id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 28 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080728.6 Rolnummer: 2003na7 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-15 Raadplegingen: 188 - laatst gezien 2026-07-02 17:48 Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - NATUURRAMPEN - Algemeen (natuurrampen) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - NATUURRAMPEN - Tegemoetkomingsaanvraag PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - NATUURRAMPEN - Schadevergoeding Vrije woorden: Art. 1§1, Wet van 12 juli
- Begrip 'rechtstreekse schade'. Interpretatie van het cassatiearrest terzake van 5 oktober
- Quid kosten voor het herzetten van losgekomen bepleistering en cementbeztting? Wettelijke bepalingen: Wet - 12-07-1976 - Art. 1 Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2003/NA/7 Wet 12 juli 1976 schadeherstel natuurrampen INZAKE VAN : 1) De heer N. G., 2) Mevrouw I. W., eiser in voorziening tegen een beslissing uitgesproken door de Gouverneur van de Provincie Vlaams-Brabant op 25 juli 2003, (1.841.91/CAL/02/G/0/1/81) de eerste in persoon verschijnende, de tweede niet verschijnende, noch iemand voor haar; 1ste kamer TEGEN : De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken (Civiele Veiligheid, Directie Rampenschade), waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Leuvenseweg 1, verweerder in voorziening, vertegenwoordigd door Meester Jan FRANSEN loco Meester Marc STOMMELS, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 220 bus 14,
- De feiten en de procedure Een Koninklijk Besluit van 21 januari 2003 bepaalt dat de overstromI.n die hebben plaatsgevonden van 29 december 2002 tot 4 januari 2003 op het grondgebied van onder meer de gemeente Londerzeel worden beschouwd als een algemene ramp die de toepassing rechtvaardigt van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen. De eisers in voorziening zijn eigenaar van een onroerend goed in Londerzeel, Sneppelaar 20/
- Op 7 april 2003 deden eisers in voorziening aan de gouverneur van de provincie Vlaams Brabant aanvraag tot tegemoetkoming voor 2.844,07 EUR. Bij beslissing van 16 juli 2003 verklaarde de gouverneur dat 176,23 EUR kon uitbetaald worden aan de gemeente Londerzeel, die aan eisers een renteloze lening van 948 EUR had toegestaan, en dat voor het onroerend goed een herstelkrediet van 233,28 EUR kon toegestaan worden. De beslissing werd ter kennis gebracht van de eisers in voorziening bij aangetekende brief met ontvangstbewijs, ontvangen op 28 juli
- De eisers in voorziening stelden voorziening in bij verzoekschrift neergelegd op de griffie van het hof op 26 augustus
- Het verzoekschrift is neergelegd binnen de termijn bepaald in artikel 22 §1 van de wet van 12 juli
- De bepalI.n van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. De zaak is vastgesteld op de zitting van 21 april 2008 met toepassing van artikel 750 van het Gerechtelijk Wetboek. Mevrouw W. is niet verschenen en werd niet vertegenwoordigd (voor het hof van beroep kan haar echtgenoot, M. G., die wel aanwezig was, haar niet vertegenwoordigen). Gelet op artikel 804 van het Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest gewezen na tegenspraak.
- Het onderwerp van de vordering De eisers in voorziening vragen in hun verzoekschrift en conclusie de beslissing te herzien en de schadevergoeding te bepalen in overeenstemming met de raming door het expertisebureau TROOSTWIJK ROUX. De BELGISCHE STAAT concludeert tot de gedeeltelijke gegrondheid van de voorziening, en vraagt te zeggen dat de herstelvergoeding 851,82 EUR bedraagt, en het herstelkrediet maximaal 406,20 EUR. Hij vraagt te zeggen dat er geen procedurekosten zijn.
- De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen Eisers in voorziening beroepen zich op het verslag van het expertisebureau TROOSTWIJK ROUX, aangesteld door de gemeente Londerzeel. Dit raamt de schade op 2.559,07 EUR (onroerend) en 285,00 EUR (roerend). De gouverneur verwijst naar een verslag van het expertisebureau GUDRUN. Dit raamt de schade op 430,85 EUR (onroerend) en 175,00 EUR (roerend). De BELGISCHE STAAT verwijst naar een vaststelling door een eigen deskundige PIERLOZ, die op 29 oktober 2004 ter plaatse zou geweest zijn. In het dossier van de BELGISCHE STAAT vindt het hof geen verslag daarvan, maar twee bijlagen, één met betrekking tot ramI.n voor herstellI.n aan het onroerend goed, en één met 5 foto's van muren en kruipruimte. Met betrekking tot de bepleistering en de schilderwerken laat de BELGISCHE STAAT gelden dat alleen de rechtstreekse schade kan vergoed worden. Artikel 1.§1 van de wet van 12 juli 1976 bepaalt dat aanleiding geeft tot financiële tegemoetkoming (onder de voorwaarden die de wet bepaalt) "de rechtstreekse, materiële en zekere schade" aan private lichamelijke goederen. De wet van 12 juli 1976 is van openbare orde , en moet strikt worden uitgelegd. Het begrip rechtstreekse schade impliceert dat er tussen het schadeveroorzakende feit en de schade zelf een oorzakelijk verband zonder tussenschakel bestaat . Anderzijds is niet bovendien vereist dat de natuurramp de enige oorzaak is van de schade . Op die grond verwerpt de BELGISCHE STAAT posten met betrekking tot het herstellen van losgekomen cementbezetting en bepleistering op het gelijkvloers. Het hof beschouwt dit echter als rechtstreekse schade: de bezetting en bepleistering zijn beschadigd door insijpeling van water van de overstroming, en opzuiging van dat zelfde water. Mogelijk zoekt de BELGISCHE STAAT inspiratie in rechtspraak waar de kosten voor het schilderen van het gedeelte van de muren boven de lijn tot waar het water gestegen is en voor de schade aan de muren die het gevolg is van die, als natuurramp erkende overstroming, niet werden beschouwd als rechtstreekse schade: zie Cass. (1e k.) AR C.98.0448.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001005.3, 5 oktober 2000 (Belgische Staat / Outdoor Immobilière B.V.B.A.) http://www.cass.be (18 oktober 2001); A.J.T. 2000-01, 807; Arr. Cass. 2000, 1507; Bull. 2000, 1476; R.W. 2001-02, 917 en http://www.rwe.be (26 maart 2002). Uit het bedoelde arrest van het Hof van Cassatie blijkt echter alleen dat de rechter in beroep niet had vastgesteld dat de schade rechtstreeks was. In deze stelt het hof vast dat de schade rechtstreeks is. Het hof neemt daarom de betreffende posten uit het verslag TROOSTWIJK ROUX over, voor in totaal 1.020,04 EUR. Mits afhouding van 7 % voor vetusteit op de cementbezetting wordt dat 989,70 EUR. Met betrekking tot de brander van de cv voert de BELGISCHE STAAT aan dat de installatie die bovengronds staat niet werd beschadigd; in de stukken van eisers vindt het hof daarover geen betwisting. Eisers schrijven integendeel dat de verwarmingsketel gespaard bleef van schade. De BELGISCHE STAAT aanvaardt wel de post ledigen en reinigen van tank (123,95 EUR), dompelpomp (22,32 EUR) en het vervangen van de tuinhuisvloer (646,47 EUR), en het kuisen van ondergelopen oppervlakten (52,28 EUR). Dat brengt de onroerende schade in totaal op 1.834,72 EUR. Over de roerende schade vindt het hof in de procedurestukken van beide partijen geen nuttige elementen die een beredeneerde kritiek op de beslissing van de gouverneur toelaten. Het totaal van de schade wordt dan1.834,72 EUR + 175,00 EUR = 2.009,72 EUR. Na aftrek van de vrijstelling van 250,00 EUR (artikel 10 §1, 2de van de wet van 12 juli 1976) blijft over 1.759,72 EUR. Daarop wordt de vergoedingscoëfficiënt van 0,8 toegepast (artikel 10 §1, 3de van de wet van 12 juli 1976), wat geeft: 1.407,78 EUR, die aan eisers toekomt. Over de toerekening van de vergoeding op de tussenkomst van de gemeente Londerzeel aan eisers wordt geen betwisting gevoerd. Het herstelkrediet (artikel 9 en 11 van de wet van 12 juli 1976) bedraagt dan 1.865,06 - 1.407,78 EUR x 1.834,72 EUR/2.009,72 EUR = 579,87 EUR.
- De kosten Met betrekking tot de kosten voert de BELGISCHE STAAT aan dat de procedure voor partijen geen kosten heeft meegebracht, zodat er geen aanleiding is om er uitspraak over te doen. De voorziening in de zin van artikel 21 van de wet van 12 juli 1976 opent uit haar aard een gerechtelijke procedure. Artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de in dit wetboek gestelde regels van toepassing zijn op alle rechtsplegI.n "behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalI.n of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalI.n van dit wetboek". De enige wetsbepaling buiten het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de kosten van huidige procedure is artikel 55 van de wet van 12 juli
- Dat bepaalt dat elke procedure met betrekking tot de toepassing van de wet op kosten is van de BELGISCHE STAAT. Uit artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 55 van de wet van 12 juli 1976 kan dus alleen afgeleid worden dat de bepalI.n van het Gerechtelijk Wetboek moeten toegepast worden, waarbij de kosten in elk geval ten laste komen van de BELGISCHE STAAT. Dat laatste is een gelijkaardige regeling als die van artikel 1017, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek, met betrekking tot de procedures door of tegen sociaal verzekerden. De eisers in voorziening ramen geen kosten, en zij hebben ook geen beroep gedaan op een advocaat. De wettelijke rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 is dus niet verschuldigd. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de voorziening van de eisers in voorziening ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; Hervormt de beslissing van de gouverneur behalve voor zover ze de vordering ontvankelijk verklaart en spreekt opnieuw recht als volgt: Bepaalt de vergoeding toekomende aan eisers op DUIZEND VIERHONDERD EN ZEVEN EURO ACHTENZEVENTIG CENT(1.407,78 EUR); bepaalt het herstelkrediet op maximaal VIJFHONDERD NEGENENZEVENTIG EURO ZEVENENTACHTIG CENT (579,87 EUR). Het veroordeelt de BELGISCHE STAAT tot de betaling van de kosten van de voorziening, niet begroot. Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 28/07/08 waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001005.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.