← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080624.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 24 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080624.12 Rolnummer: 2006AR1406 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-15 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 17:43 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Dieren Vrije woorden: Artikel 1385 B.W. Paard. Ruiterschool. Leerling plaats haar paard terug in stal en wordt bij het aaien van een ander paar haar pink gedeeltelijk afgebeten. Wie is bewaarder van het paard. Quid de eventuele fout van het slachtoffer? Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2006/AR/1406 INZAKE VAN : De heer Y. O., appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 26 april 2006, vertegenwoordigd door Meester Soetkin T'JOENS loco Meester Ivo MERCELIS, advocaat te 3000 LEUVEN, Sint-Jacobsplein 19-20, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer Y., en 2) Mevrouw D., eerste geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Renate SEVENS loco Meester Thierry HOSCHET, advocaat te 3000 LEUVEN, Sint Maartenstraat 53, 3) Mevrouw M. R., wonende te 2800 MECHELEN , Luchtvaartstraat 27, 4) De heer E. Z., wonende te 3600 GENK, Hoevenzavellaan 116, in hun hoedanigheid van erfgenamen van wijlen de heer Louis Z., tweede geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Jan GOEDHUYS, advocaat te 3001 HEVERLEE, Ambachtenlaan 6, Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (9de kamer) op tegenspraak uitgesproken op 26 april 2006; - het verzoekschrift tot hoger beroep, op 17 mei 2006 ter griffie van het hof neergelegd; - de conclusie van appellant; - de conclusie van eerste geïntimeerden Andrea Y. en Anne D. en hun conclusie na akte van gedinghervatting; - de conclusie van tweede geïntimeerde Louis Z. en de "conclusie - akte van gedinghervatting" van M. R. en E. Z.. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 3 juni 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Procedure in eerste aanleg 1. Bij exploot van 14 januari 2004 hebben de echtgenoten Y.-D. een vordering ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven tegen

(1)de VZW Ruitersclub De Z. en
(2)de heer Lodewijk Z., en dit zowel namens de huwgemeenschap als namens mevrouw D. in eigen naam. De vordering strekte tot betaling aan de huwgemeenschap van een provisionele schadevergoeding van 800 euro en tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 5.000 euro aan mevrouw D. in eigen naam, telkens te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 26 juni 2002 en de gerechtelijke interesten, met voorbehoud voor hogere schadevergoeding. De echtgenoten Y.-D. vorderden ook de aanstelling van een wetsdokter met het oog op de evaluatie van de lichamelijke schade opgelopen door mevrouw D.. Deze vordering vond haar oorzaak in een schadegeval dat zich voorgedaan had op 26 juni 2002 in manege "De Z." te Rijmenam, uitgebaat door de VZW De Z.. Na de rijles heeft Mevrouw D. het paard ontzadeld en dan paard "R.", eigendom van de heer Z., met de rechterhand geaaid. Zonder verwittiging heeft het paard haar in de linker pink gebeten en deze pink zelfs deels afgebeten. De vordering was gegrond op art. 1382-1383 en 1385 van het B.W.
  1. Voor de eerste rechter is de heer Y. O. vrijwillig tussengekomen in zijn hoedanigheid van "enige exploitant van de manege". Hij besloot tot de ongegrondheid van de vordering die tegen hem werd uitgebreid. De VZW besloot tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering, minstens tot de ongegrondheid ervan. Eisende partijen maakten afstand van hun vordering inzoverre gericht tegen deze partij . Ook de heer Z. besloot tot de ongegrondheid van de vordering.
  2. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank: - aan eisers akte verleend van hun afstand van geding tegen de VZW Ruitersclub De Z.; - de hoofdeis voor het overige ontvankelijk verklaard en als volgt gegrond; - de vrijwillig tussenkomende partij O. veroordeeld tot betaling van een provisie van 500 euro aan de echtgenoten Y.-D. en van 2.000 euro aan mevrouw D., telkens te vermeerderen met de gerechtelijke interesten aan de wettelijke intrerestvoet; - de tegeneis ontvankelijk maar zonder voorwerp verklaard (hiermee wordt de tussenvordering in vrijwaring van partij Z. tegen de heer O. bedoeld); - het vonnis uitvoerbaar verklaard; - Dr. Ann Lechat als deskundige aangesteld om advies te geven over de door mevrouw D. opgelopen lichamelijke schade; - de eisers veroordeeld tot de kosten in hoofde van de VZW Ruitersclub De Z.; - de beslissing over de overige gerechtskosten aangehouden. Het hof stelt vast dat er in het petitum geen expliciete beslissing werd genomen over de vordering tegen partij Z. en over de kosten van deze vordering. De rechtbank oordeelde dat de exploitant van de manege, te weten de heer O., de bewaarder was van het paard op het ogenblik van de feiten en dat hij overeenkomstig art. 1385, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek gehouden was de schade te vergoeden. De eerste rechter sloot iedere fout in hoofde van het slachtoffer uit. II. Procedure voor het hof
  3. Voor het hof vraagt appellant het bestreden vonnis te hervormen en, opnieuw rechtsprekende, de oorspronkelijke vordering van de echtgenoten Y.-D. ongegrond te verklaren, met veroordeling van geïntimeerden of de oorspronkelijke medeverweerder Z. in de gerechtskosten van beide aanleggen. Het hoger beroep is gericht zowel tegen de echtgenoten Y.-D. als tegen de heer Z.. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.
  4. Geïntimeerden Y.-D. besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Zij stellen incidenteel beroep in en vorderen opnieuw de provisies die zij voor de eerste rechter vorderden, en zulks solidair of in solidum tegen partijen O. en Z.. Zij vragen tevens een deskundige aan te stellen, waartoe de eerste rechter echter al is overgegaan. Deze vordering is bijgevolg zonder voorwerp.
  5. Geïntimeerde Z., wiens geding door zijn erfgenamen werd hervat, besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en van het incidenteel beroep. III. Relevante feitelijke gegevens
  6. Het hof verwijst naar de uiteenzetting van de feiten door de eerste rechter.
  7. Samengevat komt het hierop neer dat op 26 juni 2002 mevrouw D., na een paardrijles te hebben gevolgd in de manege de B., door het paard R. in de linker pink gebeten werd. Op 8 augustus 2002 heeft mevrouw D. het ongeval als volgt aan de deskundige van haar verzekeringsmaatschappij aangegeven: Sinds ongeveer een jaar volg ik paardrijles in "De B.". Op woensdag 26 juni heb ik les gehad van 18 tot 19 uur. Na de les heb ik het paard (lespaard, eigendom van de manege) terug in zijn box geplaatst. Ik heb het paard ontzadeld. Het zadel (ben) ik terug gaan plaatsen in de hiervoor voorziene ruimte, nl. een hoek recht tegenover de box van "R.". Toen ik terug buiten kwam, stond R. met zijn kop door de tralies. Ik heb hem geaaid, hierbij rustte mijn linkerhand op de buitenkant van de deur (ter hoogte van de tralies), met mijn rechterhand aaide ik "R.". Zonder verwittiging (reactie van het paard) beet R. in mijn linkerpink. Mijn vriendin die in de manege aanwezig was, heeft mij onmiddellijk naar de spoedgevallen van Bonheiden gebracht. In een andere aangifte aan haar verzekeraar gaf mevrouw D. de volgende versie: Paard stond met hoofd door de tralies van de staldeur (die uitgeeft op de gang van de stallingen) om aandacht te vragen. Bij het aaien van het hoofd van het paard, beet het plotseling een stuk van de linker pink af. IV. Bespreking 1°. Wie is de bewaarder van het dier ?
  8. Appellant, uitbater van de manege De B., betwist dat het paard R., toen eigendom van de heer Z., onder zijn bewaring stond, in de zin van artikel 1385 B.W. Hij diende voor het paard te zorgen maar had geen enkele gebruiksmacht over het dier (het berijden of laten berijden, het inspannen enz.).
  9. Het wordt niet betwist dat de heer Z. zijn paard in de manege, uitgebaat door appellant, in pensioen had gestald. Uit de debatten blijkt dat het paard aldaar sinds begin 2000 was geplaatst. De heer Z. betaalde hiervoor een maandelijkse vergoeding.
  10. De bewaarder van het dier is degene die feitelijk het volledige meesterschap over het dier heeft. Dit slaat op een niet-ondergeschikte bevoegdheid (macht) van leiding en toezicht, zonder de tussenkomst van de eigenaar. Appellant, zijnde een professioneel, aan wie het paard sinds meer dan twee jaar door de eigenaar werd toevertrouwd, had kennelijk het feitelijke meesterschap over het dier. Hij genoot zelfstandig over het voordeel dat het dier kon opleveren, hield de materiële bewaring over het dier en besliste over de voeding, de verzorging en de activiteiten van het paard. De eigenaar, de heer Z., had sinds lange tijd geen dagelijks contact meer met het dier en hield er werkelijk geen toezicht meer over. In deze omstandigheden heeft de eerste rechter terecht beslist dat appellant op grond van artikel 1385 B.W. kon aangesproken worden. Het hoger beroep is ongegrond in zoverre gericht tegen (de erfgenamen van) de heer Z. . Appellant is ertoe gehouden de gerechtskosten in hoofde van deze partij te dragen. 2° Fout van het slachtoffer
  11. De aansprakelijkheid op grond van artikel 1385 B.W. is gesteund op een wettelijk vermoeden van fout in de bewaking van het dier. De bewaker van het dier kan zijn aansprakelijkheid enkel geheel of gedeeltelijk ontlopen door te bewijzen dat de schade is ontstaan door een vreemde oorzaak, zijnde overmacht, fout van een derde of fout van het slachtoffer zelf. Te dezen stelt appellant dat mevrouw D. een fout heeft gepleegd door vrijwillig en opzettelijk haar hand op en tussen de tralies van de staldeur te steken. Zodoende zou zij het territorium van het paard zijn binnengedrongen en een risico op zich genomen hebben.
  12. Uit de foto's van de staldeur kan worden afgeleid dat het paard inderdaad niet volledig zijn kop kon buitenzetten, wat de tralies niet mogelijk maakten. Het initiatief van mevrouw D. om het paard R. in zijn stal te strelen met de rechterhand, terwijl haar linkerhand gewoon op de opening bleef rusten, is echter niet foutief te noemen. Niets liet inderdaad vermoeden dat het dier onverwachts bijzonder wild zou reageren. Appellant beweert ten onrechte dat mevrouw D. als paardenliefhebber moest weten dat het paard zich gevaarlijk of agressief kon opstellen en dat zij zich diende te onthouden van ieder contact met het dier. Het paard was gestald in een centrale stal, naast de plaats waar de zadels worden bewaard, en waar niets liet vermoeden dat het een bijzonder gevaar vertoonde. Het was dan ook normaal dat mevrouw D., wanneer zij voor de stal liep, een vriendelijke aai aan het dier gaf. Door het willen strelen van dat dier heeft mevrouw D. zich, vergeleken met een normaal redelijke en behoedzame persoon in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst, niet onzorgvuldig gedragen. Het hoger beroep is bijgevolg ongegrond. 3°. Het incidenteel beroep
  13. De eerste rechter heeft een provisie van 500 euro aan de echtgenoten Y.-D. en een provisie van 2.000 euro aan mevrouw D. toegekend. Deze provisies zijn billijk en redelijk begroot gelet op de door geïntimeerden Y. en D. voorgelegde schadestukken en medische getuigschriften. De definitieve schade zal na neerlegging van het verslag van de gerechtsdeskundige worden bepaald. De door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel dient ook bevestigd. 4° .Nopens de gerechtskosten
  14. Partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingsvergoeding te begroten op het basistarief zoals vastgesteld bij het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Te dezen bedraagt het basistarief rekening gehouden met de bij het incidenteel beroep gevorderde globale provisie (van 5.000 euro te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 26 juni 2002) de som van 900 euro . Dit bedrag komt toe aan geïntimeerden gezien deze de in het gelijk gestelde partij zijn. Het hoger beroep wordt integraal afgewezen en het is niet omdat geïntimeerden ingevolge het ingestelde principaal hoger beroep zelf ook incidenteel beroep instelden - wat afgewezen wordt - dat, in dit concrete geval, geïntimeerden een deel van de gerechtskosten dienen te dragen in hoger beroep. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Geeft akte aan M. R. en E. Z. van hun gedinghervatting; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Leuven overeenkomstig artikel 1068, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Veroordeelt appellant in de gerechtskosten van beide aanleggen in hoofde van geïntimeerden M. R. en E. Z. en hun rechtsvoorganger, deze in eerste aanleg begroot op 356,97 euro rechtsplegingsvergoeding. Veroordeelt appellant in de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van hemzelf op euro 1.086 ( 186 rolrecht + 900 rechtsplegingsvergoeding), - in hoofde van eerste geïntimeerden samen op euro 900 rechtsplegingsvergoeding, en - in hoofde van tweede geïntimeerden samen op euro 900 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 24/06/08 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.