id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 24 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080624.30 Rolnummer: 1997AR3651 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2013-09-27 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 17:43 Fiche Een partij verwijt de eerste rechter niet afdoend gemotiveerd te hebben waarom hij het verzoek tot heropening van de debatten afwees. De rechter beoordeelt op onaantastbare wijze of de heropening al dan niet wordt toegestaan. De rechter hoeft zijn beslissing niet eens specifiek te motiveren. Bij toepassing van artikel 776 Ger.W. staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Berechting - Heropening van het debat Vrije woorden: Heropening der debatten. Motivering van de rechterlijke belissing. Recshtmiddelen. Hoger beroep? (art. 774 en 776 Ger. W.). Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 1997/AR/3651 INZAKE VAN : De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Binnenlandse Zaken, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Koningsstraat 60-62, appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 16 oktober 1997, vertegenwoordigd door Meester Edda MATERNE, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 391, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer K. N., 2) De heer K. P., vader van geïntimeerde sub 1, 3) Mevrouw T. Z., moeder van geïntimeerde sub 1, eerste tot en met derde geïntimeerden, niet verschijnende, noch iemand voor hen, 4) De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Buitenlandse Zaken, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Karmelietenstraat 19, vierde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Erlinde DE LANGE loco Meester Alain VERRIEST, advocaat te 1160 BRUSSEL, Tedescolaan 7, Een partij verwijt de eerste rechter niet afdoend gemotiveerd te hebben waarom hij het verzoek tot heropening van de debatten afwees. De rechter beoordeelt op onaantastbare wijze of de heropening al dan niet wordt toegestaan. De rechter hoeft zijn beslissing niet eens specifiek te motiveren. Bij toepassing van artikel 776 Ger.W. staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open. Gelet op de procedurestukken: • het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 16 oktober 1997, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; • het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 19 november 1997; • de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 5 november 2001; • de conclusie van geïntimeerden sub 1 t.e.m. 3 neergelegd ter griffie op 22 juli 2005; • de conclusie van geïntimeerde sub 4 neergelegd ter griffie op 3 november 2005; • de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 5 maart 2008. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 10 juni 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerden sub 1 tot 3 strekte ertoe appellant en geïntimeerde sub 4 te horen veroordelen tot betaling aan elk van hen van een provisie van 100.000 BEF, plus de gerechtelijke intresten onder voorbehoud van verhoging. 1.2. Terwijl de zaak in beraad was genomen door de eerste rechter legde huidige appellante een verzoekschrift neer tot heropening van de debatten. De eerste rechter heeft : (a) het verzoek tot heropening der debatten niet ontvankelijk verklaard, (b) de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard opzichtens huidige vierde geïntimeerde, (c) de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard opzichtens huidige appellant, (d) dienvolgens appellant veroordeeld tot betaling aan : (i) eerste geïntimeerde van een provisie van 75.000 BEF, (ii) tweede geïntimeerde van een provisie van 30.000 BEF en (iii) derde geïntimeerde van een provisie van 40.000 BEF en (e) de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis toegestaan. 1.3. Het hoger beroep van appellant beoogt de integrale afwijzing te horen bekomen van de oorspronkelijke vordering. 1.4. Geïntimeerden sub 1 t.e.m. 3 vragen de bevestiging van het bestreden vonnis mits de toevoeging dat de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Zaken solidair aansprakelijk zouden gesteld worden voor de betaling van de toegekende bedragen wat impliciet een hoger beroep uitmaakt (zie verder punt 3.1. van huidig arrest). 1.5. Geïntimeerde sub 4 vraagt :
(1)in hoofdorde, het hoger beroep tegenover hem onontvankelijk te verklaren,
(2)in ondergeschikte orde, de oorspronkelijke vordering, in zoverre tegen hem gericht, niet ontvankelijk te verklaren en hem buiten zake te stellen en
(3)minstens het " incidenteel " beroep ingesteld door geïntimeerden sub 1 t.e.m. 3 ongegrond te verklaren. II. De Feiten. 2.
- De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
- Samengevat komt het hierop neer dat geïntimeerde sub 1 (geboren op 20 december 1984 in Kinshasa) aan een ernstige ziekte lijdt en hij hiervoor sedert 1992 in behandeling is in het U.Z. St Luc te Woluwe. De ziekte noodzaakt het permanent innemen van welbepaalde medicatie en een aanhoudend gespecialiseerd medisch toezicht. een onderbreking van de behandeling kan fataal worden voor de patiënt. Betrokkene kwam op 19 februari 1992 aan in België met een visum geldig voor 3 maanden vanaf 20 mei
- Op 24 maart 1997 werd hem een verlengde aankomstverklaring afgegeven tevens geldig gedurende 3 maanden. Volgens geïntimeerden sub 1 t.e.m. 3 zou N. steeds een verlenging van zijn verblijfsvergunning hebben bekomen met het oog op de voortzetting van zijn behandeling en zouden diverse verzoekschriften ingediend geweest zijn om zijn verblijf te regelen op grond van humanitaire redenen. Wat er ook van zij, het staat vast dat bij beslissing van 28 december 2000 een machtiging tot verblijf werd verleend voor onbeperkte duur. Tijdens het schoolverlof in juli - augustus 1997 keerde geïntimeerde sub 1, voorzien van de nodige geneesmiddelen, terug naar Zaïre/Congo om er bij zijn ouders, zijnde geïntimeerden sub 2 en 3, te verblijven. Eind augustus 1997, toen geïntimeerde sub 1 terug wou vertrekken naar België, werd hem de toegang tot het vliegtuig Sabena geweigerd omdat hij niet beschikte over de nodige reisdocumenten. Hierop bood geïntimeerde sub 1 zich samen met zijn moeder aan bij de Belgische Ambassade in Kinshasa die in een verslag van 29 augustus 1997 meldde dat de moeder zich aanbood bij de Belgische diplomatieke diensten met een diplomatiek paspoort en dat dit paspoort niet erkend werd door het nieuwe regime in Congo. Voor zover het hof kan nagaan was aan geïntimeerde sub 1 een paspoort afgeleverd op 21 juli 1997 door de "Zaïrese Republiek" dat inmiddels, ingevolge het nieuwe bewind, de "Democratische Republiek Congo" was geworden. Er waren op dat ogenblik echter nog geen paspoorten voorhanden, uitgegeven door de "Democratische Republiek Congo". De Belgische autoriteiten waren derhalve de mening toegedaan dat dergelijke paspoorten ongeldig waren. Geïntimeerden poogden via een procedure in kort geding te bekomen dat de bevoegde minister zou verplicht worden een visum te verlenen doch de voorzitter meende dat een dergelijk verzoek niet onder zijn bevoegdheid viel. Na het neerleggen van een verklaring d.d. 7 oktober 1997 van het Congolese Ministerie van Buitenlandse Zaken waaruit bleek dat het paspoort van geïntimeerde sub 1 geldig bleef tot de uitgifte van nieuwe paspoorten door de "Democratische Republiek Congo", verkreeg betrokkene een visum voor een duur van 90 dagen, ingaand op 15 oktober 1997 en eindigend op 29 januari
- Geïntimeerde kwam terug in België aan op 26 oktober
- III. Beoordeling. 3.
- Wat de ontvankelijkheid betreft van het hoger beroep in zoverre gericht tegen het Ministerie van Buitenlandse Zaken: 3.1.
- Bij toepassing van artikel 1053 Ger.W. is het hoger beroep van appellant in zoverre gericht tegen geïntimeerde sub 4 niet ontvankelijk. Tussen appellant en geïntimeerde sub 4 is nooit een geding aanhangig geweest (partijen stelden tegen elkaar geen vordering in) en huidig geschil is niet onsplitsbaar. 3.1.
- Het (impliciet) hoger beroep ingesteld door geïntimeerden sub 1 t.e.m. 3 dient bijgevolg aangezien te worden als een principaal hoger beroep dat bij toepassing van artikel 1056 Ger.W. bij conclusie kan ingesteld worden ten aanzien van iedere partij die in het geding aanwezig was in eerste aanleg. Gezien de bestreden vonnis niet werd betekend werd dit hoger beroep tijdig ingesteld bij conclusie neergelegd op 22 juli
- 3.
- Wat de ontvankelijkheid betreft van de oorspronkelijke vordering in zoverre gericht tegen het Ministerie van Buitenlandse Zaken: 3.2.
- De eerste rechter oordeelde ten onrechte dan de vordering enkel gegrond kon zijn t.a.v. het Ministerie van Binnenlandse Zaken (= aangelegenheden die de toegang betreffen tot het Belgisch grondgebied, het verblijf en de vestiging aldaar, alsmede de verwijdering ervan van vreemdelingen) en dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken buiten zake diende gesteld te worden. Geïntimeerden sub 1 t.e.m. 3 verwijten ook aan de Belgische Ambassade in Kinshasa fouten te hebben begaan. De werking van de ambassades valt onder de bevoegdheid van het Ministerie van Buitenlandse zaken. 3.2.
- Het is dan ook ten onrechte dat geïntimeerde sub 4 voorhoudt dat de eerste rechter de vordering niet enkel ongegrond doch zelfs onontvankelijk had moeten verklaren. Haar mogelijke aansprakelijkheid wordt wel degelijk in vraag gesteld. 3.
- Wat de gevraagde heropening van de debatten betreft en de nietigheid van het bestreden vonnis: 3.3.
- Appellante verwijt de eerste rechter niet afdoend gemotiveerd te hebben waarom hij het verzoek tot heropening van de debatten afwees. De rechter beoordeelt op onaantastbare wijze of de heropening al dan niet wordt toegestaan. De rechter hoeft zijn beslissing niet eens specifiek te motiveren (Cass., 5 mei 1993, Arr. Cass. 1993, 439). Bij toepassing van artikel 776 Ger.W. staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open. 3.3.
- Appellante verwijt verder aan de eerste rechter zijn beslissing gesteund te hebben op die stukken waarvoor een heropening van de debatten werd gevraagd. Het staat vast dat het aangevoerde stuk of feit bij een afwijzende beslissing niet in het beraad kan betrokken worden (E. Gutt en J. Linsmeau, Examen de Jurisprudence, Droit Judiciaire privé (1971 - 1978), R.C.J.B. 1983, 86). In zijn overwegingen verwijst de eerste rechter naar een document van 7 oktober 1997 dat door geïntimeerden sub 1 t.e.m. 3 gehecht werd aan hun conclusie van 9 oktober 1997 en dat neergelegd werd in het kader van de behandeling van het verzoek tot heropening van de debatten. De eerste rechter heeft zich bijgevolg ten onrechte gesteund op stukken die gewisseld werden in het kader van het verzoek tot heropening van de debatten niettegenstaande hij dit verzoek heeft afgewezen. Dit stuk is niet het voorwerp geweest van een tegensprekelijk debat ten gronde. Het bestreden vonnis dient derhalve vernietigd te worden. 3.
- Wat de grond van de zaak betreft: 3.4.
- Geïntimeerden sub 1 t.e.m. 3 verwijten aan appellant en/of geïntimeerde sub 4 het gewekte vertrouwen te hebben geschonden, een inbreuk te hebben gepleegd op het schadebeperkingsplicht, een inbreuk te hebben gepleegd op artikel 11 van het K.B. n° 78 op de uitoefening van de gezondheidsberoepen en artikel 1382 B.W. te hebben geschonden alsmede hun motiveringsplicht. 3.4.
- Uit een nota van 23 juni 1997 uitgaande van het Ministerie van Buitenlandse zaken van de Democratische republiek Congo en gericht aan de diplomatieke en consulaire diensten blijkt dat met ingang van die dag alle diplomatieke en dienstpaspoorten geacht werden ongeldig te zijn. Uit een fax van 4 juli 1997 blijkt dat inmiddels een beperkt aantal nieuwe diplomatieke paspoorten was uitgebracht die groen van kleur waren en de vermelding droegen: "Democratische Republiek van Congo" (vrij vertaald). Het paspoort dat aangeboden werd op 29 augustus 1997 was een "oud" paspoort (niet groen en met nog een verwijzing naar het vroegere Zaïre) en was bijgevolg sedert 23 juni 1997 door de Congolese autoriteiten ongeldig verklaard. De Belgische Ambassade in Congo kan geen visums verlenen aan de door de Congolese overheid ongeldig verklaarde paspoorten. Het is eerst op 7 oktober 1997 dat het Congolese Ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Belgische ambassade in Kinshasa liet weten dat het paspoort van N. geldig bleef tot de uitgifte van de nieuwe paspoorten. Hierop werd een visum toegekend voor een periode van 90 dagen, ingaande op 15 oktober 1997, en reisde N. terug naar België op 26 oktober
- 3.4.
- De Belgische overheid heeft geenszins het gewekte vertrouwen geschonden. Het is door toedoen van de Congolese overheden zelf dat N. in de onmogelijkheid werd gesteld eind augustus 1997 terug te keren naar België. Vanaf het ogenblik dat de Congolese overheden het paspoort van N. (opnieuw) geldig verklaarden, werd door de Belgische ambassade in Kinshasa onmiddellijk het nodige gedaan opdat betrokkene zou kunnen terugkeren en werd hij opnieuw toegelaten op Belgisch grondgebied. 3.4.
- Er is geenszins bewezen dat het verplicht langer verblijf in Congo enige medische gevolgen heeft gehad voor N. en opnieuw dient onderlijnd te worden dat zijn terugkeer enkel belemmerd werd door de Congolese overheid. 3.4.
- Wat het recht van N. betreft om behandeld te worden door de meest bekwame artsen (K.B. n° 78) te maken heeft met huidige zaak is niet zeer duidelijk. Er kan enkel herhaald worden dat het de Congolese overheid was die aanvankelijk de terugkeer van N. belemmerd heeft. Indien zij eind augustus 1997 en niet in oktober 1997 het reisdocument van de betrokkene had gevalideerd, had hij eerder een visum verkregen en was hem eerder toegang verleend op Belgisch grondgebied . 3.4.
- De ambassadeur van België treft geen enkele fout. Hij is gehouden als eenieder beslissingen van de Congolese overheden te respecteren. Feit is dat op 7 oktober 1997 de ambassade van België in Kinshasa vanwege het Congolese Ministerie van Buitenlandse Zaken een afwijking bekwam op de eerder genomen beslissing van 23 juni 1997 waardoor N. toch kon vertrekken. De ambassadeur van België heeft integendeel al het nodige gedaan om de situatie van N. te regulariseren. 3.4.
- Er is bijgevolg geen enkele fout bewezen noch in hoofde van het Ministerie van Binnenlandse Zaken noch in hoofde van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Alle overige door partijen aangehaalde middelen zijn niet terzake dienend. 3.
- Wat de toepassing betreft van artikel 804 Ger.W.: 3.5.
- Artikel 804, laatste lid, Ger.W. bepaalt dat de rechtspleging op tegenspraak is t.a.v. een partij die verschenen is overeenkomstig artikel 728 of 729 Ger.W. en ter griffie of ter zitting conclusies heeft neergelegd. Bij schrijven van 16 december 1997, op die datum ook neergelegd ter griffie van het hof, heeft de raadsman van geïntimeerden sub 1 t.e.m. 3 schriftelijk medegedeeld dat hij in deze zaak tussenkwam wat voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 729 Ger.W. Geïntimeerden sub 1 t.e.m. 3 legden een conclusie neer ter griffie op 22 juli
- 3.5.
- Bij toepassing van het geciteerde artikel 804, laatste lid, van het Ger.W. wordt huidig arrest bijgevolg geacht op tegenspraak te zijn gewezen. 3.
- Wat de gerechtskosten (rechtsplegingsvergoeding) betreft: 3.6.
- Appellant en geïntimeerde vragen het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft. 3.6.
- Geïntimeerden sub 1 t.e.m. 3 vragen de bevestiging van het bestreden vonnis wat de toegekende bedragen betreft, hetzij 75.000 BEF + 30.000 BEF + 40.000 BEF = 145.000 BEF of 3.594,46 euro in hoofdsom. Dit bedrag valt in de schijf tussen 2.500,01 euro en 5.000 euro waarvan het basistarief 650 euro bedraagt. Dit bedrag komt toe aan appellant en aan geïntimeerde sub 4 als in het gelijk gestelde partij. 3.6.3.Wanneer meerdere partijen rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, mag, conform de wet van 21 april 2007, het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde aanspraak mag maken, bedragen. Het dubbel van het maximum bedraagt in deze zaak 3.000 euro (2 x 1.500 euro ), bedrag dat niet overschreven wordt door de toekenning van 2 x 650 euro . OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk in zoverre ingesteld door appellant tegen geïntimeerde sub
- Verklaart de overige hogere beroepen ontvankelijk. Verklaart enkel het hoger beroep ingesteld door appellant tegen geïntimeerden sub 1 t.e.m. 3 gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtsprekend, Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt geïntimeerden sub 1 t.e.m. 3 in de kosten van beide aanleggen, deze van het hoger beroep begroot - in hoofde van appellant op euro 835,92 ( 185,92 rolrecht + 650 rechtsplegingsvergoeding), - in hoofde van 1ste tot en met 3de geïntimeerden op euro 650 rechtsplegingsvergoeding, en - in hoofde van 4de geïntimeerde op euro 650 rechtsplegingsvergoeding; Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 24/06/08 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div