← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080623.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 23 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080623.11 Rolnummer: 2006AR448 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-22 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 17:41 Fiche Een OPEN berghok met daarin gevaarlijke goederen (in casu zinken platen met scherpe randen) vertoont een gebrek in de zin van artikel 1384, lid 1 B.W. Dus is de bewaarder ervan aansprakelijk ten opzichte van het jonge kind die in dit open berghok binnenging en hierbij zich verwondde aan de zinken platen met scherpe randen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Zaken Vrije woorden: Artikel 1384, lid 1 B.W. Gebrek in de zaak. Een kind op bezoek bij een derde loopt een open berghok in en verwondt zich daarbij aan de randen van zinken platen. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2006/AR/448 Onrechtmatige daad - gebrek in de zaak INZAKE VAN : De naamloze vennootschap FORTIS A.G., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, E. Jacqmainlaan 53, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0404.494.849, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 5 januari 2006, vertegenwoordigd door Meester Marleen SCHOUTEDEN, advocaat te 3020 HERENT, Dorenstraat 24, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer Olaf Z., 2) Mevrouw A. X., beiden in hun hoedanigheid van ouders en wettige beheerders over de persoon en de goederen van hun minderjarige zoon T. Z., 3) Mevrouw A. X., optredend in eigen naam, 4) geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester SCHUERMAN loco Meester Jacques BRUNEEL, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 22, 5) De heer D W., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester M. VAN DEN BROECK loco Meester Enrico DE SIMONE, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38,

  1. De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis dat na tegenspraak is gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 5 januari 2006 (AR 04/146). De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. FORTIS heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 20 februari
  2. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
  3. Het onderwerp van de vordering 2.
  4. Voor de eerste rechter vorderden Z. en X. als vertegenwoordigers van hun kind T. Z. de veroordeling van FORTIS en W., hoofdelijk of in solidum tot de betaling aan hen van 1.000 EUR provisioneel op een vergoeding geraamd op 50.000 EUR, en de aanstelling van een deskundige geneesheer. FORTIS concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. Bij tussenvordering vorderde zij de veroordeling van W. en van X. in eigen naam om haar te vrijwaren, "minstens voor het grootste gedeelte". W. concludeerde tot de ongegrondheid van de vorderingen. 2.
  5. De eerste rechter verklaarde de vordering van Z. en X. gedeeltelijk gegrond voor zover gericht tegen FORTIS, en veroordeelde FORTIS tot betaling van 500 EUR provisioneel, en stelde een deskundige aan. Hij verklaarde de vordering van Z. en X. tegen W. ongegrond, en verklaarde ook de vorderingen tot vrijwaring van FORTIS ongegrond. 2.
  6. In hoger beroep herneemt FORTIS haar oorspronkelijk verweer en haar oorspronkelijke vordering tot vrijwaring; aan die laatste voegt ze nu de vraag toe om X. en W. hoofdelijk of in solidum te veroordelen. Z. en X. concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Ondergeschikt stellen zij incidenteel hoger beroep in, waarbij zij de veroordeling vragen van W., hoofdelijk met FORTIS, tot betaling van 500,00 EUR provisioneel en de aanstelling van een deskundige. W. concludeert tot de ongegrondheid van de hogere beroepen.
  7. De feiten De eerste rechter heeft de feiten correct en volledig weergegeven als volgt: " Op 29 oktober 2002 was mevrouw X. met haar zoontje T. (°10.02.1998: dus toen 4,5 jaar) op bezoek bij de bejaarde mevrouw P. J., verzekerd bij Fortis. De zoon van mevrouw J., de heer W., was ook op bezoek en was de bladeren aan bet ruimen. De kleine T. hielp hem hierbij, terwijl zijn moeder samen met mevrouw J. het eten in de keuken klaarmaakte. De heer W. is op een gegeven ogenblik het huis binnengegaan om in de keuken een glas water te drinken. T. bleef alleen buiten en kwam kort daarna met een bebloed gezicht huilend binnengelopen. T. was zo erg overstuur dat hij niet kon vertellen wat er gebeurd was. Hij was aan zijn linkeroog gekwetst. Toen mevrouw X. met haar zoontje naar de dokter was vertrokken zou de heer W. hebben vastgesteld dat de kruiwagen die hij op het tuinpad had achtergelaten zich onderaan de helling van de garage bevond in een normale positie met het voorwiel naar beneden gericht. Volgens eisers is T. ongetwijfeld door de open garagepoort aangetrokken geweest en is hij de garage binnengegaan waar hij ten val is gekomen en met zijn hoofd terecht gekomen is op een stapel zinken platen die onbeschermd met de scherpe kant naar boven lagen. Uit de neergelegde stukken en uit de verklarende uitleg van de advocaten van partijen en van de heer W. in persoon op de openbare terechtzitting, blijkt dat de heer W. met T. de bladeren samenharkte op het tuinpad en de oprit, dit tuinpad het verlengde vormt van de oprit van de straat naar de garage en zijkant van de woning van mevrouw J. en vanuit de keuken (gelegen achteraan de woning) het tuinpad en de oprit niet te zien [zijn]. "
  8. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
  9. De eerste rechter De eerste rechter besliste op grond van volgende overwegingen. Mevrouw J., verzekerde van FORTIS, is aansprakelijk als bewaarder van de gebrekkige zaak, de garage waarin de platen lagen waaraan T. zich heeft verwond. Meneer W. heeft een fout begaan door het kind alleen achter te laten, maar die fout is zonder verband met de schade. Mevrouw X. kon ervan uitgaan dat W. toezicht zou houden op T. en heeft geen fout begaan. 4.
  10. De feiten FORTIS voert aan dat niet bewezen is hoe de feiten gebeurd zijn, en dat T. nooit heeft kunnen vertellen wat er gebeurd is. Zij wijst op de verklaringen van X. en W. na het ongeval, die stelden dat T. bij het verplaatsen van de kruiwagen gevallen was. Zij wijst er ook op dat in de garage geen bloedsporen gevonden zijn. Het is waar dat niemand het ongeval heeft zien gebeuren. Toch komen de feiten zoals door Z. en X. voorgesteld bewezen voor. Uit de vaststelling dat de kruiwagen verplaatst was, hebben X. en W. in hun eerste verklaringen afgeleid dat T. bij het verplaatsen van de kruiwagen was gevallen, maar daaruit blijkt eigenlijk alleen dat T. de kruiwagen heeft verplaatst tot bij de garage. Dat laatste laat toe het ongeval te situeren bij of in de garage. Anders dan FORTIS voorhoudt, heeft het kind nadien verklaard dat het in de garage is gevallen op de platen (aldus de verklaring in conclusie van W., overgenomen in de conclusie voor T., voor wie zijn ouders optreden). Het blijkt inderdaad niet dat er bloedsporen zijn opgemerkt in de garage, maar die zijn blijkbaar nergens opgemerkt, ook niet elders. Over de hoeveelheid bloedverlies is niets bekend; het is perfect mogelijk dat een punt van een plaat het oog heeft verwond en toch geen zichtbaar bloedspoor vertoonde. 4.
  11. Het gebrek in de zaak FORTIS stelt dat de garage niet als gebrekkige zaak kan beschouwd worden omdat ze nog beantwoordde aan haar model, te weten een bergplaats, dat het gebrek niet kan afgeleid worden uit de schade, en dat de eerste rechter ten onrechte aA.emt dat er mos of bladeren op de vloer lagen. Een zaak is gebrekkig indien zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken. Of de garage bruikbaar was als garage dan wel als berghok werd gebruikt, is zonder belang. Het is niet abnormaal dat in het berghok allerlei goederen lagen, waaronder ook gevaarlijk materiaal. Het berghok met een dergelijke inhoud werd wel abnormaal doordat het niet was afgesloten. Dit open berghok met gevaarlijke goederen vertoonde aldus een gebrek in de zin van artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek. J. is dus in beginsel aansprakelijk als bewaarder. Gelet op het bovenstaande is een onderzoek naar een persoonlijke fout van J. zonder belang. 4.
  12. De fout van W. en X. FORTIS voert ondergeschikt aan dat het verband tussen het gebrek en de schade niet vaststaat, omdat de schade is veroorzaakt door een fout van een derde, te weten W. en X., die T. alleen hebben gelaten in de tuin. Op die zelfde fouten steunt zij ook haar vordering tot vrijwaring. Anders dan de eerste rechter oordeelde, is het in beginsel niet onvoorzichtig om een kind van 4,5 jaar even alleen te laten op een oprit of een tuinpad. De oprit of het pad of de tuin zijn immers niet noodzakelijk onveilige omgevingen voor het kind; het risico moet in concreto beoordeeld worden. In casu blijkt bijvoorbeeld niet dat de tuin niet afgesloten was of dat er gevaarlijke voorwerpen of dieren waren, waarmee een kind niet alleen kon gelaten worden, buiten het vermelde berghok. Met betrekking tot dat berghok blijkt echter niet dat W. en X. wisten dat het open was en dat de platen daar lagen. Bijgevolg staat niet vast dat het ongeval voorzienbaar was voor W. of X.. Zij hebben dus niet de fout begaan die FORTIS hen verwijt. Gelet op het bovenstaande wordt het verband tussen het gebrek in de zaak en de schade niet verbroken. De vordering van Z. en X. tegen FORTIS is dus gegrond. Bij gebrek aan fout van X. en W. is de vordering tot vrijwaring van FORTIS dus niet gegrond. Het hoger beroep van FORTIS is dus ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van Z. en X. dat strekt tot veroordeling van W. geldt slechts ondergeschikt, dus niet in geval van afwijzing van het hoger beroep van FORTIS.
  13. De kosten Alle partijen verklaren ter zitting dat zij voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing vragen van de basisvergoeding op de gevorderde provisie. De rechtsplegingsvergoeding bedraagt dus in overeenstemming met artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 200,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van FORTIS ontvankelijk maar ongegrond. Verklaart het incidenteel hoger beroep van Z. en X. zonder voorwerp. Veroordeelt FORTIS tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van appellante op euro 386 (186 rolrecht + 200 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van Z. en X. samen op euro 200 rechtsplegingsvergoeding, - in hoofde van W. op euro 200 rechtsplegingsvergoeding; Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 23/06/08 waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.