id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 27 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080527.26 Rolnummer: 2006kr483 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2013-09-26 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-07-02 17:33 Fiche I. Geschillen omtrent subjectieve rechten behoren in beginsel tot de uitsluitende rechtsmacht van de rechtscolleges van de Rechterlijk Orde (zie de artikelen 144 en 145 G.W.). Een subjectief recht is een door een rechtsregel - het objectief recht - beschermde aanspraak op andermans gedrag. II. Wanneer de bevoegdheid van de rechter niet voortspruit uit artikel 584 Ger W., maar gegrond is op artikel 154 DRO is het zo dat de toepassing van dit laatste artikel geen urgentie vereist. Hieruit volgt dat dient aangenomen te worden dat het spoedeisend karakter van een vordering op grond van artikel 154 DRO vermoed wordt en bijgevolg niet bewezen moet worden. De vordering tot opheffing van het stakingsbevel is uit haar aard zelf in beginsel steeds urgent. Het is precies daarom dat de wetgever voor de behandeling van de vordering tot opheffing van een stakingsbevel de procedure voor de kortgedingrechter voorzien heeft. III. Onder instandhoudings- of onderhoudswerken worden werken verstaan die het gebruik van het gebouw voor de toekomst ongewijzigd veilig stellen door het bijwerken, herstellen of vervangen van geërodeerde of versleten materialen of onderdelen. Het volledig vernieuwen van muren zowel binnen als buiten, zelfs met dezelfde materialen en/of dezelfde afmetingen, zijn geen instandhoudingswerken en zijn dus onderworpen aan de vergunningsplicht. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Voorzitter rechtbank - Bijzondere gevallen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Burgerlijke en politieke rechten - art. 144-145 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Rechtscolleges PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties Vrije woorden: I. Subjectieve rechten. Artikelen, 144-145 Gw. II. Kortgedingrechter. Artikel 584 Ger. W. en art. 154 DRO. Onderscheid. Spoedeisend karakter of niet. Opheffing van een stakingsbevel. III. Instandhoudings- en onderhoudswerken. Begrip. Vergunningsplicht. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2006/KR/483 INZAKE VAN : 1) De heer J. B., en zijn echtgenote 2) Mevrouw E. M., appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 7 november 2006, vertegenwoordigd door Meester Evelyn VAN DEN VREKEN loco Meester Patrick DE GROOTE, advocaat te 9000 GENT, Ottogracht 28, 1ste kamer TEGEN : Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, waarvan het kabinet gevestigd te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 19, 1ste verdieping, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Philippe DECLERCQ, advocaat te 3000 LEUVEN, J.P. Minckerlersstraat 33, ______________________________________________________________ I. Geschillen omtrent subjectieve rechten behoren in beginsel tot de uitsluitende rechtsmacht van de rechtscolleges van de Rechterlijk Orde (zie de artikelen 144 en 145 G.W.). Een subjectief recht is een door een rechtsregel - het objectief recht - beschermde aanspraak op andermans gedrag. II. Wanneer de bevoegdheid van de rechter niet voortspruit uit artikel 584 Ger W., maar gegrond is op artikel 154 DRO is het zo dat de toepassing van dit laatste artikel geen urgentie vereist. Hieruit volgt dat dient aangenomen te worden dat het spoedeisend karakter van een vordering op grond van artikel 154 DRO vermoed wordt en bijgevolg niet bewezen moet worden. De vordering tot opheffing van het stakingsbevel is uit haar aard zelf in beginsel steeds urgent. Het is precies daarom dat de wetgever voor de behandeling van de vordering tot opheffing van een stakingsbevel de procedure voor de kortgedingrechter voorzien heeft. III. Onder instandhoudings- of onderhoudswerken worden werken verstaan die het gebruik van het gebouw voor de toekomst ongewijzigd veilig stellen door het bijwerken, herstellen of vervangen van geërodeerde of versleten materialen of onderdelen. Het volledig vernieuwen van muren zowel binnen als buiten, zelfs met dezelfde materialen en/of dezelfde afmetingen, zijn geen instandhoudingswerken en zijn dus onderworpen aan de vergunningsplicht. Gelet op de procedurestukken: • het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 7 november 2006, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; • het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 27 december 2006; • de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 7 februari 2007; • de conclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 27 februari 2007; • de aanvullende conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 16 maart
- Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 7 april 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.
- De oorspronkelijke eis van appellanten strekte ertoe de nietigverklaring, minstens de opheffing, zoniet minstens de schorsing te horen bevelen van de maatregel tot stopzetting van de werken, bevolen door inspecteur JM Delleux op 24 augustus 2006, m.b.t. een onroerend goed gelegen te Herne, Schereweide 8 1.
- De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard. 1.
- Het hoger beroep van appellanten beoogt de toekenning te horen bekomen van hun aanvankelijke vordering. 1.
- In hoofdorde vraagt geïntimeerde, bij wijze van incidenteel beroep, dat het hof zich onbevoegd zou verklaren bij gebrek aan hoogdringendheid, minstens de vordering onontvankelijk te verklaren bij gebrek aan belang . In ondergeschikte orde wordt om de bevestiging van het bestreden vonnis gevraagd. II. De Feiten. 2.
- De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
- Samengevat komt het hierop neer dat appellanten eigenaar zijn van een woning met stallingen en mestopslagplaats gelegen te Herne, Schereweide
- De betwisting heeft betrekking op een muurtje dat door appellanten opgetrokken werd rond de opslagplaats. Appellanten beschikten sedert 4 februari 1992 over een bouwvergunning voor het bouwen van een bergplaats voor paardenmest op te richten volgens de ingediende schets. Appellanten gingen in de loop van 2003 over tot het herbouwen van hun mestopslagplaats in betonnen snelbouwstenen zonder voorafgaande bouwvergunning. Zij dienden voor deze werken een regularisatieaanvraag in op 16 april 2003 die door de gemeente geweigerd werd op 16 mei
- De bevoegde dienst van Stedenbouw stelde op 3 juni 2003 aan het Openbaar Ministerie als herstelmaatregel voor het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand. Op 22 augustus 2006 stelde de politiediensten vast dat appellanten de litigieuze bouwwerken nog steeds in stand hielden niettegenstaande de hen opgelegde herstelmaatregel. Tijdens zijn verhoor was eerste appellant de mening toegedaan dat voor de uitgevoerde werken geen bijkomende bouwvergunning vereist was omdat het enkel om herstellingswerken ging aan de sedert 4 februari 1992 vergunde opslagplaats. Op 24 augustus 2006 ontving eerste appellant een bericht tot stopzetting van de werken. Het mondelinge bevel tot stopzetting werd bekrachtigd door de bevoegde dienst van geïntimeerde op 1 september
- III. Beoordeling. 3.
- Wat de bevoegdheid betreft van de kort geding rechter ( voorwerp van het incidenteel beroep ): 3.1.
- Geïntimeerde werpt op dat de rechter in kort geding onbevoegd is omdat appellanten, bij toepassing van artikel 584 Ger.W., in de inleidende dagvaarding de hoogdringendheid niet hebben ingeroepen. 3.1.
- Artikel 154, laatste lid, DRO bepaalt dat de opheffing van het opgelegde stakingsbevel kan worden gevorderd tegen het VLAAMSE GEWEST in ‘kort geding'. Datzelfde artikel bepaalt ook voor welke rechter deze vordering moet worden ingesteld, namelijk voor de kortgedingrechter van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats van de stilgelegde werken. Tot slot verduidelijkt art. 154, laatste lid, DRO dat Boek II, Titel VI van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op de inleiding en de behandeling van de vordering. In deze titel van het Gerechtelijk Wetboek worden de volgende regels bepaalt: • de termijn om te verschijnen (artt. 1035, 1036, 1037 en 1040); • de draagwijdte en de uitvoerbaarheid bij voorraad van een beschikking in kort geding (artt. 1039 en 1041); • de ontoelaatbaarheid van hoger beroep in geval van verstek (art. 1039). Geschillen omtrent subjectieve rechten behoren in beginsel tot de uitsluitende rechtsmacht van de rechtscolleges van de Rechterlijk Orde (zie de artikelen 144 en 145 G.W.; Velu, J., conclusie voor Cass., 10 april 1987, Arr. Cass., 1986-1987, 1043, nr. 13). Een subjectief recht is een door een rechtsregel - het objectief recht - beschermde aanspraak op andermans gedrag. Indien een stakingsbevel onwettig is, om welke reden dan ook, beschikt de betrokkene, overeenkomstig het gemeen recht, over de mogelijkheid om dit stakingsbevel ongedaan te laten maken door de burgerlijke rechter. Krachtens artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, dat geen deel uitmaakt van de hierboven vermelde Titel van het Gerechtelijk Wetboek, doet de burgerlijke rechter in kort geding uitspraak bij voorraad in alle zaken, in zover hij deze spoedeisend acht, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt. Indien de zaak spoedeisend is kan zij bijgevolg, overeenkomstig de gemeenrechtelijke procedureregels, voor de kortgedingrechter worden gebracht. Het VLAAMSE GEWEST is van oordeel dat alle voorwaarden voor de toegang tot het (gemeenrechtelijke) kort geding van toepassing zijn voor de toepassing van artikel 154 DRO, waaronder - en in de belangrijkste mate - de vereiste van spoedeisendheid. De eerste rechter was terecht van oordeel dat zijn bevoegdheid in de onderhavige zaak niet voortspruit uit artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek maar uit artikel 154 DRO en dat de toepassing van dit laatste artikel geen urgentie vereist. Indien een wetsbepaling aanleiding geeft tot een verschillende lezing, moet zij worden begrepen in de zin waarin zij enig specifiek gevolg kan hebben. In de visie van het VLAAMSE GEWEST is het artikel 154, laatste lid, DRO volledig overbodig en een loutere herneming van de gemeenrechtelijke bevoegdheid van de burgerlijke kortgedingrechter. In de veronderstelling dat de opvatting van het VLAAMSE GEWEST correct is, stelt zich de vraag waarom de wetgever niet simpelweg verwezen heeft naar artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, in plaats van naar ‘Boek II, Titel VI' van het Gerechtelijk Wetboek waarin uitsluitend de termijn om te verschijnen, de draagwijdte en de uitvoerbaarheid bij voorraad van een beschikking in kort geding en de ontoelaatbaarheid van hoger beroep in geval van verstek aan de orde zijn. Hieruit volgt dat dient aangenomen te worden dat het spoedeisend karakter van een vordering op grond van artikel 154 DRO vermoed wordt en bijgevolg niet bewezen moet worden. 3.1.
- Louter ten overvloede moet worden opgeworpen dat de vordering tot opheffing van het stakingsbevel uit haar aard zelf in beginsel steeds urgent is. Het is precies daarom dat de wetgever voor de behandeling van de vordering tot opheffing van een stakingsbevel de procedure voor de kortgedingrechter voorzien heeft (geen algemene rol, korte termijnen van behandeling, uitvoerbaarheid bij voorraad). Er is urgentie in de zin van art. 584, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek telkens wanneer de vrees voor een schade van een bepaalde omvang of voor ernstige ongemakken het nemen van een onmiddellijke beslissing noodzakelijk maakt. Het stilleggen van een bouwwerk, waarbij het waterdicht maken voor regenwater meestal op het einde plaatsvindt, doet in de regel vrees voor een schade van een bepaalde omvang ontstaan en maakt in beginsel een ernstig ongemak uit voor de betrokkene. 3.1.
- Het bestreden vonnis wordt op dit punt bijgevolg bevestigd. 3.
- Wat de ontvankelijkheid betreft van de oorspronkelijke vordering (voorwerp van het incidenteel beroep): 3.2.
- Geïntimeerde werpt op dat de vordering niet ontvankelijk is gezien appellanten niet beschikken over een rechtmatig belang bij het instellen van hun vordering die ertoe strekt een illegale toestand te doen voortduren. 3.2.
- Naar luid van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. In de zin van artikel 18 van het Gerechtelijk Wetboek bestaat het belang in ieder stoffelijk of zedelijk voordeel dat de eiser kan trekken uit de vordering die hij instelt op het ogenblik dat hij ze aanhangig maakt, zelfs zo de erkenning van het recht of de ernst van de schade slechts komt vast te staan op het ogenblik van de uitspraak van het vonnis (VAN REEPINGHEN Ch., Verslag van de Gerechtelijke Hervorming, Belgisch Staatsblad, 1964, p. 41). De procespartij die beweert houder te zijn van een subjectief recht, heeft bijgevolg hoedanigheid en belang om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat door de eiser wordt ingeroepen, betreft niet de ontvankelijkheid, maar de gegrondheid van de vordering (zie Cass. 26 februari 2004, R.W. 2006-07, 133). Gezien geïntimeerde voorhoudt dat bepaalde bouwwerken ten onrechte werden stilgelegd, komt het de rechter toe om kennis te nemen van de zaak. Het ingeroepen belang is, op zich, niet onrechtmatig. 3.2.
- Het onderzoek van het ingeroepen recht, van de rechtmatigheid van de vordering, betreft de gegrondheid van de zaak. 3.2.
- Het bestreden vonnis wordt op dit punt eveneens bevestigd. 3.
- Wat de gegrondheid betreft van de door appellanten ingestelde vordering: 3.3.
- Op 4 februari 1992 verkreeg de heer B. een bouwvergunning voor het bouwen van een bergplaats voor paardenmest op voorwaarde dat de constructie opgericht werd volgens de ingediende schets. Op die schets komt een op te richten muurtje voor van 3m op 7m met een hoogte van 1,5m ( en niet 3m zoals vooropgesteld in het repressief dossier ). Uit foto's neergelegd door appellanten - en die geen aanleiding hebben gegeven tot enige betwisting - blijkt dat in 1995 deze muurtjes er daadwerkelijk stonden. Voor de eerste rechter werd weliswaar een debat gevoerd of deze muurtjes vóór 2006 ooit werden opgericht, doch deze kwestie is thans niet meer aan de orde. Op 22 augustus 2006 ontving de federale politie een schriftelijke klacht vanwege de heer Tiels die er zich over beklaagde dat appellanten sedert 16 augustus een muurtje aan het metsen waren, waarschijnlijk voor het opslaan van mest. Op 23 en 24 augustus 2006 kwamen de verbalisanten ter plaatse en stelden vast dat er twee muurtjes in aanbouw waren met een hoogte van ongeveer 87cm, dewelke een rechte hoek vormden, waarvan één met een lengte van 3m en de andere van 7m en dat hiervoor betonnen snelbouwstenen werden gebruikt. Er werd tevens vastgesteld dat op dat ogenblik de werken nog niet voltooid waren. De verbalisanten acteerden dat de overtreding erin bestond een bouwovertreding te hebben in stand gehouden, zijnde het opnieuw bouwen van een mestopslagplaats in betonnen snelbouwstenen, terwijl dit reeds het voorwerp was geweest van een herstelvordering op 3 juni
- Op 24 augustus 2006 verklaarde de heer B. dat de muurtjes in kwestie destijds werden opgericht conform de verleende bouwvergunning van 1992, dat de muur van de opslagplaats in 2002 beschadigd werd en dat hij op het ogenblik van de vaststellingen, bezig was deze muurtjes te herstellen conform diezelfde bouwvergunning van
- De heer B. meende dat hij voor deze herstelling niet diende te beschikken over een nieuwe bouwvergunning. Hierop werd een stakingsbevel uitgevaardigd. M.b.t. de oprichting van deze mestopslagplaats (oppervlakte 21m² op een hoogte van 1,50m) dient hieraan nog toegevoegd te worden dat de heer B. blijkbaar op 14 januari 2003 toch een bouwaanvraag indiende die geweigerd werd op 6 mei
- Verder komt in het dossier een herstelvordering voor van 3 juni 2003 houdende de afbraak van de gebouwde mestopslagplaats, met inbegrip van de funderingen en bevloeringen en het opruimen van alle sloopafval, dit alles onder verbeurte van een dwangsom van 131 euro per dag. Dit geeft de indruk dat appellanten in de loop van 2003 ook reeds een aanvang namen met het heroprichten van hun mestopslagplaats waartegen toen werd ingegaan door de stedenbouwkundige inspecteur. 3.2.
- Uit de thans voorgelegde foto's blijkt hoe dan ook dat appellanten in 2006 overgingen tot de volledige heroprichting van de mestopslagplaats (de 2 muren waarvan sprake is een volledige nieuwbouw opgericht in nieuwe materialen en niet met gerecupereerde materialen) zodat in een dergelijk geval geen sprake kan zijn van het uitvoeren van instandhoudings- of onderhoudswerken die gelijkgesteld kunnen worden met herstellingswerken (aan de opslagplaats die er in 1995 nog stond). Onder instandhoudings- of onderhoudswerken worden werken verstaan die het gebruik van het gebouw voor de toekomst ongewijzigd veilig stellen door het bijwerken, herstellen of vervangen van geërodeerde of versleten materialen of onderdelen. Het volledig vernieuwen van muren zowel binnen als buiten, zelfs met dezelfde materialen en/of dezelfde afmetingen, zijn geen instandhoudingswerken en zijn dus onderworpen aan de vergunningsplicht (cfr. o.a. Antwerpen 26 maart 1997, T.M.R. 1998, 113; Cass. 4 oktober 1994, Arr. Cass., 1994, 814). 3.2.
- Het is dan ook terecht dat de eerste rechter de vordering ontvankelijk doch ongegrond heeft verklaard weliswaar op grond van enigszins andere motieven. Het bestreden vonnis wordt dan ook bevestigd in zoverre hierin de oorspronkelijke vordering ongegrond wordt verklaard. 3.2.
- Alle overige door partijen aangevoerde middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat. 4.
- Wat de gerechtskosten (de rechtsplegingsvergoeding) betreft: 4.1.
- Ter zitting van 7 april 2008 hebben beide partijen terecht een rechtsplegingsvergoeding gevorderd van 1.200 euro , zijnde de rechtsplegingsvergoeding die verschuldigd is voor een niet in geld waardeerbare vordering conform artikel 3 van het K.B. van 26 oktober
- 4.1.
- Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als in het gelijk gestelde partij. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep beiden ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van henzelf op euro 1.386(186 rolrecht + 1.200 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding; Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 27/5/08 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div