← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080728.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 28 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080728.3 Rolnummer: 2003AR2335 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-07 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-07-02 17:47 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Erfstelling Vrije woorden: I. Artikel 896 B.W. Erfststelling over de hand vervat in een eigenhandig testament. Concrete casus: Legaat van vruchtgebruik van een onroerend goed aan de acht kinderen van de testator, waarbij het vruchtgebruik bij overlijden een hunner telkens aanwast aan de langstlevende, met testamentair verbod van verkoping van het onroerend goed tijdens het leven van de vruchtgebruikers. Sanctie bij overtreding van artikel 896 B.W. II. Draagwijdte van de uitzonderingen vervat in artikelen 897 en 899 B.W. III. Lot van de voormelde clausule van onvervreemdbaarheid. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 896 oud Burgerlijk Wetboek - 897 Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2003/AR/2335 Erfenis - testamenten - erfstelling over de hand INZAKE VAN : De heer L. W., wonende te appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 2 september 2003, in persoon verschijnende; 1ste kamer TEGEN : 1) De heer G. W., 2) De heer G2 W., 3) Mevrouw P. W., 4) Mevrouw S. W., , eerste tot en met vierde geïntimeerden, de derde in persoon verschijnende, allen vertegenwoordigd door Meester Philippe VANDERVEEREN, advocaat te 3000 LEUVEN, Frederik Lintstraat 3, 5) De heer H. W., , vijfde geïntimeerde, in persoon verschijnende; 6) Mevrouw R. W., , zesde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Herman STROOBANTS, advocaat te 3300 TIENEN, Kabbeekvest 96 7) Mevrouw C. W., , zevende geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Joost HENDRIX loco Meester Ronny MAES, advocaat te 3500 HASSELT, Sint-Truidersteenweg 10, (...)

  1. Het onderwerp van de vordering 2.
  2. G., G2, P. en S. W. hebben hun broers en zusters gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, en vorderden de vereffening en verdeling te bevelen van de nalatenschap van H2 W., hun vader. Bij vonnis van 17 juni 1999 beval de rechtbank de vereffening en verdeling van de nalatenschap, en stelde zij notaris MAES en notaris BOSMANS beiden te Leuven aan; zij beval aan notaris VALKENIERS te Tienen of notaris ADRIAENS te Hoegaarden de neerlegging van een eigenhandig testament van H2 W.. Zij verleende voorbehoud aan de verwerende partijen voor het geval er geen verkaveling tot stand kwam en voor het geval dat het onroerend goed niet een prijs van 7.500.000 BEF zou halen bij openbare verkoop. Op 29 augustus 2000 legde notaris MAES proces-verbaal neer op de griffie van de rechtbank, met het oog op de beoordeling van twee punten: - De toepassing van een eigenhandig testament van H2 W. van 27 augustus 1992, volgend na een eigenhandig testament van 25 augustus 1992; - De bestemming van het onroerend goed van H2 W., waarover partijen op 22 oktober 1997 een opdracht hadden gegeven voor het maken van een verkavelingsontwerp, maar waarover geen eensgezindheid meer bestond. G., G2, P. en S. W. vroegen te zeggen voor recht dat: - De erflater met het testament van 27 augustus 1992 de gelijkheid tussen zijn kinderen wilde herstellen; - Geen verdeling in natura van het onroerend goed mogelijk is en dus een verkoop zich opdringt. Daarnaast stelden zij dat L. W. een woonstvergoeding verschuldigd is (plus wettelijke intresten), te ramen door de notaris, zo nodig bijgestaan door een deskundige. L. W. stelde in conclusie dat zijn vader in testament had bepaald dat het vruchtgebruik van het onroerend goed moest doorgegeven worden, wat impliceert dat geen verdeling mogelijk is. L. W. concludeerde tot de afwijzing van de woonstvergoeding. De eerste rechter vermeldt dat R. W. de openbare verkoop vroeg, terwijl H. W. de verkaveling en verdeling in natura vroeg. 2.
  3. De eerste rechter besliste: - De beschikking in het testament van 27 augustus 1992 is nietig, het testament van 25 augustus 1992 is niet herroepen en kan zijn volledige uitwerking hebben. - Op dit moment kan de verkoop of verdeling in natura van het onroerend goed niet bevolen worden, en moet onderzocht worden onder welke voorwaarden een verkavelingsvergunning kan verkregen worden - L. W. is in beginsel een woonstvergoeding verschuldigd De eerste rechter stelde een deskundige aan voor een advies over de huurwaarde van het onroerend goed, en zond de zaak terug naar notaris MAES. 2.
  4. In hoger beroep vraagt L. W. de oorspronkelijke vordering van G., G2, P. en S. W. niet ontvankelijk minstens ongegrond te verklaren. Hij vraagt de uitvoering van de twee testamenten, met vruchtgebruik over het onroerend goed voor de acht kinderen, en met bevoordeling van hemzelf. G., G2, P. en S. W. concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Zij vragen dat het hof door de devolutieve werking van het hoger beroep de hele zaak aan zich trekt. H. W. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Hij vraagt om een eventueel incidenteel hoger beroep van G., G2, P. en S. W. met het oog op de openbare verkoop van het onroerend goed ongegrond te verklaren. Ten slotte vraagt hij het vonnis te bevestigen met uitzondering voor wat betreft de woonstvergoeding van L. W.. Dit is dus een incidenteel hoger beroep. R. W. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep vraagt zij te zeggen dat het testament van 27 augustus 1992 deels rechtsgeldig is en de verkoop te bevelen van het onroerend goed. C. W. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.
  5. De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt: " Partijen zijn de kinderen en erfgenamen van H2 W., overleden te Leuven op 7 januari
  6. Op 25 augustus 1992 schreef H2 W. een eigenhandig testament, dat neergelegd werd onder de minuten van notaris Bert Valkeniers te Tienen op 12 mei 1997, dat als volgt luidt: Ik ondergetekende W. H2 Corneille geb. te Zétrud Lumay op 30.8.1992 en wonende te Rommersom 4, 3320 Hoegaerden, gezond en wel van geest, verklaar hierbij dat ik bij mijn afsterven mijn jongste zoon L. W. een vierde voet vooruit geef. Deze schikking aangaande mijn nalatenschap gedaan te hebben op 25 augustus
  7. Rommersom 4, 25-8-
  8. get. H. W. Op 27 augustus 1992 schreef H2 W. een eigenhandig testament, dat neergelegd werd onder de minuten van notaris Christian MAES te Leuven op 6 juni 2000, dat als volgt luidt: Ik ondergetekende W. H2, geb. 30.
  9. 1922 te Zétrud, Lumay en wonende te Rommersom 4, 3320 Hoegaerden, gezond en wel van geest, verklaar hierbij dat het vruchtgebruik van mijn huis en grond toekomt aan mijn acht kinderen welke voortspruiten uit mijn overleden echtgenote T. M. en dat deze beschikking van vruchtgebruik aangaande mijn eigen grond en huis geldt tot dat de laatste overblijvende van mijn acht kinderen overleden is, zodat er niet kan verkocht worden totdat de laatste overblijvende van mijn kinderen overleden is en ieder ervan vrijen toegang tot mijn huis heeft. Gedaan to Rommersom op 27 augustus
  10. get. H. W. "
  11. De ontvankelijkheid van de hogere beroepen (...)
  12. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 5.
  13. De eerste rechter De eerste rechter besliste op grond van volgende overwegingen. Het testament van 27 augustus 1992 houdt een verbod van verkoop in en de verplichting het vruchtgebruik door te geven, wat strijdig is met artikel 896 van het Burgerlijk Wetboek. Die beschikking is nietig, en voor het overige herroept het testament van 27 augustus 1992 niet het testament van 25 augustus
  14. L. W. bewoont het onverdeelde onroerend goed, en is dus in beginsel een vergoeding verschuldigd aan de andere deelgenoten. Gelet op de onduidelijkheid over de kosten van een verkaveling kan nog niet beslist worden over verdeling in natura of verkoop van het onroerend goed. 5.
  15. Het voorwerp van het hoger beroep Het hoger beroep kan alleen gericht zijn tegen de beslissingen van de eerste rechter in het vonnis waartegen beroep. Die beslissingen hebben betrekking op de toepassing van het testament van 27 augustus 1992, de bestemming van het onroerend goed, en de woonstvergoeding. 5.2.
  16. De erfstelling over de hand Het testament van 27 augustus 1992 zoals hierboven aangehaald bevat maar één beschikking, die erin bestaat dat het vruchtgebruik van het onroerend goed toekomt aan de acht kinderen, dat het vruchtgebruik geldt tot de laatste van hen sterft, "zodat er niet kan verkocht worden". Deze beschikking kan alleen begrepen worden als een verbod om te vervreemden. Ze heeft geen andere betekenis: dat het vruchtgebruik naar de 8 kinderen gaat, is ook het geval zonder testament: de 8 kinderen zijn erfgenaam, en worden onverdeeld eigenaar van het onroerend goed, met inbegrip van het vruchtgebruik. Uit de tekst is duidelijk dat de bedoeling van de vader was dat het onroerend goed niet mocht verkocht worden zolang één van zijn kinderen leeft. Deze beschikking is strijdig met artikel 896 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt: Erfstellingen over de hand zijn verboden. Iedere beschikking waarbij de begiftigde, de benoemde erfgenaam of de legataris ermee belast wordt het geschonkene te bewaren en aan een derde uit te keren, is nietig, zelfs ten aanzien van de begiftigde, de benoemde erfgenaam of de legataris. Die bepaling stemt werkelijk overeen met wat vader W. bedoelde: de erfgenamen moesten het geschonkene bewaren tot aan de dood van de laatste van hen. Deze beschikking moet nietig verklaard worden. L. W. laat gelden dat de erfstelling over de hand wel toegelaten is door artikel 897 tot 899 van het Burgerlijk Wetboek. Die bepalingen zijn in deze echter niet van toepassing. Gelet op het verbod van de erfstelling over de hand, dat van openbare orde is, moeten de wettelijke uitzonderingen strikt begrepen worden. Artikel 897 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt: De eerste twee paragrafen van het vorige artikel zijn niet van toepassing op de beschikkingen die bij hoofdstuk VI van deze titel aan ouders en aan broeders en zusters zijn geoorloofd. Het "hoofdstuk VI van deze titel" heeft betrekking op de geoorloofde beschikkingen ten voordele van de kleinkinderen van de schenker of erflater, of ten voordele van de kinderen van zijn broers of zusters. In huidig geval geeft vader W. echter niet aan de kinderen met last om door te geven aan de kleinkinderen, maar legt hij op om niet te verkopen tot het laatste kind sterft. De beschikking heeft weliswaar tot gevolg dat de kinderen niet kunnen beschikken over het goed en dat het dus noodzakelijkerwijze naar hun erfgenamen gaat, maar vader W. heeft niet beschikt dat die erfgenamen de kleinkinderen moeten zijn. Er is geen testamentaire beschikking die het goed bestemt voor de kleinkinderen zoals bepaald in artikel 897 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 899 van het Burgerlijk Wetboek beschouwt niet als een verboden erfstelling over de hand: "... beschikkingen onder de levenden of bij testament, waarbij het vruchtgebruik aan de ene en de blote eigendom aan de andere gegeven wordt." Ook die hypothese is hier niet aan de orde. De beschikking van vader W. verdeelt niet de blote eigendom en het vruchtgebruik over verschillende erfgenamen; het vruchtgebruik komt toe aan de kinderen samen (en de blote eigendom, waarover niets anders is bepaald, noodzakelijkerwijze ook). Uit het bovenstaande volgt dat de beschikking houdende verbod van vervreemding in het testament van 27 augustus 1992 nietig moet verklaard worden. De conclusie van G., G2, P. en S. W. is onduidelijk met betrekking tot de gevolgen van die nietigheid. Zij stellen dat het testament van 27 augustus 1992 ook na vernietiging van de beschikking nog wel als effect heeft dat de erflater de gelijkheid heeft willen herstellen tussen de kinderen en daarmee de bevoordeling van L. W. in het testament van 25 augustus 1992 herroept. Anderzijds vragen zij de bevestiging van het eerste vonnis, dat hun stelling daarover juist heeft verworpen. Ten slotte vermelden zij dat zij zich naar de wijsheid van het hof gedragen. Het hof beschouwt hun overwegingen als irrelevant: er is geen hoger beroep op dit punt, dus vermag het hof niet te oordelen op dit punt. (...) OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk, verklaart het incidenteel hoger beroep van H. W. gegrond zoals volgt, en verklaart de overige beroepen ongegrond. Hervormt het vonnis voor zover het oordeelt dat L. W. een woonstvergoeding verschuldigd is, en spreekt opnieuw recht als volgt: zegt voor recht dat L. W. in beginsel een woonstvergoeding verschuldigd is aan G., G2, P., S., R. en C. W.. Veroordeelt L. W. tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van hemzelf op euro 186 rolrecht, - in hoofde van G., G2, P. en S. W. samen op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding, - in hoofde van H. W. op NIHIL, - in hoofde van R. W. op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding, en - in hoofde van C. W. op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 28/7/08 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.