← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080728.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 28 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080728.11 Rolnummer: 2004AR2689 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2013-10-01 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-07-02 17:48 Fiche Lastgeving of volmacht is bij toepassing van artikel 1984 B.W. een handeling, waarbij een persoon aan een ander de macht geeft om iets voor de lastgever en in zijn naam te doen. Het contract komt slechts tot stand door de aanneming van de lasthebber. De feitenrechter oordeelt soeverein over het al dan niet aanwezig zijn van een lastgevingovereenkomst. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Testamenten - Herroeping BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Lastgeving - Algemeen BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Lastgeving - Begrip en vorm Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2004/AR/2689 INZAKE VAN : Mevrouw L. H., appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 5 oktober 2004, vertegenwoordigd door Meester Joseph PEETERS, advocaat te 3400 LANDEN, Burgstraat 17, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer C. S., en zijn echtgenote 2) Mevrouw L. J., geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Lieven DUCHATEAU loco meester Marc DEWAEL, advocaat te 3400 LANDEN, Stationsstraat 108A, Lastgeving of volmacht is bij toepassing van artikel 1984 B.W. een handeling, waarbij een persoon aan een ander de macht geeft om iets voor de lastgever en in zijn naam te doen. Het contract komt slechts tot stand door de aanneming van de lasthebber. De feitenrechter oordeelt soeverein over het al dan niet aanwezig zijn van een lastgevingovereenkomst. ____________________________________________________________ Gelet op de procedurestukken: • het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 5 oktober 2004, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; • het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 26 november 2004; • de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 20 juni 2005; • de aanvullende conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 14 september 2005; • de syntheseconclusie van geïntimeerden neergelegd ter griffie op 17 oktober 2005. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 22 april 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerden strekte ertoe appellante te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 1.631.250 BEF of 40.437,63 euro , plus de verwijlintresten aan 7% vanaf 19 juni 2001 tot de datum van de dagvaarding, waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten. Bij conclusie breidden zij hun vordering uit tot een hoofdsom van 62.057,51 euro . 1.2. Appellante stelde een tegeneis in en vroeg de veroordeling van geïntimeerden tot betaling van een bedrag van 25.321,73 euro , plus vergoedende intresten aan 7%. 1.3. De eerste rechter heeft

(1)de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond verklaard,
(2)de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en
(3)appellante veroordeeld tot betaling van een bedrag van 62.057,51 euro , plus de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet, vanaf de dagvaarding gerechtelijke intresten genaamd, vanaf de respectieve vervaldata tot de algehele betaling. 1.
  1. Het hoger beroep van appellante strekt ertoe: - Akte te verlenen van het voorbehoud dat zij nog wenst te laten gelden m.b.t. de valsheid van het stuk 04 - farde III - bijgebracht door geïntimeerden. Van dit middel werd afstand gedaan ter zitting van 22 april 2008 (zie zittingsblad en correcties aangebracht aan de conclusies); - Alvorens recht te doen en bij toepassing van artikel 877 e.v. Gerechtelijk Wetboek, te bevelen dat Meester Georges X., notaris te Landen, een eensluidend verklaard afschrift zou overleggen, voor toevoeging aan het dossier van rechtspleging, van de laatste wilsbeschikkingen welke hem door wijlen mevrouw U. werden gedicteerd en door hem bewaard worden onder zijn minuten; - Alvorens recht te doen en bij toepassing van artikel 877 e.v. Gerechtelijk Wetboek, de N.V. Fortis Bank, rechtsopvolger van de N.V. Generale Bankmaatschappij, te bevelen een eensluidend verklaard afschrift over te leggen, voor toevoeging aan het dossier van rechtspleging, van: o het bewaargevingcontract opgesteld op 18 november 1998 tussen wijlen mevrouw U. en de toenmalige G.B.; o de kwijting afgeleverd door mevrouw U. wegens de restitutie van de in bewaring gehouden Kasbon op 3 december 1998; o de integraliteit van het intern dossier dat door de G.B. werd samengesteld n.a.v. de bewaargeving, restitutie en uitbetaling van de bedoelde kasbon. - Alvorens recht te doen en bij toepassing van artikel 877 e.v. Gerechtelijk Wetboek, de Belgische Staat, Ministerie van Financiën, Dienst Successierechten te Tienen, te bevelen een eensluidend verklaard afschrift over te leggen van de door geïntimeerden ingediende aangifte van nalatenschap van wijlen mevrouw U.; - De oorspronkelijke vordering van geïntimeerden ongegrond te verklaren; - De eisuitbreiding door geïntimeerden voor de eerste rechter onontvankelijk, ontoelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren; - De vordering ingesteld door appellante tot het bekomen van een schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep (zie verder) onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren; - Hun oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; - Dienvolgens geïntimeerden te veroordelen tot het betalen van een bedrag van 25.321,73 euro , plus vergoedende intresten aan 7% vanaf 14 september
  2. 1.
  3. Geïntimeerden vragen
(1)de bevestiging van het bestreden vonnis en
(2)appellante te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 3.000 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep. II. De Feiten. 2.
  1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
  2. Samengevat komt het hierop neer dat bij authentiek testament van 15 september 1999, verleden voor notaris X., mevrouw A. U. al haar goederen legateerde aan geïntimeerden. Mevrouw U. is overleden op 16 juli 2000 zonder afstammelingen na te laten. Op 18 november 1998 legde mevrouw U. klacht neer wegens diefstal van een som geld ten beloop van 1.479.000 BEF en van een kasbon nr. BE 0867559883, uitgegeven door de G.B. en met een waarde van 1.500.000 BEF. Bij een (tweede) huiszoeking die plaatsvond op 26 november 1998 bij mevrouw U. zelf werd zowel de som geld als de kasbon teruggevonden. Hierop gaf mevrouw U. in november 1998 een bedrag van 1.455.000 BEF in bewaring aan de G.B. die dat bedrag stortte op een zichtrekening nr. 230 - 0364322 -
  3. Op 18 maart 1999 bood appellante zich aan bij het agentschap van de G.B. te Landen en verzocht zij om de uitbetaling van hoger genoemde kasbon. Het kapitaal ten bedrage van 1.500.000 BEF werd gestort op een renteboekje op naam van appellante met het nummer 230-7363087-
  4. Dit laatste renteboekje werd geopend op 3 december 1998 op naam van appellante met als gevolmachtigde mevrouw U.. Op dit boekje werd door mevrouw U. o.m. op 9 december 1998 een bedrag gestort van 1.400.000 BEF en op 25 januari 1999 een bedrag van 604.106 BEF Op 12 februari 1999 haalde appellante er een bedrag af van 1.000.000 BEF, op 25 maart 1999 een bedrag van 1.003.400 BEF en op 15 juni 1999 een bedrag van 500.000 BEF. Op 3 mei 2000 gaat mevrouw U. aan de procureur des Konings te Leuven vragen het dossier van 18 november 1998 te willen heropenen gezien zij inmiddels alweer geen enkel spoor meer heeft van de kasbon nr. BE
  5. Appellante zal hiertegen inbrengen dat gezien mevrouw U. op 18 november 1998 een bewaargevingcontract afsloot met de G.B. m.b.t. die wel bepaalde kasbon, zij bijgevolg wel degelijk op de hoogte was (moest zijn) waar deze kasbon zich bevond. Appellante houdt verder voor dat die kasbon en overigens ook de gelden voorkomende op het renteboekje met het nummer 230-7363087-31 haar werden geschonken door mevrouw U.. III. Beoordeling. 3.
  6. Wat de kasbon nr. B 0867559883 betreft: 3.1.
  7. De redenering van appellante is de volgende: gezien vaststaat dat de kasbon in bewaring werd gegeven aan de G.B. op 18 november 1998 - wat op zich reeds onjuist is gezien de kasbon eerst gevonden werd op 26 november 1998 tijdens een tweede huiszoeking bij mevrouw U. - en deze door appellante te gelde werd gemaakt op 18 maart 1999 kunnen er zich slechts twee hypotheses voordoen, met name: - Ofwel heeft de G.B. tussen 18 november 1998 en 18 maart 1999 de kasbon zonder toestemming van mevrouw U. afgegeven aan appellante wat een zware contractuele fout uitmaakt in hoofde van de bank en geïntimeerden moeten dan de bank aanspreken; - Ofwel heeft de G.B. in die periode de kasbon teruggegeven aan mevrouw U. en gezien appellante deze kasbon niet ontvreemd of gestolen heeft, is de enige mogelijke conclusie dat ook mevrouw U. zich van de kasbon heeft ontdaan ten hare voordele en dat er wel degelijk sprake is van een " traditio " m.a.w. de materiële overdracht van het waardepapier aan haarzelf (zie conclusie appellante p. 7 en 8). Een dergelijke redenering toont reeds aan dat appellante zelf twijfels heeft over haar rechtmatig bezit gezien zij de aansprakelijkheid van de bank in vraag stelt. 3.1.
  8. Appellante houdt verder voor dat bewuste kasbon haar op 3 december 1998 overhandigd werd door mevrouw U. en dat haar bezit, tussen 3 december 1998 en 18 maart 1999 voldoet aan alle voorwaarden opdat er sprake zou kunnen zijn van een regelmatig, ongestoord, openbaar en ondubbelzinnig bezit van de kasbon. 3.1.
  9. In een schrijven van 4 oktober 2000 - gericht aan de rijkswacht belast met het verrichten van onderzoeksdaden n.a.v. de nieuwe klacht neergelegd door mevrouw U. op 3 mei 2000 - deelde Fortis Bank het volgende mede: " In antwoord op ons schrijven van 21 september jl. kunnen wij u meedelen dat het intern onderzoek uitgewezen heeft dat de kasbon ter waarde van 1.500.000 BEF uitbetaald werd, in naam en voor rekening van mevrouw A. U., aan mevrouw L. H.. " (brief gevoegd aan het PV nr. 101139/00 en onderstreping toegevoegd). Een gelijkaardig schrijven werd diezelfde dag door Fortis Bank gericht aan de raadsman van geïntimeerden (farde III, stuk 7, dossier geïntimeerden). Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van deze toelichting. Deze werd gegeven in het kader van een gerechtelijk onderzoek en ter zitting van 22 april 2008 werd afstand gedaan van het voorbehoud m.b.t. de rechtsgeldigheid van dit stuk (zie hoger). Op 3 mei 2000 zal mevrouw U. bij monde van haar raadsman aan de Procureur des Konings te Leuven vragen het dossier, geopend n.a.v. haar eerste klacht, te heropenen omdat zij inmiddels elk spoor van haar kasbon opnieuw bijster is en Fortis Bank niet reageert op haar brieven van 6 en 18 april 2000 dienaangaande (farde II, stuk 6, dossier geïntimeerden). Tijdens haar eerste verhoor op 10 oktober 2000 zal appellante aan de verbalisanten verklaren: " Op 18 maart 1999 begaf ik me op vraag van mevr. U. naar de bank. Ze vroeg me een kasbon ter waarde van 1.500.000 BEF te laten uitbetalen, omdat deze kasbon zou vervallen. Ik heb dit gedaan. Het geld, 1.500.000 BEF, werd gestort op een renteboekje op naam van U. A.. Meer kan ik u niet verklaren. " (onderstreping toegevoegd). Hierbij valt op dat appellante het niet heeft over enige schenking of handgift en zelfs voorhoudt dat de tegenwaarde van de kasbon gestort werd op een rekening op naam van A. U. terwijl het in werkelijkheid ging om een rekening geopend op naam van appellante met mevrouw U. als gevolmachtigde. 3.1.
  10. Uit voorgaande gegevens blijkt dat appellante op 3 december 1998 onmogelijk als eigenaar kon beschouwd worden van bewuste kasbon gezien de tegenwaarde ervan op 18 maart 1999 nog uitbetaald werd in naam en voor rekening van mevrouw U.. Op 18 maart 1999 was bijgevolg de enige eigenaar van bewuste kasbon nog steeds mevrouw U.. Gezien mevrouw U. op 3 mei 2000 vroeg om haar dossier te heropenen omdat zij haar kasbon opnieuw niet meer vond, kan hieruit enkel afgeleid worden dat op dat ogenblik mevrouw U. nog steeds daden stelde als eigenaar van het waardepapier. 3.1.
  11. Het bewijs van een handgift en dus van de aanwezigheid van een animus donandi is niet voorhanden. Bovendien zelfs als m.b.t. roerende goederen het bezit geldt als titel dan nog is voor de toepassing van artikel 2279 B.W. een bezit vereist in de zin van de artikelen 2228 - 2229 B.W. Diegene die " bezit voor een ander " kan zich niet beroepen op artikel 2279 B.W. en de gegevens van het dossier tonen aan dat appellante het bewijs niet kan leveren van een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar, niet dubbelzinnig bezit als eigenaar van de kasbon in kwestie. 3.1.
  12. Appellante vraagt m.b.t. de problematiek van de kasbon Fortis bank te bevelen een aantal documenten neer te leggen, zoals het bewaargevingcontract, een kwijting en het intern dossier. De gevraagde documenten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit punt van de oorspronkelijke hoofdvordering en het behoort dan ook niet de neerlegging van dergelijke stukken te bevelen. 3.1.
  13. Het bestreden vonnis wordt derhalve bevestigd daar waar het appellante veroordeelde tot terugbetaling van de tegenwaarde van bewuste kasbon. Alle overige door partijen aangevoerde middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat en behoeven bijgevolg ook geen nader onderzoek. 3.
  14. Wat de gelden betreft op het renteboekje nummer 230 7363087 31: 3.2.1.Er wordt niet betwist dat van voornoemde rekening, geopend op naam van appellante, met mevrouw U. als gevolmachtigde, volgende bedragen werden afgehaald door appellante: - op 12 februari 1999: 1.000.000 BEF - op 25 maart 1999: 1.003.400 BEF - op 15 juni 1999: 500.000 BEF Totaal: 2.503.400 BEF of 62.057,66 euro Voor de goede orde dient onderlijnd te worden dat op 18 maart 1999 op diezelfde rekening de tegenwaarde van de kwestieuze kasbon werd gestort, hetzij 1.500.000 BEF of 37.184,03 euro (volgens geïntimeerden zou de omzetting in euro een bedrag van 37.183,94 euro geven). Wat geïntimeerden eigenlijk terugvorderen is het bedrag van 2.503.400 BEF die volgens hun omzetting 62.057,51 euro bedraagt, bedrag dat als zodanig werd toegekend in het bestreden vonnis waarvan zij de bevestiging vragen. Gelet op wat uiteengezet werd in punt 3.
  15. van huidig arrest is er geen betwisting dat het bedrag van 1.500.000 BEF (= tegenwaarde kasbon) aan geïntimeerden toekomt. 3.2.
  16. Bij wijze van ‘ eisuitbreiding ‘ vorderen geïntimeerden tevens de terugbetaling van de bedragen waarvan zij menen dat ze eveneens onterecht door appellante werden afgehaald (aanvankelijk werd alleen de terugbetaling van de tegenwaarde van de kasbon gevraagd). Appellante werpt op dat een dergelijke eisuitbreiding bij toepassing van artikel 807 Ger.W. niet ontvankelijk is Een vordering kan uitgebreid worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of een akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. In de inleidende dagvaarding wordt beschreven dat geïntimeerden, in hun hoedanigheid van erfgenamen van mevrouw U., menen recht te hebben op fondsen - alsdan beperkt tot de tegenwaarde van een kasbon - die onterecht door appellante zouden zijn afgehaald van een welbepaalde rekening. Het feit dat geïntimeerden pas later ontdekten dat buiten de kasbon nog andere bedragen ten onrechte zouden zijn afgehaald van die rekening is geen reden om te stellen dat deze eisuitbreiding niet zou berusten op een feit of aan akte aangevoerd in de inleidende dagvaarding. De eisuitbreiding voldoet aan de eisen van artikel 807 Ger.W. en is derhalve ontvankelijk. 3.2.
  17. Ook wat betreft de gelden die appellante van voornoemde rekening afhaalde, zal zij beweren dat zij het voorwerp uitmaakten van een handgift ten hare voordele. De rekening 230-7363087-31 stond op naam van appellante met mevrouw U. als begunstigde. Het is echter niet omdat die rekening op haar naam stond dat hieruit de wil volgt van U. om appellante te begiftigen. In dit verband dient opgemerkt te worden dat appellante in haar eerste verklaring aan de verbalisanten (zie hoger) de mening was toegedaan dat deze rekening op naam stond van U. met haar als begunstigde. Indien appellante, zoals ze het thans stelt, de begiftigde zou zijn van de op die rekening voorkomende fondsen zou zij dit zeker onmiddellijk ook hebben medegedeeld i.p.v. de indruk te wekken dat deze fondsen inderdaad eigendom waren van U.. Op deze rekening werden enkel stortingen gedaan door mevrouw U. en nooit door appellante niettegenstaande zij "op papier" de titularis ervan was. Uit het dossier blijkt verder dat U. deze rekening afsloot op 14 september 1999 en het saldo t.b.v. 1.021.476 BEF diezelfde dag werd gestort op een nieuw renteboekje 230-7363271-21 geopend op naam van U. alleen. Hiertegen kwam geen enkel verzet vanwege appellante hetgeen hoogst eigenaardig is indien, zoals zij het stelt, eigenaar was geworden via handgift van de op deze rekening voorkomende fondsen. Het is eerst nadat geïntimeerden waren overgegaan tot dagvaarding (exploot betekend op 14 juni 2001) dat appellante als verweer tegen de eisen van de tegenpartij het bestaan van een handgift claimde en de terugbetaling vroeg van het bedrag van 1.021.476 BEF of 25.321,73 euro bij wijze van tegeneis (zie verder). 3.2.
  18. Er dient andermaal te worden vastgesteld dat het bewijs van het bestaan van een handgift niet afdoend geleverd wordt, meer bepaald van een animus donandi in hoofde van de decuius die definitief was en onherroepbaar. 3.2.
  19. In dit verband vraagt appellante de Belgische Staat - Ministerie van Financiën - Dienst Successierechten te Tienen te bevelen een eensluidend verklaard afschrift neer te leggen van de door geïntimeerden ingediende aangifte van nalatenschap van de decuius. Een kopie van deze aangifte werd door geïntimeerden neergelegd (farde I, stuk 3). Een eensluidend verklaard afschrift zal geen nadere gegevens aan het licht brengen. Gezien het gerechtelijk onderzoek nog hangende was op het ogenblik van het betekenen van de dagvaarding in huidige zaak is het perfect aannemelijk dat geïntimeerden eerst kennis kregen van de andere afnamen verricht door appellante op boven vermelde rekening bij ontvangst van het zonder gevolg geklasseerd repressief dossier. De aangifte van nalatenschap werd bovendien ingediend op 15 januari 2001, d.i. nog vóór de dagvaarding in huidige zaak. Om al deze redenen is er geen behoefte om de neerlegging te vragen van een dergelijk stuk. 3.2.
  20. Het bestreden vonnis wordt tevens bevestigd in zoverre hierin gesteld wordt dat appellante niet afdoend bewees eigenaar te zijn geworden van bewuste fondsen. Alle overige door partijen ter zake aangevoerde middelen zijn niet dienend in het licht van wat voorafgaat. 3.
  21. Wat de tegeneis betreft: 3.3.1.Appellante is de mening toegedaan dat mevrouw U., thans haar rechtsopvolgers, verantwoording verschuldigd is op grond van het lastgevingcontract dat haar verbond met mevrouw H.. Lastgeving of volmacht is bij toepassing van artikel 1984 B.W. een handeling, waarbij een persoon aan een ander de macht geeft om iets voor de lastgever en in zijn naam te doen. Het contract komt slechts tot stand door de aanneming van de lasthebber. De feitenrechter oordeelt soeverein over het al dan niet aanwezig zijn van een lastgevingovereenkomst. In huidige zaak was mevrouw U. gelet o.m. op haar gevorderde leeftijd hulpbehoevend en had zij meer bepaald hulp nodig voor het beheren van haar rekeningen. Mevrouw U. deed in die periode beroep op appellante om haar vermogen mee te helpen beheren, al was het maar voor het afhalen van geld bij de bank. In deze omstandigheden kan moeilijk aangenomen worden dat een lastgevingovereenkomst tot stand kwam tussen beide partijen waarbij de decuius bovendien zou zijn opgetreden als lasthebber van appellante. De bedoeling van de partijen moet immers onderzocht worden en niet de rechtsbegrippen die hierbij gebruikt werden. 3.3.
  22. Gezien tussen partijen nooit enige lastgeving tot stand kwam met de decuius als lasthebber, dient er evenmin verantwoording te worden afgelegd. 3.3.
  23. Gelet op wat hoger uiteengezet werd m.b.t. de oorspronkelijke hoofdvordering, zoals uitgebreid, is de door appellante ingestelde tegenvordering (terugbetaling van een bedrag van 25.321,73 euro ) ongegrond. 3.3.
  24. Het bestreden vonnis wordt op dit punt tevens bevestigd. 3.
  25. Wat de vordering tot afgifte betreft van de gebeurlijk door de decuius voorheen opgestelde testamenten betreft: 3.4.
  26. Testamenten zijn steeds herroepbaar. Het testament waarin geïntimeerden als legatarissen worden aangesteld, werd niet betwist en is bijgevolg het enige dat (nog) van kracht is. 3.4.2.Wat in de eventuele vorige testamenten werd beslist, is niet ter zake dienend gezien deze als niet geschreven dienen beschouwd te worden. 3.4.
  27. De eerste rechter ging dan ook terecht niet in op dit verzoek. 3.
  28. Wat de vordering betreft wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep: 3.5.
  29. Appellante heeft het recht hoger beroep aan te tekenen en het bewijs wordt niet geleverd dat zij dit op een lichtzinnige manier deed of misbruik heeft gemaakt van haar recht hoger beroep aan te tekenen. Hierbij wordt zelfs niet ingegaan op het lot van dergelijke vorderingen ingevolge het van kracht worden van de wet van 21 april 2007 en het K.B. van 26 oktober
  30. 3.5.
  31. Deze vordering is dan ook ongegrond. 3.
  32. Wat de gerechtskosten, meer bepaald de rechtsplegingsvergoeding betreft: 3.6.1.Beide partijen hebben ter zitting van 22 april 2008 om de toekenning van het basistarief gevraagd. Gelet op het door geïntimeerde gevorderde bedrag van 62.057,51 euro in hoofdsom en de door appellante ingestelde tegeneis t.b.v. 25.321,73 euro in hoofdsom, wat samen een bedrag geeft van 87.379,24 euro in hoofdsom, bedraagt de rechtsplegingsvergoeding in deze zaak 3.000 euro . 3.6.
  33. Dit bedrag komt aan geïntimeerden toe gezien zij de in het gelijk gestelde partijen zijn. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Verklaart de vordering tot het bekomen van schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt appellante in de kosten van hoger beroep, begroot in hoofde van beide geïntimeerden samen op euro 3.000 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 28/07/08 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.