← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080528.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 28 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080528.13 Rolnummer: 2006AR611 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-19 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 17:34 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Natuurlijke verbintenis BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Oneigenlijke contracten - Zaakwaarneming Vrije woorden: Art. 870 B.W. Nalatenschap. Passief. Begrafenisschulden. Hypothese van het overlijden van een man die als wettige erfgenaam één dchter nalaat die in onmin leeft met haar vader. De ruster van de overledene organiseert de begrafenis en betaalt de begrafeniskosten met gelden afgehaald met de volmacht ide ze had op de rekening van de thans overldene. Terugvordering van de begrafeniskosten. In casu blijkt uit de aangifte van de nalatenschap dat de begrafeniskosten zijn opgegegeven en aldaar gedetailleerd. Burgerlijke gevolgen van een aangifte van nalatenschap: mogelijkheid en voorwaarden. Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, Aanvullende kamer 1S, (wet van 9 juli 1997), Nr.: na beraad spreekt het volgend arrest uit : A.R. Nr. 2006/AR/611 Rep.nr.: 2008/ IN ZAKE VAN : Kamer 1S V. N., appellante, vertegenwoordigd door meester Pieter Meeus, loco meester Philip Willemyns, advocaat te 3000 Leuven, Koning Leopold I straat, Eindarrest TEGEN : V. G., geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester Nadia Michiels, advocaat te 3210 Linden, Lindestraat 37 C. ************ Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (7de kamer) na tegenspraak uitgesproken op 31 januari 2006, waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep, op 3 maart 2006 ter griffie van het hof neergelegd; - de conclusie en syntheseconclusie van appellante; - de conclusie, syntheseconclusie en tweede syntheseconclusie van geïntimeerde. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 30 april 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Procedure in eerste aanleg 1. Bij exploot van 26 augustus 2004 heeft N. V. een vordering ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven tegen haar tante G. V. in betaling van 4.059,78 euro , te vermeerderen met de interesten vanaf 29 januari 2004 en de kosten. G. V. stelde dat haar tante wederrechtelijk gelden toebehorend tot de nalatenschap van haar vader André V. had verduisterd en deze gelden diende terug te betalen. 2. G. V. besloot tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering (bij gebrek aan belang), minstens tot de ongegrondheid ervan. 3. Het bestreden vonnis verklaarde de vordering ontvankelijk doch ongegrond; N. V. werd in alle gerechtskosten veroordeeld. II. Procedure voor het hof 4. Voor het hof vraagt appellante het bestreden vonnis te hervormen en, opnieuw rechtsprekende, haar oorspronkelijke vordering in te willigen, met veroordeling van geïntimeerde tot betaling van 4.059,78 euro , plus interesten

(1)op 2.190,22 vanaf 29 januari 2004 tot 17 maart 2004 en
(2)op 4.059,78 euro vanaf 29 januari 2004 alsook de gerechtskosten van beide aanleggen. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.
  1. Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep, met veroordeling van appellante in de gerechtskosten van beide aanleggen. De ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering wordt bijgevolg niet meer betwist. III. Relevante feitelijke gegevens
  2. André V. is testamentloos overleden op 29 januari
  3. Hij was vader van N. V., met wie hij al 20 jaar geen enkel contact had, en was broer van G. V.. André V. woonde toen bij zijn moeder ... De nalatenschap kwam volledig toe aan de enige dochter N. V..
  4. Op 29 januari 2004, maar nà het overlijden van André V. ging G. V. 6.250 euro afhalen van de spaarrekening van haar broer bij AXA. Zij maakte hiervoor gebruik van de volmacht die haar broer haar verleend had.
  5. Dezelfde dag heeft G. V. haar nicht N. telefonisch op de hoogte gesteld van het overlijden van haar vader. Partijen geven elk een eigen versie over het voorwerp van dit telefonisch onderhoud. Vast staat dat N. V. toen het overlijden van haar vader vernam en dat er gesproken werd over de begrafenis waarover de dochter, gelet op de omstandigheden, geen initiatief wou nemen.
  6. G. V. heeft de begrafenis van haar broer op zich genomen en de kosten ervan betaald, zijnde volgens facturen een totale som van 4.059,78 euro , samengesteld als volgt: 2.322,88 euro aan de begrafenisondernemer BVBA Vanlinthout, 406,95 euro aan drukkerij Mellaerts (600 rouwbrieven), 1.115,95 euro aan Fitness De Miester voor de koffietafel en 214 euro voor bloemen (Bloemisterij Vannerum). G. V. had het voornemen om de rest van de som te besteden aan de aankoop van een grafsteen maar notaris Janssen te Bierbeek, handelende voor N. V., liet haar per brief van 11 maart 2004 weten dat appellante weigerde in deze kosten bij te dragen. Zij stortte dan ook op 17 maart 2004 het saldo, zijnde 2.190,22 euro , op de rekening van de notaris.
  7. Bij brief van 8 juli 2004 stelde de raadsman van appellante geïntimeerde in gebreke om de som van 4.059,78 euro te betalen die ten onrechte werd afgehaald van de spaarrekening van de overledene. De raadsman van appellante had al eerder de AXA Bank aangemaand om de gelden terug te storten nu de bank rekening had gehouden met een vervallen volmacht na het overlijden van de volmachtgever. De bank had echter het verzoek afgewezen (brief van 26 mei 2004).
  8. Na de inleiding van de procedure vroeg de raadsman van G. V. de aangifte van nalatenschap mede te delen. Er werd niet ingegaan op dat verzoekschrift zodat zij een verzoekschrift voor de vrederechter van het tweede kanton Leuven diende neer te leggen en bij beschikking van 4 oktober 2004 machtiging kreeg om via de ontvanger van de successierechten kopie van de aangifte te verkrijgen. Uit de aangifte van nalatenschap d.d. 28 juni 2004 ondertekend door N. V. blijkt dat de hierboven vermelde begrafeniskosten op het passief van de nalatenschap in rekening worden gebracht. IV. Bespreking
  9. G. V. heeft de organisatie van de begrafenis van haar broer op zich genomen en de kosten ervan betaald nadat gebleken was dat N. V. die al lange jaren in onmin met haar vader leefde, deze begrafenis niet zelf zou regelen. Dit blijkt geenszins abnormaal nu G. V. (met haar moeder) de laatste jaren de vertrouwenspersoon was geworden van de overledene en van hem volmacht op zijn rekeningen had gekregen.
  10. De hoegrootheid van de gemaakte kosten wordt op zich niet betwist. Het hof stelt overigens vast dat G. V., gelet op het patrimonium en de levensstandaard van de overledene, volledig redelijke uitvaartkosten heeft gemaakt.
  11. De begrafeniskosten maken een last van de nalatenschap uit voor zover ze in verhouding staan tot het vermogen en de levensstandaard van de decujus, wat o.m. uit artikel 870 van het Burgerlijk Wetboek volgt . Door de inschrijving op de aangifte van nalatenschap als passiefpost van de litigieuze begrafeniskosten voor de totale som van 4.059,78 euro en de omstandige vermelding van de facturen hierboven opgesomd (randnummer 9), heeft appellante overigens erkend dat deze kosten een schuld van de nalatenschap uitmaakten en dat zij deze in haar hoedanigheid van enige erfgenaam moest dragen. Ofschoon de aangifte van nalatenschap een fiscale verplichting uitmaakt en slechts fiscale gevolgen heeft, kan ze toch civielrechtelijke gevolgen hebben . De feitenrechter kan hieruit elementen afleiden die de aanvaarding door de erfgenamen van bepaalde schulden bewijzen.
  12. De omstandigheid dat geïntimeerde de begrafeniskosten heeft betaald met gelden die met gebruik van een vervallen volmacht werden afgehaald is te dezen irrelevant nu deze kosten finaal toch ten laste van appellante moesten vallen. Indien appellante zich wou verzetten tegen het blootstellen van de gemaakte kosten, diende zij na het telefonisch onderhoud met geïntimeerde, onmiddellijk en duidelijk haar verzet kenbaar maken. Appellante heeft dit niet gedaan en geïntimeerde kon er dan ook redelijk van uit gaan dat zij zelf de begrafenis van haar broer mocht organiseren en de kosten voor rekening van de nalatenschap betalen. De omstandigheid dat appellante pas na bijna zes maanden terugbetaling eiste van de som besteed aan de begrafeniskosten bekrachtigt dit impliciete akkoord tussen partijen. Het hoger beroep is ongegrond.
  13. Nopens de gerechtskosten: Partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingvergoeding te begroten op het basistarief zoals vastgesteld bij het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Te dezen bedraagt het basisbedrag 650 euro . OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende na tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt appellante in de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld in hoofde van appellante op 836 euro (186+650) en in hoofde van geïntimeerde op 650 euro. Aldus gevonnist door : De heer E. Janssens de Bisthoven, raadsheer, d.d. voorzitter, Mevrouw E. Herregodts, raadsheer, De heer M. Boes, plaatsvervangend raadsheer, magistraten van de kamer 1S van het hof van beroep te Brussel, die aan de beraadslaging hebben deelgenomen overeenkomstig artikel 778 van het Gerechtelijk Wetboek, en, gezien de wettige verhindering van mevrouw Herregodts, uitgesproken overeenkomstig de beschikking van de heer Eerste Voorzitter van dezelfde datum, en bij toepassing van artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, in openbare burgerlijke zitting van de kamer 1S van het hof van beroep te Brussel op 28 mei 2008, waar aanwezig waren : De heer E. Janssens de Bisthoven, raadsheer, d.d. voorzitter, De heer E. Vander Stadt, plaatsvervangend raadsheer, De heer M. Boes, plaatsvervangend raadsheer, De heer Th. Gillioen, e.a. adjunct-griffier. Th. Gillioen M. Boes E. Vander Stadt E. Janssens de Bisthoven Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.