← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080728.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 28 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080728.7 Rolnummer: 2005AR1210 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-22 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-07-02 17:48 Fiche Een systeem waarbij de twee poorten worden geopend met een badgelezer aan de eerste poort en waarbij de tweede poort na een bepaalde tijd zonder meer sluit, is inderdaad gevaarlijk, omdat het de gebruiker kan verrassen die onder de tweede poort door rijdt. Het blijkt immers niet dat de gebruiker is beschermd tegen het plots sluiten van de tweede poort. Een dergelijk systeem is gevaarlijk, en dus gebrekkig in de zin van artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Zaken Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2005/AR/1210 Onrechtmatige daad - gebrek in de zaak - ontvankelijkheid van het hoger beroep INZAKE VAN : De naamloze vennootschap CHUBB INSURANCE COMPANY OF EUROPE, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1200 BRUSSEL, Neerveldstraat 107, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 403.270.372, appellante tegen vonnissen uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 21 juni 1999 en 19 januari 2005, vertegenwoordigd door Meester Koen DE VOS, advocaat te 1000 BRUSSEL, Kortenberglaan 75 1ste kamer TEGEN : 1) De heer F. C., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Edmond BRONDEL, advocaat te 2018 ANTWERPEN 1, Brusselstraat 59, 2) De naamloze vennootschap FORTIS INSURANCE BELGIUM, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Emile Jacqmainlaan 53, ingeschreven in het register der rechtspersonen onder het ondernemingsnummer 404.494.849, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Tom COMPERNOLLE loco Meester Serge PETEN, advocaat te 1200 BRUSSEL, Slegerslaan 65 bus 3, 3) De naamloze vennootschap G.D.W., thans GDW-SECURITY, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1930 ZAVENTEM, Kerkplein 5, ingeschreven in het register der rechtspersonen onder het ondernemingsnummer 429.563.114, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Michiel COLTURA loco Meester Herwig HEMMERECHTS, advocaat te 1930 ZAVENTEM, W. Lambertstraat 2B, 4) De naamloze vennootschap NASSAU DOOR, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 9700 OUDENAARDE, Industriepark "De Bruwaan" 75, ingeschreven in het register der rechtspersonen onder het ondernemingsnummer 418.342.588, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Christophe VAN DEN HOVE loco Meester Jan SEGHERS, advocaat te 9000 GENT, François Laurentplein 19-33 en loco Meester Yves DE CARITAT, advocaat te 1060 BRUSSEL, G. Brugmannplein 12 bus 1, IN AANWEZIGHEID VAN : De naamloze vennootschap COFINIMMO, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1200 BRUSSEL, Wluwelaan 58, ingeschreven in het register der rechtspersonen onder het ondernemingsnummer 426.184.049, opgeroepen partij, vertegenwoordigd door Meester Johan DERYCKERE loco Meester Bernard VANDENKERCKHOVE, advocaat te 1060 BRUSSEL, Defacqzstraat 70-80, EN : De naamloze vennootschap COFINIMMO, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1200 BRUSSEL, Woluwelaan 58, ingeschreven in het register der rechtspersonen onder het ondernemingsnummer 426.184.049, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 21 juni 1999, vertegenwoordigd door Meester Johan DERYCKERE loco Meester Bernard VANDENKERCKHOVE, advocaat te 1060 BRUSSEL, Defacqzstraat 70-80, TEGEN : 1) De heer F. C., wonende te 9971 LEMBEKE, Gentweg 39, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Edmond BRONDEL, advocaat te 2018 ANTWERPEN 1, Brusselstraat 59, 2) De naamloze vennootschap FORTIS INSURANCE BELGIUM, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Emile Jacqmainlaan 53, ingeschreven in het register der rechtspersonen onder het ondernemingsnummer 404.494.849, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Tom COMPERNOLLE loco Meester Serge PETEN, advocaat te 1200 BRUSSEL, Slegerslaan 65 bus 3, 3) De naamloze vennootschap G.D.W., thans GDW-SECURITY, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1930 ZAVENTEM, Kerkplein 5, ingeschreven in het register der rechtspersonen onder het ondernemingsnummer 429.563.114, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Michiel COLTURA loco Meester Herwig HEMMERECHTS, advocaat te 1930 ZAVENTEM, W. Lambertstraat 2B, 4) De naamloze vennootschap NASSAU DOOR, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 9700 OUDENAARDE, Industriepark "De Bruwaan" 75, ingeschreven in het register der rechtspersonen onder het ondernemingsnummer 418.342.588, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Christophe VAN DEN HOVE loco Meester Jan SEGHERS, advocaat te 9000 GENT, François Laurentplein 19-33 en loco Meester Yves DE CARITAT, advocaat te 1060 BRUSSEL, G. Brugmannplein 12 bus 1, IN AANWEZIGHEID VAN : De naamloze vennootschap CHUBB INSURANCE COMPANY OF EUROPE, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1200 BRUSSEL, Neerveldstraat 107, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 403.270.372, opgeroepen partij, vertegenwoordigd door Meester Koen DE VOS, advocaat te 1000 BRUSSEL, Kortenberglaan 75

  1. De procedure In dit arrest oordeelt het hof over hogere beroepen tegen vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel gewezen op 21 juni 1999 en 19 januari 2005 (AR 99/2376). De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat: - het vonnis van 21 juni 1999 werd betekend door C. aan G.D.W. op 3 augustus 1999 - het vonnis van 19 januari 2005 werd betekend op 5 april 2005 door C. aan CHUBB en COFINIMMO, en op 7 juni 2005 door G.D.W. aan COFINIMMO. CHUBB heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 6 mei
  2. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld. De NV G.D.W. noemt zich in haar conclusie in hoger beroep NV GDW SECURITY; het blijkt niet dat dit meer is dan een naamswijziging.
  3. De feiten COFINIMMO is eigenaar van een gebouw in 1050 Brussel, Louizalaan 138A. CHUBB is haar verzekeraar "alle risico's". COFINIMMO verhuurt dit gebouw aan onder meer OLYMPIC AIRWAYS, werkgever van C.. In het gebouw bevinden zich parkeerplaatsen, die bereikbaar zijn via twee elektrische poorten met geautomatiseerde toegang, één aan de straatkant, en één binnen, die toegang geeft tot de parking. Die laatste poort is geleverd en geplaatst door NASSAU; aan de poort aan de straatzijde is een badgelezer geleverd en geplaatst door G.D.W.. Op 14 juli 1997 is M. C. gewond geraakt toen hij met zijn motorfiets onder de tweede poort naar binnen reed en die poort zich sloot. Bij beschikking in kort geding van 24 december 1997 tussen C., COFINIMMO, CHUBB en NASSAU werd M. MATHIJS aangesteld als deskundige; hij legde een verslag neer op 29 november
  4. Het onderwerp van de vordering 3.
  5. C. dagvaardde COFINIMMO op 22 januari 1999 voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. COFINIMMO dagvaardde NASSAU en G.D.W. tot tussenkomst en vrijwaring, en CHUBB kwam vrijwillig tussen. C. vorderde de veroordeling van COFINIMMO tot betaling van een provisie van 245.600 BEF, en de aanstelling van een deskundige geneesheer. COFINIMMO vroeg NASSAU en G.D.W. te veroordelen tot vrijwaring. NASSAU concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering tot vrijwaring. 3.
  6. Bij vonnis van 21 juni 1999 verklaarde de eerste rechter de vordering en de vorderingen tot vrijwaring ontvankelijk, beval het verhoor van deskundige MATHIJS, en stelde J. DUSESOI aan als geneesheer deskundige. De eerste rechter overwoog dat de aansprakelijkheid van COFINIMMO op grond van artikel 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek ontegensprekelijk vast stond. Op 22 september 1999 werd deskundige MATHIJS gehoord. Op 30 augustus 2000 kwam FORTIS, de verzekeraar arbeidsongevallen van OLYMPIC AIRWAYS, vrijwillig tussen. 3.
  7. Vervolgens herformuleerden partijen hun vordering. C. vorderde de veroordeling van COFINIMMO en CHUBB, hoofdelijk of in solidum, tot de betaling van 21.275,20 plus de vergoedende intresten "vanaf hun eisbaarheid" en de gerechtelijke interesten, en de kosten. Ondergeschikt vroeg hij de veroordeling van COFINIMMO, CHUBB, G.D.W. en NASSAU, hoofdelijk of in solidum, tot het zelfde. Nog meer ondergeschikt vroeg hij de heraanstelling van deskundige MATHIJS. FORTIS vorderde de veroordeling van COFINIMMO (en in de overwegingen van haar conclusie ook G.D.W., NASSAU en CHUBB) tot de betaling van provisioneel 35.532,35 EUR, en de kosten. COFINIMMO concludeerde tot de ongegrondheid van de vorderingen, en handhaafde ondergeschikt haar vordering tot vrijwaring tegen NASSAU en G.D.W.. Nog meer ondergeschikt vroeg ze CHUBB te veroordelen om haar te vrijwaren. CHUBB concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. NASSAU concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering van C. en van de vordering van COFINIMMO tot vrijwaring. G.D.W. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering van C. en van de vordering van COFINIMMO tot vrijwaring. 3.
  8. Bij vonnis van 19 januari 2005 veroordeelde de eerste rechter COFINIMMO en CHUBB hoofdelijk tot betaling van: " 1° aan de Heer F. C. de som van 16.809,68 euro meer de vergoedende interesten of 6.137,30 euro a 5% vanaf 14/01/1999 tot 22/01/1999 en van dan af de gerechtelijke interesten op 16.809,68 euro tot datum der integrale betaling en 5% morarenten op 294,95 euro vanaf 10/02/1998 en op 117,11 euro vanaf 10/06/1998 beide bedragen tot dagvaarding en van dan of de gerechtelijke interesten op die beide bedragen tot datum der integrale betaling; - en 2° aan de N.V. FORTIS AG de som van 31.992,26 euro ten definitieve titel; - geeft voorbehoud voor interesten (pagina 14 besluiten);" Hij verklaarde de vorderingen tegen NASSAU en G.D.W. ongegrond. 3.
  9. CHUBB stelt bij haar akte van hoger beroep beroep in tegen de vonnissen van 21 juni 1999 en 19 januari 2005, en richt dit tegen C., FORTIS, G.D.W. en NASSAU, en vermeldt COFINIMMO alleen als mee aanwezige partij. In haar conclusie vermeldt CHUBB niet alleen zichzelf maar ook COFINIMMO als appellanten. Zij vraagt de oorspronkelijke vorderingen van C. en FORTIS ongegrond te verklaren. Zij concludeert tot de ongegrondheid van de incidentele hogere beroepen van C. en FORTIS, en van de vorderingen tot schadevergoeding van NASSAU en G.D.W. (zie lager). Ondergeschikt vraagt zij de aanstelling van een andere deskundige dan M. MATHIJS. Nog meer ondergeschikt herneemt CHUBB de vordering tot vrijwaring van COFINIMMO tegen NASSAU en G.D.W., en stelt zij ook voor zichzelf dezelfde vordering tot vrijwaring. COFINIMMO heeft conclusies neergelegd op 10 oktober 2005 en 10 augustus 2006, waarin zij vraagt haar hoger beroep tegen het vonnis van 21 juni 1999 gegrond te verklaren, dat zij richt tegen C., FORTIS, G.D.W. en NASSAU. Zij vraagt de oorspronkelijke vorderingen van C. en FORTIS ongegrond te verklaren. C. concludeert tot de niet-ontvankelijkheid minstens de ongegrondheid van het hoger beroep van COFINIMMO, en de ongegrondheid van het hoger beroep van CHUBB. Bij incidenteel hoger beroep vraagt hij de bijkomende veroordeling van CHUBB tot betaling van 712,21 EUR voor meerinspanning, en 3.550,60 EUR voor economische waarde huishoudelijke arbeid, plus de intresten van af gemiddelde datum, en de gerechtelijke intresten. FORTIS concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep van CHUBB, en de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep van COFINIMMO. Bij incidenteel hoger beroep vraagt zij de verbetering van een materiële vergissing (31.992,26 EUR in plaats van 35.112,45 EUR), en de bijkomende veroordeling van CHUBB tot betaling van 171,76 EUR en 128,39 EUR voor periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 15% en 10 %, plus de intresten vanaf de gemiddelde datum. NASSAU concludeert tot de niet-ontvankelijkheid minstens de ongegrondheid van het hoger beroep van CHUBB. Zij vraagt de veroordeling van CHUBB tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van 1.860 EUR, plus de gerechtelijke intresten. Ondergeschikt concludeert zij tot de ongegrondheid van de vordering tegen haar. G.D.W. concludeert tot de niet-ontvankelijkheid minstens de ongegrondheid van het hoger beroep van CHUBB en dat van COFINIMMO. Zij vraagt de veroordeling van CHUBB en van COFINIMMO, hoofdelijk, tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van 1.860 EUR, plus de gerechtelijke intresten. In conclusie maakt zij voorbehoud voor de vergoeding van het ereloon en de kosten van haar advocaat. Wat dat laatste betreft, verklaren alle partijen op de zitting van 14 april 2008 dat zij voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing vragen van het basistarief.
  10. De ontvankelijkheid van de hogere beroepen C., FORTIS en G.D.W. werpen terecht op dat het hoger beroep van COFINIMMO niet ontvankelijk is. Het hoger beroep van COFINIMMO is alleen gericht tegen het vonnis van 21 juni
  11. Zij heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 19 januari 2005, dat haar is betekend op 5 april door C. en 7 juni 2005 door G.D.W.. Het vonnis van 19 januari 2005 veroordeelt COFINIMMO wegens de aansprakelijkheid waartoe het vonnis van 21 juni 1999 heeft beslist; daaraan kan niets worden gewijzigd door het hoger beroep tegen het vonnis van 21 juni
  12. COFINIMMO heeft bijgevolg geen belang bij haar hoger beroep; het is niet ontvankelijk. CHUBB richt haar hogere beroepen tegen de twee vonnissen onder meer tegen G.D.W. en NASSAU. Zij laten terecht gelden dat tussen hen en CHUBB in eerste aanleg geen tegenstelling van belangen bestond, zodat het hoger beroep van CHUBB wat dat betreft niet ontvankelijk is. De ondergeschikte vordering tot vrijwaring die CHUBB voor het eerst instelt tegen NASSAU en G.D.W., kan de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep niet ongedaan maken. NASSAU vraagt de veroordeling van CHUBB en G.D.W. vraagt de veroordeling van CHUBB en COFINIMMO en tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep met toepassing van artikel 1072bis van het Gerechtelijk Wetboek. Die bepaling is afgeschaft door de wet van 6 april
  13. Het blijkt overigens niet dat CHUBB of COFINIMMO heeft geprocedeerd op een wijze die niet verzoenbaar is met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon in dezelfde omstandigheden.
  14. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen Gelet op het bovenstaande is alleen nog aan de orde het hoger beroep van CHUBB tegen FORTIS en tegen C. en de incidentele hogere beroepen van C. en FORTIS tegen CHUBB. 5.
  15. De aansprakelijkheid De eerste rechter besliste op grond van volgende overwegingen. Uit het verslag van de deskundige blijkt dat COFINIMMO aansprakelijk is op grond van artikel 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. De eerste rechter verwijst naar de deskundige die stelt "dat het ongeval slechts kon plaatsgrijpen wegens een technisch defect of afwijking van de sturingsprincipes van de installatie, ongeacht of eiser op hoofdeis al dan niet heeft gebadged", en "dat de besturingsprincipes louter een beveiliging van het gebouw tot doel hebben en geen of onvoldoende rekening houdt met de mensveiligheid". In zijn eindbesluit stelt de deskundige: "Aangezien we van oordeel zijn dat de besturingsprincipes louter een beveiliging van het gebouw tot doel hebben en geen of onvoldoende rekening houdt met de mensveiligheid; Aangezien de nv NASSAU DOOR, kort na het ongeval, een tussenkomst verleende mbt het verlengen van de sluitertijd en dit op vraag van de gebouwbeheerder JLW; Aangezien de besturingsprincipes van badgelezer (nv DE WILDER) en sluitertijd (NASSAU DOOR) van de tweede poort door twee onafhankelijke installateurs werden geinitialiseerd en dat de globale werking van het systeem opgelegd werd door de opdrachtgever, in casu de nv COFINIMMO, achten wij deze laatsten vanuit technisch oogpunt hoofdelijk aansprakelijk." CHUBB formuleert kritiek op de deskundige, die volgens haar ten onrechte COFINIMMO als verantwoordelijk beschouwt wegens een fout begaan bij het ontwerpen van de installatie, door niet een tweede badgelezer te laten plaatsen bij de tweede poort. Het blijkt inderdaad niet dat het concept is uitgedacht door COFINIMMO. C. en FORTIS houden COFINIMMO aansprakelijk als bewaarder van een gebrekkige zaak. FORTIS beschrijft dit gebrek als een "gemis aan veiligheid"; C. stelt dat het ongeval niet had kunnen gebeuren indien het gebouw geen gebrek vertoonde, en dat de deskundige heeft vastgesteld dat het ongeval onmogelijk was geweest indien het "badgen" ook verplicht was geweest om de tweede poort te openen. Een systeem waarbij de twee poorten worden geopend met een badgelezer aan de eerste poort en waarbij de tweede poort na een bepaalde tijd zonder meer sluit, is inderdaad gevaarlijk, omdat het de gebruiker kan verrassen die onder de tweede poort door rijdt. Het blijkt immers niet dat de gebruiker is beschermd tegen het plots sluiten van de tweede poort. Een dergelijk systeem is gevaarlijk, en dus gebrekkig in de zin van artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek. CHUBB voert aan dat C. zelf een fout heeft begaan door niet na te gaan of de poort wel open was, maar uit zijn verklaring dat hij had aangenomen dat de tweede poort open was en dat hij zoals gewoonlijk is doorgereden en een klap op zijn valhelm voelde, blijkt niet het bestaan van een fout in zijnen hoofde. C. en FORTIS stellen COFINIMMO dus terecht aansprakelijk, en wel op grond van artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek, en CHUBB betwist niet dat zij gehouden is tot dekking. 5.
  16. De vergoedingen 5.2.
  17. De vordering van C. Bij incidenteel hoger beroep vraagt C. de bijkomende veroordeling van CHUBB tot betaling van 712,21 EUR voor meerinspanning in de periodes van 10 en 15 % tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Er is inderdaad geen reden om aan te nemen met de eerste rechter dat een relatief lagere ongeschiktheid geen meerinspanningen meebrengt. C. vraagt ook een vergoeding van 3.550,60 EUR voor economische waarde huishoudelijke arbeid. CHUBB antwoordt terecht dat voor een samenwonende man zonder kinderlast 35 % van 17,35 EUR kan aangerekend worden, en rekent uit dat dit minder oplevert dan de door de eerste rechter toegekende forfaitaire 2.000,00 EUR. Over de door de eerste rechter toegekende intresten is er geen hoger beroep. 5.2.
  18. De vordering van FORTIS FORTIS vraagt terecht de correctie van een materiële vergissing van de eerste rechter (35.112,45 EUR in de overwegingen werd 31.992,26 EUR in het beschikkend gedeelte). Verder vraagt ook FORTIS een bijkomende vergoeding voor meerinspanning in de periodes van 10 en 15 % tijdelijke arbeidsongeschiktheid, voor 171,76 EUR en 128,39 EUR. Om dezelfde redenen als hierboven onder punt 5.2.
  19. kent het hof dit toe. FORTIS vraagt hierop de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet, en CHUBB betwist dit niet. Er is inderdaad geen reden om af te wijken van de wettelijke rentevoet.
  20. De kosten Alle partijen verklaren ter zitting dat zij voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing vragen van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering in hoofdsom en kosten (met toepassing van artikel 557 van het Gerechtelijk Wetboek) 2.000,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van COFINIMMO niet ontvankelijk, Verklaart het hoger beroep van CHUBB niet ontvankelijk voor zover gericht tegen G.D.W. en NASSAU, en voor het overige niet gegrond Verklaart de incidentele vorderingen van G.D.W. en NASSAU tegen CHUBB ontvankelijk maar niet gegrond. Verklaart het incidenteel hoger beroep van C. ontvankelijk en gegrond als volgt: Veroordeelt CHUBB bovenop de door de eerste rechter toegekende bedragen tot betaling aan C. van ZEVENHONDERD EN TWAALF EURO EENENTWINTIG CENT (712,21 EUR), plus de intresten daarop zoals toegekend door de eerste rechter; Verklaart het incidenteel hoger beroep van FORTIS ontvankelijk en gegrond als volgt: Wijzigt in het beschikkend gedeelte van het vonnis het bedrag van 31.992,26 EUR naar 35.112,45 EUR. Veroordeelt CHUBB bovenop de door de eerste rechter toegekende bedragen tot betaling aan FORTIS van HONDERD EENENZEVENTIG EURO ZESENZEVENTIG CENT (171,76 EUR) en HONDERD ACHTENTWINTIG EURO NEGENENDERTIG CENT (128,39 EUR), plus de intresten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf de gemiddelde datum van respectievelijk de periodes van 10 en 15 % tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Het veroordeelt CHUBB en COFINIMMO tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot - in hoofde van C. op euro 2.000 rechtsplegingsvergoeding, - in hoofde van N.V. FORTIS INSURANCE BELGIUM op euro 2.000 rechtsplegingsvergoeding, - in hoofde van N.V. G.D.W. SECURITY op euro 2.000 rechtsplegingsvergoeding, en - in hoofde van N.V. NASSAU DOOR op euro 2.000 rechtsplegingsvergoeding; Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 28/07/08 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.