id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 28 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080528.11 Rolnummer: 2001/AR/1142 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-12-29 Raadplegingen: 193 - laatst gezien 2026-07-02 17:33 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - NOTARIAAT - Ambt BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Fout - de daad - Zorgvuldigheid Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2001/AR/1142 INZAKE VAN : 1) De CVA I., burgerlijke vennootschap onder de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te ..., ingeschreven in het register van Burgerlijke vennootschappen te Brussel onder het nummer 2555, 2) De heer Raoul S, en zijn echtgenote 3) Mevrouw Monique V., appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 6 november 2000, de tweede in persoon verschijnende, allen vertegenwoordigd door Meester Luc BREWAEYS, advocaat te 1780 WEMMEL, de Limburg Stirumlaan 248, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer X.X., thans wonende te 8300 KNOKKE-HEIST, Kustlaan 161, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Dirk DE MAESENEER, advocaat te 1050 BRUSSEL, Waterloosesteenweg 412 F, 2) De naamloze vennootschap C, afgekort C, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is ... geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Marc BOUTEN loco Meester François VAN DER MENSBRUGGHE, advocaat te 1050 BRUSSEL, Bosstraat 10, De zaak werd volledig hernomen gelet op de gewijzigde samenstelling van de zetel. Het tussenarrest van 24 mei 2005 verder uitwerkend, Gelet op de procedurestukken buiten deze reeds vermeld in voornoemd tussenarrest: · de conclusie van tweede geïntimeerde neergelegd ter griffie op 27 december 2007; · de synthese en vervangende conclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 1 februari 2008; · de laatste replieken van tweede geïntimeerde neergelegd ter griffie op 28 februari 2008; · de synthese en vervangende conclusie van eerste geïntimeerde neergelegd ter griffie op 29 februari
- Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 17 maart 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Wat de precedenten betreft: 1.
- In deze zaak werd een tussenarrest geveld op 24 mei 2005 waarin de rechtspleging in eerste aanleg werd uiteengezet alsmede de rechtspleging in hoger beroep en de onderscheiden standpunten ingenomen door de betrokken partijen. Deze uiteenzettingen worden geacht integraal hernomen te zijn in huidig arrest. 1.
- M.b.t. de gegrondheid van de ingestelde vorderingen bevat voormeld tussenarrest volgende overwegingen: " De ingestelde vorderingen moeten worden gekwalificeerd als het eisen van vergoedingen tot herstel van schade, die werd veroorzaakt door bepaalde fouten - contractuele of aquiliaanse - van notaris X.X. en van het C, de NV C, waarvan niet blijkt uit de thans voorgelegde stukken dat het zou gaan om een erkende boekhouder, belastingconsulent, accountant of bedrijfsrevisor. De NV C betwist niet bepaalde fouten te hebben gepleegd; één fout wordt in hoger beroep uitdrukkelijk erkend; omtrent de tweede door de rechter in eerste aanleg bewezen verklaarde fout wordt geen incidenteel beroep ingesteld. De NV C betwist wel de schade die door deze fouten werd veroorzaakt en ook de gevorderde bedragen. Notaris X.X. houdt voor geen fout te hebben begaan, standpunt waarin de rechter in eerste aanleg hem is gevolgd; tevens vecht hij het oorzakelijk verband aan en de schade die het gevolg zou zijn van de beweerde fouten, evenals de vergoedingen die worden gevorderd voor de beweerde schade. Het hof stelt vast, dat in de betwistingen tussen de partijen, de aard en de omvang van de schade zeer belangrijk is, vooreerst als schade sensu stricto, maar vervolgens ook omdat de voorzienbaarheid van de schade niet onbelangrijk is bij het beoordelen van een eventuele fout. De aard en de omvang van deze schade vereisen een niet onaanzienlijke kennis van de techniek van het boekhouden en van de economie. De voorgelegde nota's van de accountants en belastingconsulenten, de bvba DRT & Partners, werden opgesteld ten verzoeke van de raadsman van de heer S. In deze omstandigheden komt het gepast voor, alvorens te beslissen over de gegrondheid van het ingestelde rechtsmiddel, het hierna volgend deskundigenonderzoek te bevelen. " 1.
- Dienvolgens werd de heer Ludo Caris, bedrijfsrevisor, als deskundige aangesteld met een welomschreven opdracht waaronder o.a. het geven van zijn technisch boekhoudkundig en economisch advies over de gevolgen, o.m. wat betreft de te betalen belastingen, van de in de notariële akten van 13 september 1993 voorkomende oprichting van de CVA I. en het verlenen door deze laatste van een commodaat aan de echtgenoten S-V. en verder het geven van zijn technisch boekhoudkundig en economisch advies over de gevolgen voor de NV I. van de aangiften die door de NV C werden gedaan in de rechtspersonenbelasting ( i.p.v. in de vennootschapsbelasting ). De deskundige legde zijn verslag neer op 5 maart
- II. Wat het standpunt betreft ingenomen door de deskundige: 2.
- De deskundige kwam in zijn verslag tot de hierna volgende eindconclusie: " Zoals uiteengezet in dit verslag bedroegen de kosten voor het bezit van de villa tijdens de periode van het commodaat 1.915.183 BEF daar waar de formule voor het bezit van de naakte eigendom van de villa zonder een commodaat zich zouden beperkt hebben tot 810.000 BEF. De formule van het commodaat was zelfs in alle opzichten duurder dan het behoud van de villa in privé bezit. De kosten van de fiscale rechtzetting zijn in bovenstaande bedragen begrepen. Vermits de structuur van de CVA met een commodaat duidelijk niet economisch verantwoord was, heeft men deze structuur dienen te wijzigen. De kosten van deze statutenwijziging bedroegen minstens 1.612.240 BEF. De toestand kan als volgt samengevat worden: - Kost van het commodaat zelf over 5 jaar: 848.141 BEF - Kost van de fiscale rechtzetting: ( zie punt 2.
- ): 1.067.042 BEF Subtotaal: 1.915.183 BEF - kost van de statutenwijziging ( minimum ): 1.612.240 BEF Subtotaal: 3.527.423 BEF - Min: kost van de voordeligste gevonden formule CVA met naakte eigendom van de villa: - 810.000 BEF TOTAAL: 2.717.423 BEF of 67.363,16 euro . " Hij zal verder ook nog stellen dat: " De keuze van de burgerlijke CVA als vennootschapsvorm ongebruikelijk was maar niet ongepast. De structuur van het beleid - één zaakvoerder - aangepast was aan de omstandigheden. De verplichting aangifte te doen in de vennootschapsbelasting vast stond. In een optimale oplossing men het vruchtgebruik van de villa niet had dienen in te brengen in de CVA. ". 2.
- Op p. 24 van zijn verslag maakt de deskundige een omstandige berekening van de kostprijs die de rechtzettingen met zich meebrachten bij de overgang van de rechtspersonenbelasting naar de vennootschapsbelasting. De deskundige komt alzo tot een bedrag van 1.067.042 BEF. III. Beoordeling. 3.
- Wat de aansprakelijkheid betreft van notaris X.X.: 3.1.
- De bedoeling van de echtgenoten S bestond erin hun patrimonium veilig te stellen ten voordele van hun erfgenamen gepaard gaande met het verschuldigd zijn van zo weinig mogelijk successie - of schenkingsrechten doch met de mogelijkheid hun onroerend patrimonium verder te kunnen blijven beheren en verder in hun woning te Meise te kunnen blijven wonen, dit alles aan een zo laag mogelijke kostprijs of onder een zo gunstig mogelijk fiscaal regime. 3.1.
- Uit het deskundigenverslag blijkt op een afdoend gemotiveerde wijze dat geen fouten werden begaan noch bij de keuze van de burgerlijke CVA als vennootschapsvorm, noch bij het bepalen van de structuur van het beleid ( de heer S als zaakvoerder ). Wat het laatste punt betreft ( behoud van de leiding in de vennootschap ) onderlijnt de deskundige overigens verder dat het willen behouden van de leiding van de vennootschap in een CVA perfect doenbaar was, deze keuze aanvaardbaar was in deze concrete omstandigheden ( het veilig stellen van een patrimonium ten voordele van de erfgenamen gepaard gaande met zo weinig mogelijk successie - en schenkingsrechten ) en dat bovendien het beroep doen op een onafhankelijke zaakvoerder een aanzienlijke meerkost met zich had meegebracht, gelet op diens persoonlijke aansprakelijkheid ingeval van beroepsfouten. 3.1.
- Wat de deskundige wel aanvecht is de keuze om de villa in volle eigendom te hebben ingebracht te hebben in de CVA verbonden aan een commodaat, wat een formule is die zelfs verder gaat dan huur of vruchtgebruik, gezien de vennootschap, in dat geval, alle lasten van de villa, op zich neemt. De fiscale wetgeving voorziet echter dat elk voordeel toekomende aan een bestuurder of een zaakvoerder aangezien wordt als een bestuursvergoeding en bijgevolg als een belastbare bezoldiging ( artikel 32 WIB ). Er bestond echter een veel voordeliger structuur ( waartoe uiteindelijk werd overgegaan bij statutenwijziging ) houdende de inbreng van de naakte eigendom en het behoud van het vruchtgebruik waardoor geen voordeel ontstaat ten gunste van de zaakvoerder of bestuurder. Dit is zodoende een belastingsvrije formule voor de inbrenger. 3.1.
- Zoals reeds gesteld in het voornoemde tussenarrest betwist de notaris enige fout te hebben begaan. Hij stelt dat de hem toevertrouwde opdracht zich niet strekte tot het adviseren van appellanten nopens de keuze van vennootschapsvorm en de invulling hiervan met het oog op de fiscale optimalisatie van hun belangen en hem bijgevolg geen gebrek aan informatie kan verweten worden m.b.t. de fiscale gevolgen van de keuze die gemaakt werd. De notaris is m.a.w. de mening toegedaan dat zijn opdracht zich beperkte tot het verlijden van de noodzakelijke authentieke aktes. 3.1.
- Nergens blijkt echter uit dat de echtgenoten S aan de notaris enkel een beperkte opdracht zouden hebben toevertrouwd. Het staat overigens vast dat de echtgenoten S zich eerst wendden tot de notaris en nadien contact opnamen met C. Bijgevolg hebben zij zich eerst tot de notaris gericht teneinde advies te bekomen m.b.t. het opstellen van statuten voor een vennootschap voor het beheer en onderhoud van hun onroerend patrimonium met inbreng van ongeveer 20 ha landbouwgrond en een villa, op voorwaarde dat zij verder gratis in hun villa mochten blijven wonen. Het is pas nadien dat zij C contacteerden om de fiscale aspecten nader te onderzoeken. Het is inderdaad zo dat een notaris geen boekhouder of fiscalist is. Een notaris wordt echter in zijn dagdagelijkse praktijk veelvuldig geconfronteerd met fiscale aangelegenheden. Het oprichten van vennootschappen en het opstellen van statuten behoren tot zijn normale bevoegdheden. Dat elke vorm van vergoeding, ook in natura, aan een bestuurder of een zaakvoerder in een vennootschap aangezien kan worden door de fiscus als een belastbaar inkomen, is zo evident dat hiervoor de tussenkomst niet eens vereist is van een fiscaal expert. Als instrumenterende notaris van de echtgenoten S was de notaris, uit hoofde van zijn ambt, verplicht de partijen raad te geven en had hij, na ontvangst van de formule uitgewerkt door C, moeten opmerken dat het gratis blijven bewonen van de volledige ingebrachte villa door een bestuurder of zaakvoerder van de vennootschap die hiervan eigenaar was, als een belastbaar inkomen zou kunnen worden beschouwd door de fiscus. Hij had hen bijgevolg bijkomend moeten wijzen op de mogelijke nadelige fiscale gevolgen minstens hen erop moeten wijzen dat de fiscus mogelijkerwijze de uitgewerkte formule nader zou onderzoeken in het licht van de fiscale wetgeving. Door zonder meer de noodzakelijke authentieke aktes te verlijden, heeft de notaris bij het echtpaar S de indruk gewekt dat de door C uitgewerkte formule optimaal was en volledig voldeed aan hun wensen. Hierdoor is de notaris te kort gekomen aan zijn plicht tot raadgeving en bijstand van zijn cliënten. 3.1.
- Een dergelijk handelen maakt een fout uit. Gezien op het ogenblik van de feiten artikel 9, par. 1, lid 3 van de Organieke wet op het notarisambt ( wet van 4 mei 1999 ) nog niet in werking was getreden, dient rekening te worden gehouden met de voorheen aanvaarde beginselen met betrekking tot de verplichtingen van een notaris. Naast zijn plicht tot raadgeving, die van openbare orde is, moet de notaris, belast met het opstellen van de statuten/oprichtingsakte van een vennootschap, de partijen voorlichten en ze waarschuwen voor alles wat hen aanbelangt in verband met de draagwijdte van een beding dat hij heeft opgemaakt. Een notaris schiet hierin te kort wanneer hij aan de vennootschap een mogelijkheid laat om zijn bestuurders te vergoeden en aldus de voorwaarden in het leven roept voor hun onderwerping aan het sociaal statuut van de zelfstandigen, zonder evenwel de aandacht van de partijen op dit minstens waarschijnlijke gevolg van het voorziene beding te vestigen. De bezoldiging van een bestuurder en de gevolgen die ze kan hebben voor zijn sociaal statuut zijn geen specialistenzaak maar behoren tot de gewone notariële bevoegdheid ( zie Brussel, 19 mei 1988, Revue du Notariat Belge, 1988, p. 531 ). 3.1.
- De notaris werpt verder nog op dat de schade enkel het gevolg is van een fout begaan door C en dat deze voor de notaris niet voorzienbaar was. Hier voren werd reeds aangetoond dat het tot de normale taak van een notaris behoort te weten dat elke vergoeding in natura uitgekeerd door een vennootschap aan één van zijn zaakvoerders of bestuurders aangezien kan worden door een fiscus als een belastbaar inkomen. Het is dan ook ten onrechte dat de notaris opwerpt geen " specialist in de materie " te zijn en bijgevolg niet vergoedingsplichtig te zijn. De notaris houdt verder voor dat van een geraadpleegde fiscale expert niet mag verwacht worden dat hij de meest optimale formule vindt en voorstelt en bijgevolg de beweerde schade een onvoorzienbaar karakter had. De deskundige stelt in zijn verslag dat de formule van het commodaat in alle opzichten duurder was dan het behoud van de villa in privé bezit en dat zelfs de oprichting van de CVA I. zonder het commodaat een redelijke maar niet optimale stap was ( reden overigens waarom hij andere mogelijke vennootschapsvormen niet nader onderzocht heeft ). In dergelijke omstandigheden moet vastgesteld worden dat de schade wel degelijk een voorzienbaar karakter heeft en mede veroorzaakt werd door de handelwijze van de notaris. 3.1.
- De deskundige heeft tevens schadevergoeding geadviseerd voor het feit dat aangifte werd gedaan in de rechtspersonenbelasting i.p.v. de vennootschapsbelasting en hij stelde hierbij een bedrag voor van 1.067.042 BEF (zie punt 2.2.), zijnde de fiscale rechtzettingen die plaatsvonden bij de overgang naar de vennootschapsbelasting. Met dit aspect van de vordering heeft de notaris geen uitstaans gezien enkel C instond voor de latere aangiftes en de verdere fiscale opvolging van het dossier. 3.1.
- Het bestreden vonnis wordt bijgevolg hervormd daar waar de eerste rechter geen enkele verantwoordelijkheid aanhield in hoofde van notaris X.. 3.
- Wat de aansprakelijkheid betreft van de NV C: 3.2.
- C stelde voor het eerst incidenteel beroep in bij conclusie neergelegd op 27 december 2007, d.i. na het tussengekomen tussenarrest en na het neerleggen van het deskundigenverslag. Bij incidenteel beroep betwist zij enige fout te hebben begaan bij het voorstel om een C.V.A. op te richten met commodaat. In het tussenarrest staat inderdaad vermeld dat op dat ogenblik C niet betwistte één bepaalde fout te hebben begaan en dat omtrent een tweede fout, als zodanig aangeduid door de eerste rechter, geen incidenteel beroep werd ingesteld. 3.2.
- Een gedaagde in hoger beroep kan incidenteel beroep instellen tot aan de sluiting van het debat door de rechter in hoger beroep en voor zover deze zijn rechtsmacht nog niet heeft uitgeput. In voornoemd tussenarrest werd geen beslissing genomen ten gronde gezien het beschikkend gedeelde van dit arrest enkel vermeldt dat alvorens te oordelen over de gegrondheid ervan ( = van het hoger beroep ) een deskundige wordt aangesteld. Het incidenteel beroep heeft bijgevolg geen betrekking op een onderdeed van de vordering waarover de rechter in hoger beroep reeds definitief uitspraak heeft gedaan. Het thans door C ingesteld incidenteel beroep is bijgevolg ontvankelijk ( zie o.m. Cass., 30 juni 2000, Arr. Cass., 2000
(423)). 3.2.3. In de conclusie neergelegd door C op 2 april 2002 ( d.i. vóór het tussengekomen tussenarrest ) staat vermeld dat: " C is de mening toegedaan dat de eerste rechter de feiten correct en billijk heeft beoordeeld door te beslissen:
(1)dat de door concluante in 1993 vooropgestelde formule ( toekenning van een levenslang kosteloos commodaat van de villa en aanstelling als zaakvoerder van de heer S ) foutief schade heeft toegebracht aan huidige appellanten. " En verder dat: " Zoals het hof reeds heeft kunnen vaststellen, wenst concluante op te merken:
(1)dat de door appellanten voorgehouden schade niet het gevolg is van de formule, noch van de raadgevingen van C in 1993, maar van de opvatting, de opzetting en de toepassing van de alternatieve formule die werd aangeraden door B.V.B.A. Defoort en C° en professor Tiberghien;
(2)dat C toendertijd door appellanten of enige andere persoon niet werd ingelicht over deze alternatieve formule waarvoor appellanten nu ex post facto een schadevergoeding van hen vordert; a fortiori heeft C deze alternatieve formule nooit aangeraden, en werd zij voor voldongen feiten geplaatst. " Niettegenstaande deze laatste beweringen de indruk doen ontstaan dat C de mening is toegedaan dat de door haar voorgestelde formule geen schade heeft doen ontstaan in hoofde van appellanten, staat dan weer te lezen in deze conclusie dat de schade voortvloeiend uit de door haar voorgestelde formule in 1993 op een juiste wijze kan worden hersteld door een schadevergoeding toe te kennen van 250.000 BEF aan de CVA I. en van 100.000 BEF aan de heer en mevrouw S - V. ( zoals overigens toegekend werd door de eerste rechter ). In de conclusie van 22 oktober 2001 van C staat bovendien ook nog te lezen dat: " haar fout bestond erin niet te hebben voorzien dat de heer S bestuurder was, zodat: (
- i)dit kosteloos commodaat zou worden beschouwd als een belastbaar inkomen in zijn hoofde, dit als zijnde een voordeel in natura, (
- ii)bovendien, wat betreft dit verkregen voordeel, hij onderworpen zou worden aan de bijdrageverplichting inzake de sociale zekerheid van de zelfstandige, die wordt berekend op basis van het belastbaar inkomen; " Ook deze beweringen staan haaks op argumenten aangehaald in een latere conclusie ( zie hoger ). Thans vraagt C in hoofdorde te zeggen voor recht dat zij t.a.v. appellanten en meer bepaald t.a.v. de heer en mevrouw S geen enkele fout heeft begaan door ( i ) hen in 1993, bij de oprichting van de vennootschap I., aan te raden om de heer S. aan te stellen als statutaire zaakvoerder en ( ii ) door I. hen op diezelfde datum een kosteloos commodaat te laten verlenen m.b.t. de villa te Meise die zij bewoonden en die zij net hadden ingebracht in de pas opgerichte vennootschap. Het hof dient hierbij toch vast te stellen dat een dergelijke verdediging weinig ernstig is en alleen aanleiding kan geven tot misvattingen die een goed procesverloop hinderen. Het is echter ten onrechte dat appellanten voorhouden dat de erkenning van bepaalde fouten door C een gerechtelijke bekentenis inhoudt. De bekentenis in de zin van artikel 1354 B.W. kan enkel betrekking hebben op een feit of rechtsfeit, en niet op een rechtskwestie of op de oplossing in rechte ( zie o.m. Cass., 7 februari 1997, R.W. 1997 - 98, 339 ). Bovendien is een advocaat niet gerechtigd om namens zijn cliënt een bekentenis af te leggen, tenzij die cliënt hem daartoe een bijzondere volmacht heeft gegeven ( zie o.m. Cass., 15 juni 1990, Arr. Cass., 1989 - 90, 1315 ). 3.2.4. Wat derhalve niet betwist wordt is het feit dat C in 1993 wel degelijk de heer S aangeraden heeft om statutaire zaakvoerder te worden in de patrimoniumvennootschap I. en deze vennootschap tevens aangeraden heeft een kosteloos commodaat te laten verlenen m.b.t. de villa in Meise, die eerst volledig werd ingebracht in de vennootschap. Uit het deskundigenverslag is gebleken dat deze formule verre van optimaal was op fiscaal gebied. Hier voren werden de vaststellingen van de deskundige desbetreffend reeds uitvoerig uiteengezet. C werd juist geraadpleegd om de fiscale implicaties van een inbreng van het onroerend vermogen in een vennootschap te optimaliseren en wordt bijgevolg de " specialist " inzake genoemd. Er werd reeds gesteld dat het feit dat de fiscus het gratis wonen in een woning, eigendom van een vennootschap, waarin één van de inbrengers als zaakvoerder werd aangesteld, zou kunnen aanzien als een vergoeding in natura geen grote kennis van de fiscaliteit veronderstelde en door een studiebureau als C gemakkelijk had kunnen vermeden worden. Het bewijs hiervan is dat door een relatieve eenvoudige ingreep, met name de verkoop van het vruchtgebruik door de vennootschap aan de echtgenoten S, deze situatie kon worden rechtgezet. Het behoorde bijgevolg aan C aan het echtpaar S. aan te raden enkel de naakte eigendom in te brengen in de vennootschap. Er wordt bovendien herhaald dat volgens de deskundige de formule van het commodaat zelfs in alle opzichten duurder was dan het behoud van de villa in privé bezit wat de vraag doet rijzen welk het nut dan was van de door C voorgestelde formule. Het voorstellen van een dergelijke formule maakt bijgevolg een fout uit in hoofde van C Over het feit dat gedurende jaren aangifte werd gedaan in de rechtspersonenbelasting i.p.v. in de vennootschapsbelasting door toedoen van C wordt in de conclusie met geen woord gerept. Het staat vast dat ook deze werkwijze vanwege een fiscaal gespecialiseerd bureau een fout uitmaakt. 3.2.5. De hierdoor door appellanten opgelopen schade staat verder in oorzakelijk verband met de fouten in hoofde van C C meent dat door het niet bestrijden van het standpunt van de fiscus en door het invoeren van een statutenwijziging de oorzaak van de schade ligt bij de eigen handelwijze van appellanten. C weidt in dit verband uitvoerig uit over het feit dat allesbehalve vaststond dat het standpunt van de fiscus gerechtvaardigd was en dat het voordeel dat aan de heer S zou zijn toegekend ter bezoldiging van zijn mandaat in geen geval kon worden beschouwd als een beroepsinkomen. Uit een vaststaande rechtspraak blijkt dat enkel als niet belastbare vergoedingen worden aangezien deze zijn die niet tot gevolg hebben een werknemer/zaakvoerder/bestuurder uitgaven te doen besparen ( zie o.m. Cass., 9 december 1993, Arr. Cass., 1993, p. 1046 ). Het gratis laten bewonen van een woning, eigendom van een vennootschap, voldoet niet aan deze voorwaarden. Bovendien wordt tevens aangenomen dat zelfs het niet - kosteloos beschikken over een onroerend goed, eigendom van de vennootschap, enkel tot gevolg heeft dat de raming ervan wordt gewijzigd maar niet dat het niet - belastbaar wordt. Wanneer het voordeel niet kosteloos wordt toegestaan, moet het in aanmerking te nemen voordeel immers verminderd worden met de bijdrage van de verkrijger van dat voordeel. ( zie o.m. Cass., 16 september 2004, Rolnummer F124F, www.cass.be ). Bovendien dient hierbij nog onderlijnd te worden dat nadat de echtgenoten S het advies hadden ingewonnen van een ander belastingsconsulent, met name de heer D., deze onderhandelingen aanging met de belastingadministratie die uitmondden in het afsluiten van een gunstig akkoord ( zie stukken 19 t.e.m. 24, dossier appellanten ). Uit het deskundigenverslag blijkt verder dat de statutenwijziging noodzakelijk was om tegemoet te komen aan de doelstellingen vanwege appellanten m.b.t. hun onroerend patrimonium. Deze statutenwijziging ( verkoop van het vruchtgebruik aan de echtgenoten S ) had als gevolg dat de heer S als bestuurder van I. geen voordeel in natura meer ontving en bijgevolg hiervoor niet meer kon worden aangesproken door de belastingadministratie. De schade had zich bijgevolg in deze niet voorgedaan indien onmiddellijk was overgegaan tot de formule die aanleiding heeft gegeven tot een statutenwijziging op 15 juli 1998. De geleden schade bestaat immers enkel uit de meerkost van het bezit zelf van de volle eigendom van de villa i.p.v. enkel de naakte eigendom, de kost van de fiscale rechtzetting ( = overgang van de rechtspersonenbelasting naar de vennootschapsbelasting ) en de kost van de statutenwijziging. Het feit dat C niet betrokken werd bij de statutenwijziging is niet terzake dienend. Ingevolge de tussenkomst van een andere fiscalist konden overigens de door C gestelde fouten ongedaan worden gemaakt. Nergens blijkt uit het deskundigenverslag dat appellanten bovendien in 1998 gekozen hebben voor een veel duurdere formule en hun doeleinden hadden kunnen bereiken door een meer eenvoudige en/of goedkopere " hersteloperatie ". 3.2.6. Het bestreden vonnis wordt derhalve bevestigd in zoverre hierin C aansprakelijk wordt gesteld voor de door appellanten geleden schade. 3.3. Wat de schade betreft: 3.3.1.De schade werd op een oordeelkundige wijze door de deskundige begroot. Niettemin stelt C desbetreffend opnieuw dat de " herstellende constructie " door appellanten werd ontworpen en opgezet zonder medewerking van het C, meer nog, zelfs zonder dat het C ervan op de hoogte werd gebracht en dat zij bijgevolg te gelegener tijd ook zijn mening niet heeft kunnen geven over het feit of dit wel de meest geschikte oplossing was, onder meer qua kostprijs van de doorgevoerde verrichtingen. C stelt verder dat de kostprijs voor de doorgevoerde wijziging enkel ten hare laste kan worden gelegd indien er geen andere, minder dure manieren waren om het beoogde resultaat te bereiken. Er werd reeds gesteld dat het feit dat C niet op de hoogte werd gesteld van de doorgevoerde wijzigingen in deze niet pertinent is en dat appellanten, door een beroep te doen op een andere belastingconsulent, hun schade hebben beperkt. C houdt thans ook voor dat het volstaan had het kosteloze karakter van het commodaat te schrappen, hetzij door er een commodaat onder bezwarende titel van te maken, hetzij door het te vervangen door verhuring en dat deze laatste formule geen enkele schade zou hebben berokkend aan appellante minstens de uiterst dure constructie die werd opgezet te vermijden. In dit verband dient toch opgemerkt te worden dat na het mededelen van het voorverslag geen enkele kritiek werd geuit door C en dat zij zich beperkte tot de mededeling dat het de partijen toekomt om te gelegenertijd tijdens de debatten voor het hof af te leiden welke de gevolgen zijn van hun verslag. Een dergelijke mededeling wijst er niet op dat C op dat ogenblik een goedkopere oplossing voor ogen had. Bovendien werd in het tussenarrest van 24 mei 2005 aan de deskundige uitdrukkelijk de opdracht gegeven ( zie punt 9 van de opdracht ) zijn advies te verlenen over de mate waarin de kosten ad 2.111.077 BEF ( = de schade die gevorderd werd door I., vóór de aanstelling van een deskundige, ingevolge het aanpassen van de akten en statuten) verschuldigd waren. In voornoemd punt 9 van de opdracht wordt uitdrukkelijk verwezen naar randnummer 7 in fine van het tussenarrest. In dit randnummer ( p. 5 en 6 ) wordt o.m. reeds gewag gemaakt van het argument van C dat er verschillende alternatieven bestonden om de nadelige gevolgen van het eerste systeem te vermijden die minder kostelijk waren dan de oplossing waarvoor de CVA I., op aanraden van haar nieuwe fiscale raadgevers, opteerde. M.b.t. voornoemde kosten staat vermeld in het deskundigenverslag dat het belangrijk is vast te stellen dat het kosten betreft voor het optimaliseren van een overigens volledig legale structuur en dat men deze registratierechten en kosten niet had gehad indien men tot deze oplossing ( = de gewijzigde structuur ) zou gekomen zijn vooraleer de vennootschap op te richten ( waarbij de deskundige expliciet verwijst naar punt 9 van zijn opdracht ). M.b.t. de gewijzigde structuur waarvoor uiteindelijk geopteerd werd ( = formule van de CVA met inbreng van de naakte eigendom ) komt de deskundige tot de conclusie dat in deze formule de voordelen van beide formules terug te vinden zijn zonder de nadelen ervan. Hij bespreekt tevens de formule waarbij de inbreng in natura in de CVA en het commodaat in één akte werden ondergebracht doch verwerpt die omwille van de hogere registratierechten die een dergelijke formule met zich meebrengen. De thans door C aangehaalde argumenten werden derhalve reeds impliciet door de deskundige weerlegd en er worden verder door C geen concrete gegevens aangegeven, zowel boekhoudkundig als fiscaal, die de stelling van de deskundige, in welke mate ook, ontkrachten. 3.3.2. Hierbij dient wel onderlijnd te worden dat de post t.b.v. 1.067.042 BEF of 26.451,28 euro ( = kost van de fiscale rechtzetting wegens de overgang van de rechtspersonenbelasting naar de vennootschapsbelasting ) enkel ten laste valt van C gezien de instrumenterende notaris in deze loutere fiscale aangelegenheid, ontstaan na het verlijden van de authentieke aktes, niet is tussengekomen. 3.3.3. Het saldo van de aangehouden schadevergoeding ( 1.612.240 BEF + ( 848.141 BEF - 810.000 BEF ) t.b.v. 1.650.381 BEF wordt tot beloop van ¼ ten laste gelegd van de instrumenterende notaris en tot beloop van de overige ¾ ten laste van C, of 412.595 BEF ten laste van de notaris en 1.237.779 BEF ten laste van C De schade ingevolge de fiscale rechtzetting en de statutenwijziging ( 1.067.042 BEF + 1.612.240 BEF ) komt integraal toe aan CVA I. en de kost van het commodaat ( 848.141 BEF - 810.000 BEF ) aan de heer en mevrouw S. 3.3.4. Wanneer echter de samenlopende fouten van verscheidene personen aanleiding hebben gegeven tot de schade, is, elk van hen, ten aanzien van het slachtoffer, dat zelf geen fout in oorzakelijk verband met het schadegeval en de schade heeft begaan, gehouden tot algehele vergoeding van de schade ( zie Cass., 18 september 2007, Rolnummer P.07.0743.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070918.4, www.cass.be ). Ditzelfde principe geldt voor de intresten die integrerend deel uitmaken van de verschuldigde schadevergoeding ( zie Cass., 26 april 1996, Arr. Cass., 1996, p. 371 ). Geïntimeerden zijn dan ook in solidum gehouden t.a.v. appellanten, in wiens hoofde geen enkele fout wordt aangehouden, tot betaling van de schade die ontstaan is ingevolge hun samenlopende fouten. 3.3.5.Appellanten vroegen aanvankelijk op de respectief aan hen toekomende bedragen verwijlintresten toe te kennen vanaf 16 juli 1997, zijnde de datum van de aanmaning verzonden door hun raadsman ( zie syntheseconclusie appellanten van 23 januari 2008 ). In hun syntheseconclusie van 1 februari 2008, die vervangende conclusies zijn ( zie zittingsblad ), worden verwijlintresten gevraagd vanaf 24 december 1997 ( de inleidende dagvaardingen werden respectievelijk betekend op 23 en 24 december 1997 ). C is de mening toegedaan dat slechts intresten zouden verschuldigd zijn vanaf de respectieve betaling van de bedragen te meer omdat de kosten voor de statutenwijziging ( = 1.612.240 BEF ) allen dateren van na voornoemde aanmaning van 16 juli 1997 ( zie tabel van betalingen opgenomen op p. 9 van de conclusie van C van 17 december 2007 waaruit blijkt dat betalingen werden verricht tussen november 1997 en augustus 1998 ). Op het bedrag van 1.612.240 BEF of 39.966,39 euro worden derhalve intresten toegekend vanaf de gemiddelde datum, zijnde 1 april 1998 en op de overige toegekende bedragen vanaf 24 december 1997, datum van één der dagvaardingen. 3.4. Wat de gerechtskosten betreft ( RPV ): (...) OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Hervormt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre hierin de vorderingen ontvankelijk werden verklaard en de kosten werden begroot, en opnieuw recht sprekende voor het overige; Verklaart de vorderingen gegrond in zoverre gericht tegen de heer X.X. en de N.V. C. Veroordeelt de N.V. C om te betalen aan de CVA I. het bedrag van ZESENTWINTIGDUIZEND VIERHONDERD EENENVIJFTIG EURO ACHTENTWINTIG CENT (26.451,28 euro of 1.067.042 BEF), plus de vergoedende intresten vanaf 24 december 1997 tot aan de datum van huidig arrest, waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten, telkens aan de wettelijke intrestvoet. Veroordeelt de N.V. C en de heer X.X. in solidum om te betalen aan de echtgenoten S - V. het bedrag van NEGENHONDERD VIJFENVEERTIG EURO NEGENENVEERTIG CENT (945,49 euro of [848.141 BEF - 810.000 BEF = 38.141 BEF]), plus de vergoedende intresten vanaf 24 december 1997 tot aan de datum van huidig arrest, waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten, telkens aan de wettelijke intrestvoet. Veroordeelt de N.V. C en de heer X.X. in solidum om te betalen aan de CVA I. het bedrag van NEGENENDERTIGDUIZEND NEGENHONDERD ZESENZESTIG EURO NEGENENDERTIG CENT (39.966,39 euro of 1.612.240 BEF), plus de vergoedende intresten vanaf 1 april 1998 tot aan de datum van huidig arrest, waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten, telkens aan de wettelijke intrestvoet. (...) Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 27/5/08 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070918.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div