id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 27 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080527.25 Rolnummer: 2004AR2964 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2013-09-26 Raadplegingen: 134 - laatst gezien 2026-07-02 17:33 Fiche Artikel 1993 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat elke lasthebber gehouden is om 'rekenschap te geven van de uitvoering van zijn opdracht en aan de lastgever verantwoording te doen van al hetgeen hij krachtens zijn volmacht heeft ontvangen'. De vordering tot rekenschap veronderstelt niet alleen het bewijs van de opdracht, maar ook van de uitvoering ervan, en van het ontvangen. Het aanvaarden van een lastgeving is echter niet gelijk te stellen met het stellen van daden van lastgeving. Essentieel voor het optreden als lasthebber is het stellen van rechtshandelingen voor rekening van de lastgever. Het sluiten van de overeenkomst van lastgeving maakt in beginsel geen daad uit van lastgeving in hoofde van degene die de aanstelling als lasthebber aanvaardt. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Lastgeving - Begrip en vorm BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Lastgeving - Verplichtingen lasthebber Vrije woorden: Lastgeving. Verplichtingen van de lasthebber. Rekenschap geven: inhoud van dit begrip. Aanvaarden van de lastgeving is op zichzelf geen daad van lastgeving. Rechtsplegingsvergoeding en intresten (art. 557 Ger.W.). Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2004/AR/2964 lastgeving - uitvoering - rekenschap INZAKE VAN : Mevrouw F. V., appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel 4 oktober 2004, vertegenwoordigd door Meester Dirk BÜTZLER, advocaat te 1170 BRUSSEL, Vorstlaan 76, 1ste kamer TEGEN : De heer P. V., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Baudouin DE WULF, advocaat te 1620 DROGENBOS, Kerkstraat 38, Artikel 1993 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat elke lasthebber gehouden is om "rekenschap te geven van de uitvoering van zijn opdracht en aan de lastgever verantwoording te doen van al hetgeen hij krachtens zijn volmacht heeft ontvangen". De vordering tot rekenschap veronderstelt niet alleen het bewijs van de opdracht, maar ook van de uitvoering ervan, en van het ontvangen. Het aanvaarden van een lastgeving is echter niet gelijk te stellen met het stellen van daden van lastgeving. Essentieel voor het optreden als lasthebber is het stellen van rechtshandelingen voor rekening van de lastgever. Het sluiten van de overeenkomst van lastgeving maakt in beginsel geen daad uit van lastgeving in hoofde van degene die de aanstelling als lasthebber aanvaardt. ___________________________________________________________________________
- De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis dat na tegenspraak is gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 4 oktober 2004 (AR 02/2444). De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. F. V. heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 3 december
- Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld. P. V. vraagt in een brief van 4 juli 2005 de wering van de conclusie van F. V. van 30 juni 2005 als laattijdig neergelegd, maar de conclusie is neergelegd binnen de termijn bepaald door de beschikking van 7 januari 2005 met toepassing van artikel 747§2 van het Gerechtelijk Wetboek.
- Het onderwerp van de vordering 2.
- Voor de eerste rechter vorderde F. V. de veroordeling van P. V. tot de betaling aan haar van 419.726,57 EUR als voorlopig saldo, plus de gerechtelijke interesten, en de verzending voor het overige naar de rol "teneinde toe te laten aan verweerder de verschillende punten zoals hernomen in de conclusies te rechtvaardigen". Ondergeschikt vroeg zij een deskundige boekhouder aan te stellen met een welbepaalde opdracht, en te zeggen dat de kosten van de deskundige ten laste zijn van de nalatenschap. P. V. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. 2.
- De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk. Hij verklaarde ze ongegrond voor zover ze betrekking had op de periode voor maart 1997, en zegde dat P. V. niet gehouden is om verantwoording te geven voor beheersdaden gesteld door zijn ouders. Voor het overige stelde hij een deskundige boekhouder aan. 2.
- In hoger beroep herneemt F. V. haar oorspronkelijke vordering. P. V. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.
- De feiten Partijen zijn de kinderen van F. V. en J. W.. Bij notariële akte van 18 december 1989 hebben de ouders aan P. V. een algemene lastgeving verleend. Na het overlijden van Franciscus V. (op 8 april 1990) heeft J. W. een verklaring van 28 november 1993 de lastgeving bevestigd. J. W. overleed op 30 januari
- Op 14 februari 2002 dagvaardde F. V. P. V. om hem te bevelen een overzicht van beheer over te maken van zijn mandaat, een rekeningoverzicht, en een inventaris van inkomsten en uitgaven, op verbeurte van een dwangsom. In conclusie wijzigde zij haar vordering zoals boven omschreven.
- De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
- De eerste rechter De eerste rechter besliste op grond van volgende overwegingen. Als rechtsopvolger van haar ouders, de lastgevers, kan F. V. aan P. V., lasthebber, in beginsel vragen rekenschap te geven van de uitvoering van zijn opdracht en verantwoording van al wat hij krachtens zijn volmacht verkregen heeft. De vordering is echter niet gegrond voor de periode voor maart 1997, omdat niet blijkt dat P. V. tot dan rechtshandelingen heeft gesteld voor de lastgevers, die ook geen opmerkingen hadden gemaakt over zijn daden. Voor de periode vanaf maart 1997, waarvoor P. V. erkent dat hij de goederen van J. W. heeft beheerd, geeft zijn verantwoording op het eerste gezicht voldoening, maar een door F. V. voor te schieten onderzoek kan meer elementen opleveren. 4.
- De rekenschap van de lasthebber F. V. behandelt in conclusie uitvoerig de wettelijke verplichtingen van de lasthebber. Aan de vraag of P. V. heeft voldaan aan die verplichtingen gaat evenwel de vraag vooraf of P. V. daadwerkelijk is opgetreden als lasthebber. Artikel 1993 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat elke lasthebber gehouden is om "rekenschap te geven van de uitvoering van zijn opdracht en aan de lastgever verantwoording te doen van al hetgeen hij krachtens zijn volmacht heeft ontvangen". De eerste rechter leidt uit die bepaling terecht af dat de vordering tot rekenschap niet alleen het bewijs veronderstelt van de opdracht, maar ook van de uitvoering ervan, en van het ontvangen. Uit de concrete overeenkomst blijkt immers niet dat P. V. verplicht was om de facto uitvoering te geven aan de opdracht. P. V. werd in de mogelijkheid gesteld om op te treden als lasthebber, maar de overeenkomst belastte hem niet met de verplichting om voor zijn ouders zekere handelingen te stellen. In die omstandigheden vormt het niet-uitvoeren door P. V. van de lastgeving die hij had aanvaard niet een tekortkoming in de uitvoering. Voor de periode van niet-uitvoering kan P. V. op de vordering van F. V. om rekenschap te geven bijgevolg volstaan met de verklaring dat hij geen rechtshandelingen heeft gesteld. F. V. meent dat P. V. als gevolg van de aanvaarding van de lastgeving in staat moet zijn en gehouden is om een overzicht over te maken van de inkomsten en uitgaven van hun ouders. Dit is niet ernstig, omdat de lastgeving niets afdeed aan de handelingsbekwaamheid van de lastgevers zelf. Een algemeen lasthebber is geen curator of voogd. 4.
- De uitvoering van de lastgeving voor maart 1997 F. V. voert aan dat P. V. ook voor maart 1997 rechtshandelingen heeft gesteld als lasthebber van zijn ouders. F. V. ziet een uitvoering van lastgeving in het feit dat P. V. op 10 april 1990 zou hebben aanvaard "een handtekening te hebben op de bankrekeningen en kluizen van zijn moeder". Het aanvaarden van een lastgeving is echter niet gelijk te stellen met het stellen van daden van lastgeving. Essentieel voor het optreden als lasthebber is het stellen van rechtshandelingen voor rekening van de lastgever. Het sluiten van de overeenkomst van lastgeving maakt in beginsel geen daad uit van lastgeving in hoofde van degene die de aanstelling als lasthebber aanvaardt. Verder beschouwt F. V. als uitvoering van lastgeving: het verrichten van formaliteiten voor de vereffening van de nalatenschap van de vader van partijen, het regelen van huurgeschillen van de onroerende goederen toebehorend aan de moeder van partijen, het vragen van offertes voor werken en het sluiten van overeenkomsten voor werken aan die onroerende goederen, het opstellen van belastingaangiftes voor de moeder van partijen, en het beheer van de schulden van de moeder van partijen, en "door rekenschap te geven, zonder voorbehoud, van zijn beheer voor de jaren 1990 tot 30 januari 2001, datum van het overlijden van zijn moeder". F. V. verduidelijkt niet wat zij concreet bedoelt met dat laatste. P. V. meent dat F. V. bedoelt dat uit zijn verweer op haar vordering door het verzamelen van stukken met betrekking tot de uitgaven van zijn moeder op zich blijkt dat hij optrad als lasthebber. Het hof volgt F. V. in elk geval niet in die redenering. P. V. ontkent dat hij formaliteiten heeft verricht voor de vereffening van de nalatenschap, dat hij huurgeschillen heeft geregeld, aannemingsovereenkomsten heeft gesloten en schulden heeft beheerd. Hij geeft toe dat hij offertes voor werken heeft gevraagd, maar dat is uiteraard geen daad van lastgeving. Het verrichten van formaliteiten voor de vereffening van de nalatenschap, het regelen van huurgeschillen, het sluiten van aannemingsovereenkomsten, en het beheer van schulden kunnen immers daden van lastgeving meebrengen indien de lasthebber rechtshandelingen stelt voor rekening van de lasthebber, maar dat hoeft niet. De tussenkomst van de beweerde lasthebber bij een en ander kan ook beperkt zijn tot materiële hulp en bijstand. Dat is zeker het geval voor wat F. V. zelf omschrijft als "de fiscale aangiftes van zijn moeder op te stellen". F. V. bewijst niet dat P. V. de vermelde daden heeft gesteld, laat staan dat hij bij een en ander rechtshandelingen heeft verricht voor rekening van haar ouders. Zij legt ter zake alleen de aangiften van de nalatenschap van de vader neer, en die zijn ondertekend door haar moeder zelf, en niet door P. V.. F. V. verwijst verder naar stukken met betrekking tot "grote transacties" waaruit volgens haar blijkt dat P. V. ook voor 1997 optrad als lasthebber. F. V. legt een bon voor van een kledingwinkel met vermelding van haar moeder als klant, en met een visa-code, en voegt toe dat haar moeder geen visakaart had. Het hof ziet niet hoe daaruit kan afgeleid worden dat P. V. als lasthebber zou zijn opgetreden. F. V. legt nog winkelbonnen voor uit 1998, maar die zijn uiteraard niet relevant voor de periode voor maart
- F. V. legt een aanslagbiljet onroerende voorheffing neer waarvan zij beweert dat P. V. heeft betaald. Uit niets blijkt dat P. V. zou hebben betaald. Het zelfde geldt voor een nota van een commissie van een onroerend goed makelaar. Uit de vermelding van het telefoonnummer van P. V. op een advertentie voor de verkoop van een onroerend goed van de moeder blijkt alleen materiële hulp. F. V. legt brieven voor van een notaris aan de moeder van partijen, met kopie aan P. V.. Ook daarin vindt het hof geen bewijs van daden van lastgeving. Ten slotte legt F. V. een onvolledige kopie voor van een cheque van P. V.; het is het hof niet duidelijk wat daaruit volgens F. V. moet blijken. De eerste rechter heeft bijgevolg terecht geoordeeld dat F. V. niet bewijst dat P. V. voor maart 1997 in naam en voor rekening van de ouders van partijen handelingen heeft gesteld waardoor hij uitvoering verleende aan de lastgeving. 4.
- De uitvoering van de lastgeving na maart 1997 P. V. erkent dat hij vanaf maart 1997 de goederen van zijn moeder heeft beheerd. Bijgevolg is hij gehouden daarvan rekenschap te geven. 4.
- De onderzoeksmaatregel Tussen partijen bestaat betwisting over de inkomsten en uitgaven van de moeder. P. V. stelt dat voor de uitgaven het vermogen van de moeder werd aangesproken, omdat geen huur werd betaald door de huurder van een onroerend goed van de moeder, de BVBA of NV V., waarvan F. V. de zaakvoerder of bestuurder was. F. V. stelt dat de huur wel werd betaald, en zij legt een overzicht van betalingen voor. Zij betwist verder de juistheid van de door P. V. vermelde uitgaven. Gelet op de veelheid van de voorgelegde stukken en cijfergegevens heeft de eerste rechter terecht een deskundige aangesteld om een overzicht op te stellen van de werkelijke inkomsten en uitgaven van de moeder van partijen zelf of door P. V., en van de beheersdaden met betrekking tot haar vermogen, en voor een advies over het saldo en de rekeningen. Gelet op het bovenstaande onder 4.
- heeft de eerste rechter het onderzoek terecht beperkt tot de periode vanaf maart
- Terecht heeft de eerste rechter de vraag afgewezen om een overzicht op te maken van alle goederen van de ouders van partijen, nu dit een vordering is in het kader van een procedure van vereffening en verdeling van de nalatenschap, waarvan huidige procedure onderscheiden is. De opmerkingen van F. V. met betrekking tot goederen waarvan haar moeder eigenaar zou zijn geweest en die niet aanwezig zouden zijn in de nalatenschap, zijn voor het overige niet relevant voor de zaak indien niet vaststaat dat P. V. er het beheer over heeft waargenomen in de uitvoering van zijn mandaat. In dat geval hebben die opmerkingen betrekking op de vereffening verdeling van de nalatenschap en niet op de vordering tot rekenschap van de lasthebber. Evenzeer terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat er geen reden is om de kosten van het onderzoek niet te laten voorschieten door F. V., de meest gerede partij. 4.
- De provisionele veroordeling Uit het op dit moment voorliggende dossier blijkt geenszins dat P. V. aan de lastgevers, laat staan aan F. V. alleen enig bedrag (of 419.726,57 EUR als "voorlopig bepaald saldo") verschuldigd zou zijn. 4.
- De kosten Het hoger beroep wordt geheel verworpen, en F. V. wordt veroordeeld tot betaling van de kosten (art. 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek). Gelet op het bedrag van de vordering in hoofdsom, zonder de gerechtelijke intresten (artikel 557 van het Gerechtelijk Wetboek), bedraagt de rechtsplegingsvergoeding in overeenstemming met artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 7.000,00 EUR als basisbedrag. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van F. V. ontvankelijk maar ongegrond. Verzendt de zaak terug naar de eerste rechter met toepassing van artikel 1068, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek; Veroordeelt F. V. tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van geïntimeerde op 7.000 EUR rechtsplegingsvergoeding; Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 27/5/08 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div