← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080605.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 05 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080605.6 Rolnummer: 2007AR1910 Rechtsgebied: Overige - Familierecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-02-26 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-02 17:36 Fiche De overeenkomst die louter vermogensrechtelijk is (ze regelt in casu) enkel de verdeling van de goederen en de uitvoering van conventioneel bevestigde wederzijdse schulden en schuldvorderingen en die dus niet kan worden gezien als een overeenkomst die in strijd met de wet de feitelijke scheiding van partijen zou organiseren, in die zin dat ze zich daarin conventioneel zouden onttrekken aan de dwingende persoonlijke verplichtingen die uit het huwelijk ontstaan (art. 213 B.W.) is niet nietig. De wet verbiedt een verdelings-overeenkomst tussen echtgenoten die van goederen gescheiden zijn niet, integendeel: art. 1467 (lees 1469, nvdr) B.W. laat uitdrukkelijk toe dat ze ‘te allen tijde' tot verdeling van onverdeelde goederen kunnen overgaan. De echtgenoten zijn derhalve door dergelijke overeenkomst waarin ze hun wederzijdse schulden en schuldvorderingen vastleggen en bevestigen, gebonden. Tijdens de gerechtelijke vereffening van hun stelsel van scheiding van goederen na echtscheiding heeft de boedelnotaris terecht geoordeeld dat deze overeenkomst de echtgenoten bindt en heeft hij terecht daarmee bij de vereffening-verdeling rekening gehouden. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Onverdeelde goederen - Gerechtelijke verdeling BURGERLIJK RECHT - HUWELIJK - Gevolgen huwelijk - Algemeen BURGERLIJK RECHT - HUWELIJK - Verplichtingen en sancties BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Scheiding van goederen BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Dading Vrije woorden: Echtscheiding op grond van bepaalde feiten. Gevolgen. Vereffening van het huwelijksvermogensstelsel. Echtgenoten gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen. Gerechtelijke vereffening-verdeling (art. 1207-1224 Ger. W.). De boedelnotaris houdt rekening met een dading/minnelijke verdeling van bepaalde goederen overeengekomen tijdens de feitelijke scheiding. Impact van artikel 1469, lid 1 B.W. Overeenkomst die niet strekt tot het zich ontrekken aan de dwingende persoonlijke verplichtingen die uit het huwelijk ontstaan. Geldigheid. Bindend kracht van deze dading ook na echtscheiding, bij de gerechtelijke vereffening van het stelsel van zuivere scheiding van goederen. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 213 e.v. oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1469, lid 1 Gerechtelijk Wetboek - art. 1207-1224 Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, Aanvullende kamer 3S, (wet van 9 juli 1997), Nr.: na beraad spreekt het volgend arrest uit : A.R. Nr. 2007/AR/1910 Rep.nr.: 2008/ IN ZAKE VAN : A. N., wonende te appellante, vertegenwoordigd door meester Denis Borré, advocaat te 1082 Brussel, Dr. Schweitzerplein 18, TEGEN : Kamer 3S V. P., wonende te Eindarrest geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester Frederik Erdman, advocaat te 2000 Antwerpen, Amerikalei 25-

  1. *********************** Gelet op het verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 juli 2007, waarbij hoger beroep wordt aangetekend tegen het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 26 februari 2007, volgens verklaring van partijen betekend op 29 juni
  2. I. Wat voorafging De heer V. en mevrouw A. waren gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen, zoals blijkt uit hun huwelijkscontract verleden voor notaris X. te Z. op 18 augustus
  3. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel werd op 6 april 2004 de echtscheiding tussen hen uitgesproken; de echtscheidingsprocedure werd ingeleid op 18 februari
  4. In dat zelfde vonnis werd notaris X. aangesteld om over te gaan tot de bewerkingen van vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen en van de onverdeeldheid die tussen partijen bestond. De notaris heeft in de staat van vereffening rekening gehouden met een dadingovereenkomst die tussen partijen op 21 maart 2001 was gesloten, toen ze feitelijk gescheiden zijn gaan wonen. Daarin kwamen partijen overeen dat het meubilair bijna volledig aan mevrouw A. zou worden toebedeeld, en dat ze zich ertoe verbond een bedrag van 500.000 frank (12.394,68 euro ) aan de heer V. te betalen. Ze zou dit bedrag betalen in maandelijkse schijven van 6.000 frank, vanaf 1 april
  5. Rekening houdend met de reeds verrichte betalingen, berekende de notaris dat mevrouw A. nog 11.799,74 euro verschuldigd was. Mevrouw A. maakte tegen de staat van vereffening bezwaar; ze riep in dat de dadingovereenkomst tussen partijen geen bindende waarde heeft. Ze wierp ook op dat ze aan de heer V. niets verschuldigd is, omdat het bedrag dat hij vordert betrekking zou hebben op zijn investeringen in het huis dat haar persoonlijk toebehoort. Zij stelt dat de heer V. zonder enige vergoeding tijdens de samenwoning het genot van die woning heeft gehad, en dat de rekeningen tussen partijen hieromtrent overeenkomstig artikel 2 van het huwelijkscontract moeten geacht worden van dag tot dag te zijn vereffend. De boedelnotaris heeft de stelling van de heer V. bevestigd : de tussen partijen overeengekomen dading heeft volle uitwerking, rekening houdend met het bepaalde in artikel 6 van het huwelijkscontract van partijen. De boedelnotaris legde de stukken neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg, aan wie de zaak werd voorgelegd. De rechtbank nam kennis van de betwisting omtrent de geldigheid van de dadingovereenkomst en oordeelde dat ze niet ‘van iedere bewijswaarde ontbloot zou zijn'. Hij besloot dat er geen aanleiding was tot aanpassing van de staat van vereffening zoals door de boedelnotaris opgesteld. Hij verzond de zaak naar de boedelnotaris terug met het oog op verdere uitvoering van de staat, die hij homologeerde. II. Hoger beroep Tegen dit vonnis stelt mevrouw A. hoger beroep in. Ze verwijt de eerste rechter dat hij beslist heeft dat de dading van 21 maart 2001 volle uitwerking moest behouden, rekening houdend met de bepaling van artikel 6 van het huwelijkscontract van partijen. De eerste rechter had rekening moeten houden, zo stelt zij, met de omstandigheden waarin deze overeenkomst tot stand is gekomen, onder meer met de oorspronkelijke bedoeling van partijen om door onderlinge toestemming te scheiden. De overeenkomst die voorafgaand aan een echtscheiding door onderlinge toestemming is gesloten blijft zonder uitwerking indien afstand wordt gedaan van die procedure, zo luidde het (ondertussen door de Echtscheidingswet 2007 opgeheven) vierde lid van artikel 1287 Ger.W. Dat deze overeenkomst een begin van uitvoering heeft gekend doet daaraan geen afbreuk. De overeenkomst moet dus worden beschouwd als niet bestaande. Behoudens inboedelgoederen waarover tussen partijen geen betwisting bestaat, valt er, volgens haar, niets te verdelen. Het bedrag van 331.000 frank dat de heer V. in de woning van mevrouw A. heeft geïnvesteerd, kan niet teruggevorderd worden, omdat de rekening hieromtrent geacht wordt tijdens het huwelijk te zijn vereffend, overeenkomstig artikel 2 van het huwelijkscontract. Mevrouw A. vraagt dus de hervorming van het bestreden vonnis; ze vraagt het Hof voor recht te zeggen dat tussen partijen compensatie heeft plaats gehad en dat geen van hen nog iets van de andere te eisen heeft. De heer V. vraagt het hoger beroep als ongegrond af te wijzen. III. Beoordeling De heer V. betwist niet dat partijen een echtscheiding door onderlinge toestemming hebben overwogen. Mevrouw A. toont echter niet aan dat de dadingovereenkomst werd opgesteld met het oog op een dergelijke echtscheiding. In de overeenkomst zelf verwijzen partijen enkel naar hun feitelijke scheiding, niet naar een overwogen echtscheiding door onderlinge toestemming. De overeenkomst zou overigens voor dat doel niet hebben kunnen dienen, omdat ze niet alle elementen bevat die krachtens artikel 1287 Ger.W. daarin moeten geregeld worden; zo ontbreekt een regeling over het erfrecht voor het geval een van hen tijdens de procedure zou overlijden (art. 1287, 3de lid Ger.W.). De overeenkomst is louter vermogensrechtelijk: ze regelt enkel de verdeling van de goederen en de uitvoering van conventioneel bevestigde wederzijdse schulden en schuldvorderingen. Ze kan dus niet worden gezien als een overeenkomst die in strijd met de wet de feitelijke scheiding van partijen zou organiseren, in die zin dat ze zich daarin conventioneel zouden onttrekken aan de dwingende persoonlijke verplichtingen die uit het huwelijk ontstaan (art. 213 B.W.). Dit wordt overigens ook door geen van de partijen opgeworpen. De dadingovereenkomst bevat een geldige afrekening tussen partijen. Zij waren gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen. In artikel 6 van hun huwelijkscontract is bedongen dat zij onderling iedere rekening zullen kunnen opmaken en ieder contract sluiten, behoudens de beperkingen door de wet voorzien. De wet verbiedt een verdelings-overeenkomst tussen echtgenoten die van goederen gescheiden zijn niet, integendeel: art. 1467 B.W. laat uitdrukkelijk toe dat ze ‘te allen tijde' tot verdeling van onverdeelde goederen kunnen overgaan. Het conventioneel vermoeden dat de rekeningen van dag tot dag vereffend worden, geldt slechts, aldus datzelfde artikel 6 van hun huwelijkscontract, ‘bij ontstentenis van geschreven rekeningen'. Nu partijen hun rekeningen schriftelijk hebben opgemaakt, zijn ze door de overeenkomst waarin ze hun wederzijdse schulden en schuldvorderingen vastleggen en bevestigen, gebonden. De boedelnotaris heeft terecht geoordeeld dat deze overeenkomst partijen bindt en terecht daarmee bij de vereffening-verdeling rekening gehouden. Het bestreden vonnis wordt bevestigd. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in rechtszaken; Zegt het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond. Zegt voor recht dat er geen reden is tot toekenning van de maximale rechtsplegingvergoeding die de heer V. vordert; dat niets in de houding van mevrouw A. dit verantwoordt; en zegt dat de (basis)rechtsplegingvergoedingen met mekaar gecompenseerd worden. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de massa. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de kamer 3S van het hof van beroep te Brussel op 5 juni 2008 waar aanwezig waren : Mevrouw H. Casman, plaatsvervangend raadsheer, d.d. voorzitter, Mevrouw N. Barbé, plaatsvervangend raadsheer, Mevrouw B. Verhaeren, plaatsvervangend raadsheer, De heer Th. Gillioen, e.a. adjunct-griffier. Th. Gillioen B. Verhaeren N. Barbé H. Casman Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.