← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080429.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 29 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080429.8 Rolnummer: 2007/SF/3 Rechtsgebied: Financieel recht Invoerdatum: 2009-04-17 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 17:23 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Overnamebod Vrije woorden: art. 18 ter wet 1989 - geding inleidend verzoekschrift - taal van de akte - nietigheid van de akte Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL 18° KAMER Nr.: na beraad, wijst volgend arrest : A.R. Nr. 2007/SF/3 Rep.nr.: 2008/3387 IN ZAKE VAN : Kamer 18

  1. ..... EINDARREST Verzoekers, vertegenwoordigd door Meester CALLENS Hugo, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Brusselstraat, 59 en Meester CREPLET Olivier, advocaat met kantoor te 1050 BRUSSEL, Louizalaan,
  2. TEGEN :
  3. SA SUEZ, naamloze vennootschap naar Frans recht, met maatschappelijke zetel te 75008 Parijs (Frankrijk), 16 rue de la Ville l'Evêque, ingeschreven in het handelsregister te Parijs onder het nummer 542 062 559, Verweerster, met als raadslieden, Meester NELISSEN GRADE Jean-Marie, en Meester VANDE WALLE Simon, advocaten te 1000 BRUSSEL, Brederodestraat,
  4. NV ELECTRABEL, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Regentlaan, 8, en met ondernemingsnummer 0403.170.701, Partij aanwezig voor gemeenverklaring van het arrest, met als raadsman Meester Jan MEYERS, advocaat te 1040 BRUSSEL, Wetstraat, 57,
  5. De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, met zetel te 1000 BRUSSEL, Congresstraat, 12 -
  6. Partij aanwezig voor gemeenverklaring van het arrest, vertegenwoordigd door Meester PEETERS Jan en Meester STEVENS Olivier, advocaten te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat,
  7. I. Over de rechtspleging.
  8. Verzoekers hebben op 11 juli 2007 een verzoekschrift ingediend op de griffie van het hof op basis van artikel 18 ter van de wet van 02 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen.
  9. Alle partijen hebben schriftelijke opmerkingen ingediend binnen de gestelde termijnen.
  10. De advocaten van de partijen en verzoeker Geenen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 22 februari
  11. Na sluiting van de debatten werd de zaak in beraad gesteld op 11 maart
  12. II. Beknopte weergave van de feiten - het onderwerp van de vordering - de standpunten.
  13. Verzoekers voeren in de inleidende akte aan dat de vennootschap Suez, die na een openbaar overnamebod in bezit was van meer dan 95% van de aandelen Electrabel, een gedwongen uitkoopbod (‘squeeze out') uitbracht op de resterende uitstaande 755.403 aandelen, die overeenstemmen met 1,38% van het maatschappelijk kapitaal. Het uitkoopbod liep van 26 juni 2007 tot 09 juli
  14. Ze bezaten samen 231 aandelen Electrabel.
  15. Suez bood 590 euro per aandeel, hetgeen volgens verzoekers ontoereikend is. Ze oefenen kritiek op de methode die toegepast werd voor de waardeberekening van een aandeel Electrabel, maar hun essentiële grief bestaat erin dat bij de waardering geen rekening werd gehouden met het feit dat omzeggens vaststaat dat de kerncentrales waarvan Electrabel eigenaar is ook na 2015 in bedrijf zullen blijven. Naar hun inzien diende de waarde per aandeel op 200 euro meer te worden begroot. Volgens het mechanisme van het uitkoopbod werden de verzoekers gedwongen om hun aandelen over te dragen aan Suez tegen betaling van de geboden prijs.
  16. Verzoekers vragen in hoofdorde om " verweerster te veroordelen tot betaling aan verzoekers van een som van 200 euro per aandeel Electrabel dat ze bezitten, als raming ex aequo et bono van de meerwaarde waartoe zij gerechtigd zijn om aan de in het kader van het uitkoopbod geboden prijs een billijk karakter te geven". In ondergeschikte orde vragen ze het volgende: - te zeggen dat ‘hic et nunc' de modaliteiten en voorwaarden van het uitkoopbod, zoals opgenomen in het prospectus, niet van aard zijn de belangen van verzoekers veilig te stellen, inzonderheid gelet op het gebrek aan informatie betreffende de impact op de waarde van het aandeel Electrabel van een verlenging van de levensduur van de kerncentrales en gelet op het gebrek aan rechtvaardiging in de prospectus van de door Suez verdedigde stelling dat deze verlenging geen invloed zou hebben op de waarde van het aandeel; - één of meerdere gerechtsdeskundigen aan te stellen met als zending zijn (hun) advies te geven over de impact op de waarde van Electrabel, van een verlenging van de levensduur van de kerncentrales en over de correctheid van het door Suez in haar prospectus daarover ontwikkelde standpunt; - in afwachting van de neerlegging van het deskundig verslag en, indien het hof het nodig acht, in afwachting van een nieuw regeerakkoord omtrent het lot van de Belgische kerncentrales, verweerster te veroordelen tot de betaling van een provisionele premie van 1 euro extra per aandeel dat verzoekers bezitten. Verder vragen ze om het arrest gemeen te verklaren aan Electrabel en de CBFA en Suez te veroordelen in de kosten. Inzake de rechtsplegingsvergoeding vragen ze het basisbedrag van 2.500 euro en voor het geval ze in het ongelijk mochten worden gesteld, vragen ze die vergoeding te beperken tot het minimumbedrag van 1.000 euro.
  17. Suez, die ten gronde betoogt dat de geboden prijs de belangen van de aandeelhouders veilig stelt, werpt een aantal middelen tegen waardoor het hof volgens haar niet kan toekomen aan de beoordeling van de grond van de vordering. In eerste instantie meent ze dat de inleidende akte nietig is wegens schending van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken : het verzoekschrift is niet geheel gesteld in het Nederlands. Verder stelt ze dat de vordering niet kan worden ontvangen wegens laattijdigheid : een vordering die wordt ingesteld op grond van artikel 18 ter van de wet van 02 maart 1989 moet op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van vijftien dagen nadat de eiser kennis heeft gekregen van het feit waarop zijn vordering steunt. Ook doet ze gelden dat de toepasselijke regelgeving inzake een openbaar uitkoopbod, inzonderheid artikel 45,4° van het koninklijk besluit van 08 november 1989, aan de aandeelhouder geen subjectief recht verleent op een meerprijs of op de aanstelling van een deskundige.
  18. Electrabel trekt het belang in twijfel dat de verzoekers kunnen hebben om haar het arrest gemeen te doen verklaren. Ze werpt net als Suez tegen dat de vordering te laat werd ingesteld, dat ze dientengevolge is vervallen en zodoende niet meer kan worden ontvangen. Ze stelt verder dat binnen het stelsel van een uitkoopbod het hof niet de bevoegdheid heeft om a posteriori de prijs te herzien of te bepalen en dat in de procedure ervoor een aantal waarborgen zijn ingebouwd ter vrijwaring van de belangen van de aandeelhouders. Zou het tegendeel worden aangenomen, dan dient de omvang van de rechterlijke toetsing in elk geval beperkt te blijven tot het geval waarin een kennelijke onderwaardering voorhanden is, hetgeen in de voorliggende vordering niet het geval is.
  19. De CBFA stelt eveneens dat verzoekers geen dadelijk en verkregen belang hebben om haar in gemeenverklaring op te roepen aangezien ze er geen voordeel kunnen bij hebben om het gezag van gewijsde van het uit te spreken arrest tot haar uit te breiden. Ze wijst er in dit verband op dat verzoekers geen enkele van de beslissingen die ze heeft genomen omtrent het uitkoopbod hebben aangevochten en dat ook nu haar geen enkele onzorgvuldigheid in de uitoefening van haar opdracht wordt verweten. III. Beoordeling.
  20. Het middel inzake de nietigheid van het inleidende verzoekschrift wegens schending van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken is gesteund op de regel dat de rechtspleging ééntalig is, terwijl de inleidende akte citaten in het Frans bevat, zonder vertaling of weergave van de zakelijke inhoud ervan in het Nederlands.
  21. Verzoekers achten het niet toelaatbaar dat een Franse onderneming aanvoert dat een akte nietig is omdat ze passages bevat die in haar eigen taal zijn gesteld. Overigens is het middel volgens hen ongegrond omdat de vordering niet steunt op de inhoud van de citaten enerzijds en de inhoud bovendien elders in het verzoekschrift zakelijk is weergegeven.
  22. Op de derde, vierde en vijfde bladzijde van het verzoekschrift komen een aantal paragrafen voor in het Frans. De vermelding in het Frans op de derde bladzijde geeft de inhoud weer van de kennisgeving die de CBFA op 20 maart 2007 heeft bekendgemaakt bij toepassing van artikel 56 van het koninklijk besluit van 08 november 1989, nadat ze die daags voordien van Suez had ontvangen. Het betreft het voornemen van Suez om een openbaar uitkoopbod te verrichten aan een prijs van 590 euro per aandeel. De vermeldingen op de vierde en vijfde bladzijde betreffen citaten uit een brief van de CBFA van 04 mei 2007, gericht aan verzoeker Geenen, waarbij zij met toepassing van artikel 57 van het zo-even vermelde koninklijk besluit een kopie bezorgt van haar schrijven aan Suez, waarbij ze de grieven van de minderheidsaandeelhouders meedeelt. Bij geen van deze passages wordt een vertaling of een zakelijke weergave van de inhoud in het Nederlands verstrekt.
  23. Uit het geheel van de artikelen 1 tot en met 10 die het eerste hoofdstuk vormen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken -verder ook geciteerd als ‘de taalwet in gerechtszaken- blijkt dat een rechtspleging uitsluitend in het Nederlands, het Frans of het Duits wordt gevoerd. Deze eentaligheid heeft voor gevolg dat alle akten van de rechtspleging uitsluitend in de taal van de rechtspleging moeten zijn gesteld.
  24. In het voorliggende geschil houdt het hof geen zitting als appèlrechter en zodoende geldt er inzake taalgebruik geen beperking zoals deze die verbonden is aan de toepassing van artikel 24 van de taalwet in gerechtszaken. De verzoekers hebben blijkens de inleidende akte als taal van de rechtspleging gekozen voor het Nederlands, hetgeen hen vrij stond.
  25. Krachtens artikel 18 ter §3 van de inmiddels opgeheven wet van 09 maart 1989 dient de vordering te worden ingeleid bij een ondertekend verzoekschrift, dat ondermeer de uiteenzetting van de middelen moet bevatten, op straffe van niet ontvankelijkheid. In het voorliggende geval bevat het inleidende verzoekschrift een rubriek ‘ de feiten' en een rubriek ‘de vordering'. De door Suez geïncrimineerde passages maken deel uit van de rubriek ‘feiten'.
  26. Een akte van rechtspleging wordt geacht geheel in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte in die taal zijn gesteld. De verzoekers oordelen zelf hoe gedetailleerd ze hun middelen uiteenzetten, maar wanneer deze ook feitelijke gegevens bevatten, dienen de partijen die in het geding zijn geroepen hiervan kennis te kunnen nemen in de taal van de rechtspleging (Cass. 18 oktober 2004, www.juridat.be). Vermeldingen in een andere taal dan deze van de rechtspleging zijn niet toegelaten, ongeacht de rubriek waaronder de voorkomen, zonder weergave van de vertaling of van de zakelijke inhoud ervan (Cass.26 september 2005, www.juridat.be).
  27. De passages in het inleidende verzoekschrift die enkel in het Frans zijn gesteld, betreffen uittreksels uit briefwisseling uitgaande van de CBFA en de zakelijke inhoud ervan wordt niet weergegeven. Verzoekers stellen wel dat die inhoud elders in het verzoekschrift wordt weergegeven, maar aangezien dit niet vermeldt wat als zakelijke inhoud van die passages moet worden begrepen, ontbreekt precies de mogelijkheid om die bewering te toetsen.
  28. Aan de toepassing van het bovenstaande wordt geen afbreuk gedaan wegens de omstandigheid dat Suez een vennootschap is naar Frans recht en ze zodoende de bewuste passages in de Franse taal begrijpt. De voorschriften uit de taalwet in gerechtszaken behoren tot de openbare orde en de nietigheid wegens schending ervan dient van ambtswege door de rechter te worden uitgesproken.
  29. Artikel 40 van de taalwet in gerechtszaken bepaalt dat de voorschriften van die wet gelden op straf van nietigheid en deze treft in regel de volledige akte (Cass. 26 september 2005, cit). Bijgevolg dient het inleidende verzoekschrift nietig te worden verklaard, weze het dat krachtens de derde alinea van artikel 40 de termijn die op straffe van verval wordt voorgeschreven geldig werd gestuit.
  30. Inzake rechtsplegingsvergoeding maakt Suez aanspraak op betaling van 5.000 euro, het maximumbedrag bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007, wegens de complexiteit van de zaak. Wat haar betreft heeft de vordering een waarde van 46.200 euro. Electrabel liet op de terechtzitting in het midden of een partij in gemeenverklaring aanspraak kan maken op rechtsplegingsvergoeding. De CBFA vraagt om toepassing van het basistarief dat geldt voor vorderingen die niet op geld waardeerbaar zijn (artikel 2 van het evenvermelde koninklijk besluit). Verzoekers menen daarentegen dat slechts het minimumbedrag van 1.000 euro kan worden toegekend en voeren aan dat ze geringere financiële draagkracht hebben.
  31. Artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtsplegingvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Strikt genomen wordt in het voorliggende geval geen enkele partij als zodanig in het gelijk of het ongelijk gesteld. Het hof kon enkel vaststellen dat de inleidende akte nietig is wegens schending van de taalwet. Evenwel lijkt te moeten worden aangenomen dat, gelet op het doeleinde van de regelgeving inzake de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, aan een gedaagde partij een rechtsplegingsvergoeding moet worden toegekend zo gauw de rechtsvordering tegen haar niet slaagt. In het voorliggende geval zijn alle door verzoekers in het geding geroepen partijen dan gerechtigd op een rechtsplegingsvergoeding.
  32. Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 beloopt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding in het geval van Suez 2.500 euro, het maximum 5.000 euro en het minimum 1.000 euro. Ten aanzien van de twee overige in het geding geroepen partijen betreft het een niet op geld waardeerbaar geschil, zodat bij toepassing van artikel 3 van het genoemde besluit het basisbedrag 1.200 euro bedraagt, het maximum 10.000 euro en het minimum 75 euro.
  33. Artikel 1022, alinea 3 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat op verzoek van de partijen en bij een met bijzondere redenen omklede beslissing de rechter de vergoeding kan verminderen of verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maxima en minima te overschrijden. Bij de beoordeling dient onder meer rekening te worden gehouden met de financiële draagkracht van de verliezende partij, maar enkel met het oog op vermindering van het bedrag, de complexiteit van de zaak en het kennelijk onredelijke van de situatie.
  34. Het hof neemt in aanmerking dat over de vordering zelf nog geen uitspraak kon worden gedaan en dat ze opnieuw kan worden ingesteld indien nog geen verval is ingetreden. De exceptie inzake de schending van de taalwet vormt alles behalve complex verweer. Het zou ook kennelijk onredelijk zijn om het basistarief toe te kennen daar waar aan de beoordeling van de vordering zelf niet kon worden toegekomen. Zodoende begroot het hof de rechtspleging die toekomt aan partij Suez op 1.250 euro en deze ten voordele van de partijen Electrabel en CBFA op 600 euro. OM DEZE REDENEN HET HOF, Beslist na tegenspraak, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik van talen in gerechtszaken, Verklaart het inleidende verzoekschrift nietig. Veroordeelt verzoekers tot betaling aan partij Suez van 1.250 euro rechtsplegingsvergoeding en aan de partijen Electrabel en CBFA van 600 euro rechtsplegingsvergoeding. Veroordeelt verzoekers in de overige gedingkosten, begroot op 186 euro voor henzelf. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke achttiende kamer van het hof van beroep te Brussel, op 29 april
  35. waar aanwezig waren en zitting hielden : Paul BLONDEEL Voorzitter Christine SCHURMANS Raadsheer Koenraad MOENS Raadsheer Linda NAESSENS E.a. adjunct-griffier L. NAESSENS K. MOENS C. SCHURMANS P. BLONDEEL Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.