← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080908.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 08 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080908.5 Rolnummer: 2005AR205 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-01-23 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 17:52 Fiche I. De vrijheid van meningsuiting in het Rijk wordt gewaarborgd door artikel 19 van de Grondwet, en artikel 10 EVRM en artikel 19 BUPO. Bij het gebruik van dat recht mag de eer of goede naam van personen niet worden aangetast. II. De minister-eiser voert aan dat verwijten van N. inzake machtsafwending alleen mogen gebeuren voor 'een rechter of een rechtscollege', dat N. in haar middelen voor de Raad van State niet de machtsafwending heeft opgenomen, en dat zij daardoor een fout begaat. Evenwel, het staat N. vrij voor de Raad van State de middelen te gebruiken die zij verkiest. Voor het overige is haar recht op meningsuiting niet op enige wijze beperkt tot het debat voor de rechter. III. Tegenvordering van N. tegen de minister op grond van artikel 1382 BW. De minister beroept zich op de onschendbaarheid van de minister met toepassing van artikel 101 van de Grondwet. Dit bepaalt dat geen minister kan worden vervolgd naar aanleiding van een mening in de uitoefening van zijn ambt uitgebracht. Het wordt niet betwist dat de minister de uitlatingen over N. heeft gedaan in de uitoefening van zijn ambt. Bijgevolg kan hij daarover niet in rechte aangesproken worden. N. laat terecht gelden dat dit een afwijking vormt op de gemeenrechtelijke wettelijke bepalingen met betrekking tot aansprakelijkheid, maar het is een uitzondering vastgelegd in de Grondwet zelf. Het is dus niet zinvol om een vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de ongelijke behandeling van ministers en niet-ministers op dit vlak. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Fout - de daad - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Vrijheid - Vrijheid meningsuiting - art. 19 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Federale wetgevende macht - Onverantwoordelijkheid en onschendbaarheid - art. 58-59 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: I. Fout. Vrije meningsuiting (thans art. 19 Gw.) en de beperkingen erop: geen laster noch eerroof. II. Onverantwoordelijkheid van de ministers in de uitoefening van hun ambt (thans art. 58-59 Gw.). II. Voormeld verschil tussen particulieren en minister ingevolge deze onschendbaarheid: vermits dit verschil berust op de Grondwet heeft het geen zin een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2005/AR/205 Onrechtmatige daad - vrijheid van meningsuiting - ministeriële onschendbaarheid INZAKE VAN : De heer Z. Y., wonende te 9320 AALST (EREMBODEGEM), Dom. Modest Van Asschelaan 63, appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 16 juni 2004, vertegenwoordigd door Meester Hendrik VERMEIRE loco Meester Patrick DEVERS, advocaat te 9000 GENT, Kouter 71-72, 1ste kamer TEGEN : 1) Mevrouw H. N., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Jan GHYSELS, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187, 2) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie en Grootstedenbeleid, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Copernicusgebouw, Wetstraat 51, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Erlinde DE LANGE loco Meester Emmanual JACUBOWITZ, advocaat te 1160 BRUSSEL, Tedescolaan 7,

  1. De procedure In dit arrest oordeelt het hof verder over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 16 juni
  2. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Partijen verklaren dat het vonnis is betekend door N. aan de BELGISCHE STAAT op 9 december 2004; de BELGISCHE STAAT legt kopie neer van het exploot. Appellant heeft hoger beroep ingesteld bij akte neergelegd op de griffie van het hof op 24 januari
  3. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.
  4. De feiten De eerste rechter heeft de feiten correct en volledig weergegeven als volgt: "
  5. De heer Z. Y. was minister van openbaar Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Besturen. In het kader van de Copernicushervorming werden Federale Overheidsdiensten (hierna afgekort FOD's) opgericht. Het directiecomité van elke FOD staat onder de leiding van een voorzitter aangesteld bij mandaat. Hiervoor bestaat een selectieprocedure per taalrol (geregeld door het KB van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten) waaraan zowel interne als externe kandidaten kunnen deelnemen. Bij de eindevaluatie worden de kandidaten ingedeeld in vier groepen A tot D en worden de kandidaten van de groepen A en B gerangschikt. Voor de werving van een voorzitter van een directiecomité heeft de minister dan nog een onderhoud met de kandidaten van groep A uit elke taalrol, waarvan een verslag wordt gemaakt met het resultaat van de vergelijking. De aanstelling voor een periode van 6 jaar gebeurt bij besluit na beraadslaging van de Ministerraad op voorstel van de bevoegde Minister.
  6. Mevrouw N., financieel directeur bij de KU Leuven, kandideerde drie maal (waarvan tweemaal op beide taalrollen) voor de functie van voorzitter van het directiecomité van een FOD. Een eerste maal kandideerde zij in mei 2001 voor de functie van voorzitter van het directiecomité van de FOD Budget en Beheerscontrole. Zij werd door de selectiecommissie en door het "assessmentteam" als enige ingedeeld in groep A. Deze procedure heeft niet tot een aanstelling geleid omdat het KB van 2 mei 2001 (dat er een rechtsgrond voor vormt) bij KB van 29 oktober 2001 werd ingetrokken nadat zijn uitvoering door de Raad van State was geschorst. Na een nieuwe oproep tot de kandidaten stelde zij zich in november 2001 opnieuw kandidaat voor de functie van voorzitter van het Directiecomité van de FOD Budget en Beheerscontrole en dit zowel voor de Nederlandstalige als de Franstalige selectieprocedure. In de Nederlandstalige selectieprocedure werd zij als zeer geschikt en als enige in de groep A gerangschikt en in de Franstalige selectieprocedure werd zij als geschikt beoordeeld (als resultaat van een zeer geschikt in assessment en geschikt na interview door de selectiecommissie). De heer P. V. die enkel aan de Franstalige selectieprocedure deelnam werd als zeer geschikt beoordeeld (als resultaat van een minder geschikt in assessment en zeer geschikt na interview door de selectiecommissie). Bij KB van 21 december 2001 werd de heer P. V. aangesteld tot voorzitter van het directiecomité van de FOD Budget en Beheerscontrole. Op 25 februari 2002 diende mevrouw N. een schorsings- en annulatieberoep in bij de Raad van State tegen dit KB. De vordering tot schorsing werd verworpen bij arrest van de Raad van State van 28 juni
  7. Mevrouw N. kandideerde ook voor de functie van voorzitter van het Directiecomité van de FOD Personeel en Organisatie en dit opnieuw zowel voor de Nederlandstalige als de Franstalige selectieprocedure. In de Nederlandstalige selectieprocedure werd zij als zeer geschikt en samen met de heer G. M., op dat ogenblik secretaris-generaal bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, ex aequo in de groep A gerangschikt. In de Franstalige selectieprocedure werd zij als enige zeer geschikt beoordeeld. Bij KB van 21 december 2001 werd de heer G. M. aangesteld tot voorzitter van het directiecomité van de FOD Personeel en Organisatie. Op 23 februari 2002 diende mevrouw N. een schorsings- en annulatieberoep in bij de Raad van State tegen dit KB. De vordering tot schorsing werd verworpen bij arrest van de Raad van State van 22 oktober
  8. Tijdens de uitzending van "Het Journaal" op de zender VRT TV 1 van 29 januari 2002 om 19u gaf mevrouw N. een interview over de procedures die zij zou indienen bij de Raad van State tegen de benoemingen van de heren P. V. en G. M.. Zij verklaarde dat alle personen die benoemd werden op een of andere manier een band hadden met de minister of met één van de politieke partijen van de coalitie: "Ik kan ergens begrijpen dat men misschien eigen mensen goed moet behandelen, maar het zijn niet eens de bestaande functionarissen die hier voorrang hebben gekregen, het zijn outsiders aan de bestaande administratie en ik stel dus vast, als dat inderdaad niet objectief gebeurt, dat het hier een stuk gaat om machtsmisbruik en een stuk putsch naar de bestaande ambtenaren die blijkbaar om de een of andere reden niet meer voldoen of niet meer de juiste kleur hebben. ... Wel, ze zijn stuk voor stuk, u kan ze nakijken, stuk voor stuk gegaan naar mensen die een band hadden hetzij met de minister in kwestie, hetzij met een van de politieke partijen van de coalitie. ... Dat hoeft niet noodzakelijk partijpolitiek te zijn, dat kan ook gewoon vriendjespolitiek zijn." Tijdens de uitzending van "Le Journal" op de zender RTBF TV van 29 januari 2002 om 19u30 legde zij een gelijkaardige verklaring af.
  9. Na een interpellatie op 18 december 2002 over de procedure ingeleid door mevrouw N. voor de Raad van State tegen de benoeming van de heer V., antwoordde de heer Z. Y. in de Kamer van Volksvertegenwoordigers: "zij is nooit alleen kandidaat geweest. Ik zou me heel erg moeten vergissen. Zij is kandidaat geweest samen met V.. Zij is nooit geweigerd geweest als enige A-kandidaat. Zij vertelt dat omdat ze dat graag doet. Ze geeft nu trouwens les in een merkwaardig nieuw opgerichte firma waarvan de raad van bestuur mij goed bekend is, want afkomstig uit één hoek. Daar geeft ze les als grote experte in assessment. Ik beklaag de mensen die daar naartoe gaan, maar goed is iets anders."
  10. Het onderwerp van de vordering 3.
  11. Voor de eerste rechter vorderden de BELGISCHE STAAT en Y. de veroordeling van N. tot de betaling aan elk van hen van 1 EUR plus de vergoedende intresten vanaf 30 januari 2002, de gerechtelijke interesten en de kosten. Zij vroegen ook de publicatie van het vonnis in een aantal kranten en weekbladen binnen de 8 dagen na betekening van het vonnis. N. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. Bij tegeneis vorderde zij de veroordeling van de BELGISCHE STAAT en Y. tot betaling van 2.500 EUR vergoeding wegens roekeloos of tergend geding, plus intresten vanaf 5 februari 2002, een schadevergoeding wegens foutieve en krenkende uitspraken van 6.500 EUR, plus intresten vanaf 18 december 2002, en de kosten. Ook zij vroeg de publicatie van het vonnis, binnen 5 dagen na betekening, op verbeurte van een dwangsom van 2.500 EUR per dag vertraging. Zij vorderde ook aan Y. verbod op te leggen zich nog denigrerend uit te laten over haar, op verbeurte van een dwangsom van 250.000 EUR per feit. Ten slotte vroeg zij de rechtbank een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof, met betrekking tot de onmogelijkheid om een minister aan te spreken op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek voor beledigende uitlatingen ten aanzien van een persoon. 3.
  12. De eerste rechter verklaarde de vordering van Y. en de BELGISCHE STAAT ongegrond. Hij verklaarde de tegenvordering van N. gedeeltelijk gegrond voor zover gericht tegen Y., en veroordeelde Y. tot betaling aan N. van 2.000 EUR als schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding. 3.
  13. In hoger beroep herneemt Y. zijn oorspronkelijke vordering. N. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep herneemt zij haar oorspronkelijke tegenvordering tegen Y.. De BELGISCHE STAAT vraagt om buiten de zaak gesteld te worden, en Y. te veroordelen tot de kosten.
  14. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
  15. Het hoger beroep van Y. tegen de BELGISCHE STAAT Y. richt zijn hoger beroep tegen N., en tegen de BELGISCHE STAAT. Hij en de BELGISCHE STAAT hadden in eerste aanleg nochtans geen vordering tegen elkaar, of strijdige belangen. In zijn beroepsakte stelt Y. dat hij het hoger beroep richt tegen de BELGISCHE STAAT omdat het geding onsplitsbaar is (artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek), maar dat is het uiteraard niet. De vorderingen strekten alleen tot veroordelingen tot betaling, en tegenstrijdige beslissingen daarover zijn materieel perfect gezamenlijk uitvoerbaar (artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek). Anders dan N. schrijft, werpt de BELGISCHE STAAT niet op dat het hoger beroep niet ontvankelijk is. Hij stelt wel dat hij niets te maken heeft met de grond van de zaak. Hij meent dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat de procedure uitgaat van Y., en dat de BELGISCHE STAAT ten onrechte betrokken is in de procedure. De BELGISCHE STAAT verklaart in hoger beroep dat Y. de procedure namens hem heeft gevoerd zonder zijn bestuur in te lichten, en dat zijn administratie zelfs geen weet had van de procedure tot bij de betekening van het vonnis. Ten onrechte leidt N. hieruit af dat de BELGISCHE STAAT een ontkentenis van proceshandeling doet. De BELGISCHE STAAT heeft integendeel op 11 januari 2005 geschreven dat hij berust in het vonnis. Y., die hoger beroep heeft ingesteld tegen de BELGISCHE STAAT, vroeg niets van de BELGISCHE STAAT in eerste aanleg, en vraagt ook niets van de BELGISCHE STAAT in hoger beroep. Het hoger beroep is ongegrond. 4.
  16. De vordering van Y. tegen N. Y. laat gelden dat N. hem in het openbaar heeft beschuldigd van machtsafwending, en dat dit lasterlijk is, minstens beledigend voor Y., en van aard is om de goede werking van de instellingen te ondergraven. De eerste rechter heeft terecht overwogen dat de vrijheid van meningsuiting in het Rijk wordt gewaarborgd door artikel 19 van de Grondwet, en artikel 10 EVRM en artikel 19 BUPO, en dat bij het gebruik van dat recht de eer of goede naam van personen niet mag worden aangetast. Even terecht heeft hij geoordeeld dat Y. niet bewijst dat N. bij de uitoefening van haar vrijheid van meningsuiting hem heeft beschuldigd van onjuiste feiten die zijn eer of goede naam aantasten. De boven aangehaalde uitlatingen van N. vormen een waardeoordeel dat niet als buitensporig kan aangezien worden. Het kan N. niet ten kwade geduid worden dat zij in de omstandigheden van de zaak, waarbij zij ondanks herhaalde zeer goede beoordeling bij de selectie niet werd benoemd en andere kandidaten wel, van mening was dat bij die benoemingen de band van de benoemden met de minister relevant was geweest. Het kan haar evenmin worden verweten dat zij die mening ook heeft geuit in het openbaar. Zij heeft hierdoor geenszins gedrag gesteld dat niet verzoenbaar was met dat van een normaal zorgvuldige persoon in dezelfde omstandigheden. Als enige grief tegen het vonnis lijkt Y. aan te voeren dat verwijten inzake machtsafwending alleen mogen gebeuren voor "een rechter of een rechtscollege", dat N. in haar middelen voor de Raad van State niet de machtsafwending heeft opgenomen, en dat zij daardoor een fout begaat. Het staat N. vrij voor de Raad van State de middelen te gebruiken die zij verkiest. Voor het overige is haar recht op meningsuiting niet op enige wijze beperkt tot het debat voor de rechter. Het hoger beroep van Y. is dus niet gegrond. 4.
  17. De vordering van N. tegen Y. Y. vraagt in conclusie het incidenteel hoger beroep van N. niet ontvankelijk te verklaren, maar hij ontwikkelt geen middel dat daartoe strekt. Het hof ziet er geen dat ambtshalve aan te voeren is. Het middel dat Y. opwerpt, heeft betrekking op de niet-ontvankelijkheid van de oorspronkelijke tegenvordering van N., hernomen bij incidenteel hoger beroep, die strekt tot veroordeling van Y. tot betaling van een schadevergoeding wegens foutieve en krenkende uitspraken, en tot het opleggen van een verbod zich nog denigrerend uit te laten over haar (en tot het bevelen van de publicatie van het vonnis). Y. beroept zich op de onschendbaarheid van de minister met toepassing van artikel 101 van de Grondwet. Dit bepaalt dat geen minister kan worden vervolgd naar aanleiding van een mening in de uitoefening van zijn ambt uitgebracht. Het wordt niet betwist dat Y. de uitlatingen over N. heeft gedaan in de uitoefening van zijn ambt. Bijgevolg kan hij daarover niet in rechte aangesproken worden. N. laat terecht gelden dat dit een afwijking vormt op de gemeenrechtelijke wettelijke bepalingen met betrekking tot aansprakelijkheid, maar het is een uitzondering vastgelegd in de Grondwet zelf. Het is dus niet zinvol om een vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de ongelijke behandeling van ministers en niet-ministers op dit vlak. Dit onderdeel van de oorspronkelijke tegenvordering van N. is dus niet ontvankelijk. Het incidenteel hoger beroep is dus niet gegrond. Met betrekking tot de tegenvordering uit tergend en roekeloos geding (die de eerste rechter heeft toegekend voor 2.000 EUR in plaats van de gevorderde 2.500 EUR) voert N. geen relevante middelen aan die het hof ertoe kunnen brengen de beslissing van de eerste rechter te hervormen.
  18. De kosten Alle partijen verklaren ter zitting dat zij voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing vragen van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag voor de rechtsplegingsvergoeding die aan N. toekomt 150,00 EUR gelet op de waarde van de vordering, en voor de rechtsplegingsvergoeding die aan de BELGISCHE STAAT toekomt 1.200 EUR nu er geen in geld waardeerbare vordering is. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk maar ongegrond; Hervormt het vonnis alleen voor zover het oordeelt over de tegenvordering van N., en spreekt opnieuw recht als volgt: verklaart de tegenvordering met betrekking tot de uitlatingen van Y. niet ontvankelijk. Veroordeelt appellant tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van N. op 150,00 euro rechtsplegingsvergoeding, en - in hoofde van de BELGISCHE STAAT op 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 8/9/2008 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.