november 2006 en 17 augustus 2006 vormen als beslissing dan ook één geheel. 10. Voor het hof vordert eiseres om het Bureau te bevelen om de inschrijving van het woordmerk SUMMER SKIN niet door te halen. Ze voert tegen de voorgenomen doorhaling volgende bezwaren aan. Volgens haar heeft het Bureau bij het onderzoek omtrent de weigeringsgrond uit artikel 2.11.1 c. niet nagegaan of elk van de woorden uit het merk, afzonderlijk genomen, beschrijvend zijn voor de producten waarvoor het merk is ingeschreven. Ze geeft aan dat het woord ‘skin' beschrijvend is voor sommige van de producten die onder de merkbescherming vallen, maar dat het woord ‘summer' helemaal niet beschrijvend is voor welk kenmerk dan ook van de geviseerde producten. Ze betwist in dit verband dat met ‘summer' een hoedanigheid kan uitgedrukt worden aldus begrepen dat het zou gaan om producten die gebruikt worden tijdens de zomer. Ondergeschikt voert ze hieromtrent nog aan dat mocht het Bureau in deze stelling worden gevolgd, de combinatie van de twee woorden niettemin geen direct te begrijpen aanduiding oplevert waarmee de gemiddelde consument op ondubbelzinnige wijze wordt geïnformeerd over de soort, hoedanigheid of bestemming van de betrokken producten. Ook wijst ze op de beslissingspraktijk van het Bureau waaruit blijkt dat de woorden ‘summer' en ‘skin' in tal van merkinschrijvingen werden aanvaard en het woord ‘skin' inzonderheid ook voor waren uit de klasse 3. Inzake de weigeringsgrond uit artikel 2.11.1.b. voert ze aan dat een ‘minimaal onderscheidend vermogen' voldoende is. De combinatie ‘summer skin' is volgens haar fantasievol en berust op korte woorden met klanken die samen goed in het oor liggen. Ze schrijft het een evocatief karakter toe. De vergelijking met het gewone taalgebruik zou geen probleem stellen omdat het teken ‘summer skin' als zodanig niet bestaat. In dit verband via Google peilen naar het gebruik van die gevoegde termen -en a fortiori naar een vertaling ervan als ‘zomerhuid'- is volgens eiseres geheel irrelevant en zelfs bekritiseerbaar. Ten slotte werpt ze tegen dat als het zo zou zijn dat het teken initieel geen onderscheidend vermogen bezat, het dit door gebruik heeft verkregen. 11. Het Bureau handhaaft zijn standpunt dat het voorlopig geregistreerde merk moet worden doorgehaald op basis van de beide door haar opgeworpen gronden tot weigering. Het besluit zodoende tot verwerping van de vordering. Het Bureau stelt dat de combinatie van de twee banale woorden ‘skin' en ‘summer' in het normale taalgebruik kan dienen tot aanduiding van een hoedanigheid en/of soort of bestemming van de waren waarvoor de inschrijving wordt gevraagd. Het woord ‘summer' geeft volgens haar aan dat het gaat om producten die gebruikt worden tijdens de zomer en het woord ‘skin' dat ze bestemd zijn voor behandeling van de huid. Ze wijst er onder meer op dat een bedrijf dat tot dezelfde groep behoort als eiseres het product ‘Roc Hydra + Summer Skin' al gebruikt met de toelichting ‘de naam zegt reeds veel' en de melding dat het product ervoor zorgt dat het ganse jaar een mooie zongebruinde teint kan worden bewaard. Het betrokken publiek, dat gevormd wordt door de doorsnee consument, legt volgens haar dan ook zonder verdere analyse of nadenken het verband met de omschrijving van de hoedanigheid of de soort van het product. Inzake het onderscheidend vermogen doet ze gelden dat de twee beschrijvende woorden gewoon naast elkaar worden geplaatst en dat de combinatie ervan niets extra biedt ten aanzien van de loutere som van de beide woorden. Zodoende blijft, wegens het beschrijvende karakter van het teken, dat het ieder onderscheidend vermogen mist. Zou het teken geen beschrijvend karakter worden toegemeten, dan blijft volgens het Bureau nog dat de twee banale gebruikelijke woorden in een -blijkens het internetonderzoek- gebruikelijke combinatie geen onderscheidend vermogen opleveren. Ten slotte merkt het Bureau betreffende zijn beslissingpraktijk op dat elk depot wordt beoordeeld in functie van de concrete omstandigheden van het geval. Beoordeling. 12. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie EG (arrest inzake Koninklijke KPN Nederland [Postkantoor] van 12 februari 2004, C-363/99, punten 31, 35, 36 en 73, en arrest inzake MT & C [The Kitchen Company] van 15 februari 2007, C-239/05, punten 31 tot en met 36) gelden samengevat volgende beginselen wanneer een merkenautoriteit zijn onderzoek verricht naar de inschrijving van een merk. Het onderzoek naar het onderscheidend vermogen mag niet in abstracto worden gevoerd, maar dient rekening te houden met alle relevante feiten en omstandigheden van de registratieaanvraag. De afweging van die relevante feiten en omstandigheden dient te gebeuren tot op het ogenblik waarop een definitieve beslissing wordt genomen over de aanvraag. De toetsing dient te geschieden voor ieder van de waren of diensten en desgevallend kan de merkenautoriteit voor de in aanmerking genomen waren en diensten tot uiteenlopende conclusies komen. Voor elk van de in de aanvraag om inschrijving opgegeven waren en diensten dient de conclusie te worden vermeld, maar wanneer eenzelfde weigeringsgrond wordt ingebracht voor een categorie of groep van waren of diensten kan een globale motivering volstaan. 13. De rechterlijke instantie bij wie een verhaal is ingesteld tegen de beslissing van de merkenautoriteit dient eveneens rekening te houden met alle relevante feiten en omstandigheden binnen de grenzen van de uitoefening van haar bevoegdheden, zoals vastgesteld door de toepasselijke nationale regelgeving. Het Benelux Gerechtshof heeft de artikelen 6bis en 6ter van de BMW (thans de artikelen 2.11 en 2.12 van het BVIE) aldus uitgelegd dat in geval van een verhaal tegen een weigeringsbeslissing van het Bureau en de geadieerde rechter de aangevoerde weigeringsgrond niet beaamt, hij verplicht is om, desgevallend ambtshalve, te onderzoeken of een andere weigeringsgrond aan de inschrijving in de weg staat, na partijen hieromtrent te hebben gehoord (BGH, arrest van 29 juni 2006, zaak d'Ieteren). Verder heeft het Benelux Gerechtshof eveneens beslist dat wanneer een depot slaat op verschillende waren of diensten uit een administratieve klasse, de geadieerde rechter een bevel beperkt tot inschrijving voor één of enkele van die waren of diensten enkel kan geven in de mate dat ook het Bureau over één of enkele van die waren of diensten heeft beslist en zich niet heeft beperkt tot een beslissing over het geheel van die klasse. De beoordeling dient te steunen op de gegevens die door het Bureau in aanmerking werden genomen of hadden moeten worden genomen (BGH, arrest van 15 december 2003, inzake BMB/Vlaamse Toeristenbond). 14. Bij de toetsing van de beslissing van het BVIE dient voor ogen gehouden te worden dat de uitvoering van de opdracht als doel heeft de vrijwaring van het algemeen belang, dat als oogmerk bij elk van de weigeringsgronden voorzit (HvJ EG 18 juni 2002 inzake Philips, C-299/99, punt 77; HvJ EG 06 mei 2001 inzake Libertel, Z.C.- 104/01, punt 51; HvJ EG 12 februari 2004 inzake Koninklijke KPN, C-363/99, punt 55; HvJ EG 16 september 2004 inzake SAT.1, C-239/02 punt 25; HvJ EG 19 april 2007 inzake Celltech, C-273/05, punt 74). Het algemeen belang kan aan de toewijzing van een onderscheidend teken aan een merkhouder in de weg staan, wanneer zulks onevenredige hinder zou veroorzaken ten nadele van nieuwe marktdeelnemers, precies doordat het teken onderscheidende elementen bezwaart die eenieder ter beschikking dienen te staan. In die mate primeert de vrije en correcte mededinging op de toewijzing aan een potentiële titularis van exclusieve en in de tijd onbeperkt hernieuwbare merkenrechten op een teken. 15. De absolute weigeringsgrond bedoeld in artikel 2.11.1 b. BVIE die de afwezigheid van ieder onderscheidend vermogen betreft, beantwoordt aan deze ingesteld bij artikel 3, 1.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.