← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080909.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 09 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080909.5 Rolnummer: 2007AR2766 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-16 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 17:52 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Territoriale bevoegdheid BURGERLIJK RECHT - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - Onroerende publiciteit - Inschrijving PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU Vrije woorden: Bescherming van het leefmilieu. Vlaams Gewest. Artikel 160 DORO. Artikel 3 hypotheekwet: welke vorderingen dienen op het hypotheekkantoor ingeschreven te worden, mede art. 160 DORO in acht genomen. Quid e stakings-, herstel-, of strafvordering, of vordering van het slachtoffer. Territoriaal bevoegde rechter voor de stakingsvordering: artikel 624, 1° en/of 2° Ger. W.? Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - art. 624, 1° of 2° Grondwet 1994 - 159 Wet - Art. 3 hypotheekwet Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2007/AR/2766 INZAKE VAN : De B.V.B.A. V. BETON EN ASFALT, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3190 BOORTMEERBEEK, Leuvensesteenweg 300, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 440.385.938, woonstkiezende op het kantoor van haar raadsman Meester Cies GYSEN, advocaat te 2800 MECHELEN, Antwerpsesteenweg 18, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel 14 augustus 2007, vertegenwoordigd door Meester Cies GYSEN, advocaat te 2800 MECHELEN, Antwerpsesteenweg 18, 1ste kamer TEGEN : De GEMEENTE GRIMBERGEN, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1850 GRIMBERGEN, Prinsenstraat 3, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Annelies VERLINDEN, advocaat te BRUSSEL, loco Meester Els EMPEREUR, advocaat te 2600 BERCHEM (ANTWERPEN), Uitbreidingsstraat 2, Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 14 augustus 2007, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 15 oktober 2007; · de aanvullende en syntheseconclusie van appellante neergelegd ter griffie op 7 februari 2008; · de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 21 februari 2008. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 10 maart 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van de gemeente, huidige geïntimeerde, strekte ertoe

(1)aan de B.V.B.A. V. Beton en Asfalt, hierna afgekort V. genoemd, huidige appellante, verbod te horen opleggen om verder werken uit te voeren, de werken te horen stop zetten alsmede het gebruik van de opgerichte constructies en de exploitatie, binnen een termijn van 24 na de te vellen beschikking,
(2)aan V. een dwangsom te horen opleggen van 2.500 euro per inbreuk en per dag nadat 48u verstreken zijn na de betekening en het bevel tot het betalen van die dwangsom en
(3)haar te machtigen (
  1. a)de inbreuken zowel op werkdagen als op feestdagen als in de weekends, overdag en 's nachts, te horen laten vaststellen met alle middelen en haar toelatingen te geven deze vaststellingen zowel buiten de werf als op de werf vast te stellen of te laten vaststellen met o.a. een gerechtsdeurwaarder, desgevallend vergezeld van een slotenmaker en (
  2. b)de kosten van deze vaststellingen onmiddellijk te innen door zich met de gerechtsdeurwaarder aan te bieden bij V. voor opvordering van de kosten tegen een eenvoudige factuur voor uitgestelde kosten. V. stelde een tegenvordering in en vroeg de gemeente te veroordelen
(1)om alle juridische adviezen bij te brengen die dateren van de periode van 20 maart t.e.m. 30 maart 2007 en die kunnen worden gerelateerd aan de milieustakingsvordering t.a.v. het College van Burgemeester en Schepenen op straffe van een dwangsom ten beloop van 25.000 euro per dag, ingaand vanaf 30 dagen na het tussen te komen vonnis en
(2)tot betaling van een bedrag van 2.500 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding. 1.2. De eerste rechter heeft
(1)de hoofdvordering toelaatbaar verklaard,
(2)de tegenvordering afgewezen in zoverre ze betrekking had op de overlegging van stukken,
(3)alvorens verder uitspraak te doen, Ir. Didier De Buyst aangesteld als deskundige met o.m. als opdracht te onderzoeken of de exploitatie van de asfaltbetoncentrale van V. manifeste hinder veroorzaakt op het leefmilieu o.a. geurhinder, geluidshinder, stofhinder, verkeersmilieu, en een mogelijke bedreiging voor de gezondheid vormt, in voorkomend geval deze hinder te omschrijven en
(4)de beslissing over de kosten aangehouden. 1.3. Het hoger beroep van appellante beoogt in hoofdorde
(1)het bestreden vonnis te horen hervormen,
(2)de zaak te horen verwijzen naar de teritoriaal bevoegde rechtbank,
(3)te horen beslissen dat de zaak niet in staat is,
(4)de vordering van de gemeente niet ontvankelijk te horen verklaren, minstens ongegrond,
(5)minstens een prejudiciële vraag te horen stellen aan het Grondwettelijk Hof en
(6)haar aanvankelijke tegenvordering ontvankelijk en gegrond te horen verklaren. Ondergeschikt vraagt zij
(1)de aanstelling van een deskundige teniet te doen gelet op het aanwezig zijn van afdoende elementen welke aantonen dat van enige hinder, laat staan manifeste hinder, geen sprake is en dienvolgens te zeggen voor recht dat het hinderlijk karakter van de asfaltbetoncentrale niet bewezen is,
(2)minstens in de opdracht aan de deskundige op te nemen dat deze dient na te gaan dat de niet aangehouden voorwaarden, zoals aangegeven door de gemeente, geen enkele correlatie bezitten met de aangevoerde hinderaspecten en in die zin een uitspraak omtrent de aanwezigheid van een afdoende belang aan te houden tot dienaangaande uitsluitsel bestaat en
(3)het verzoek tot machtiging vanwege de gemeente om (
  1. a)de inbreuken zowel op werkdagen als op feestdagen als in de weekends, overdag en 's nachts, te horen laten vaststellen met alle middelen en haar toelatingen te geven deze vaststellingen zowel buiten de werf als op de werf vast te stellen of te laten vaststellen met o.a. een gerechtsdeurwaarder, desgevallend vergezeld van een slotenmaker en (
  2. b)de kosten van deze vaststellingen onmiddellijk te innen door zich met de gerechtsdeurwaarder aan te bieden bij V. voor opvordering van de kosten tegen een eenvoudige factuur voor uitgestelde kosten, af te wijzen. 1.4. De gemeente vraagt
(1)het bestreden vonnis te willen bevestigen, voor zover hierin het bestaan bevestigd wordt van een duidelijke inbreuk op de regelgeving inzake leefmilieu in de zin van de Wet betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu van 12 januari 1993 en
(2)de verzoeken tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof af te wijzen als ongegrond. Bij wijze van incidenteel beroep herneemt geïntimeerde haar oorspronkelijke vordering zoals gesteld voor de eerste rechter. I. De Feiten. 2.
  1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
  2. Samengevat komt het hierop neer dat appellante een asfaltbetoncentrale uitbaat op het bedrijventerrein Westvaartdijk te Grimbergen. Deze centrale is vooral bestemd voor de (her)aanleg van wegen, voornamelijk in de streek rond Brussel en Vlaams - Brabant. Volgens het gewestplan Halle - Vilvoorde - Asse is het perceel waarop de centrale gevestigd is, gelegen in een gebied voor watergebonden bedrijvigheid. V. diende op 29 april 2005 een aanvraag in tot het bekomen van een milieuvergunning. Op 5 juli 2005 werd een gunstig advies verleend door het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Grimbergen mits een aantal voorwaarden werden nageleefd. Hierop besliste de Bestendige Deputatie van Vlaams - Brabant op 8 september 2005 een milieuvergunning toe te kennen voor een periode van 20 jaar gekoppeld aan een aantal voorwaarden. Tegen de gunstige beslissing van de Bestendige Deputatie van 8 september 2005 werden een aantal beroepen ingesteld o.m. door een aantal inwoners uit Grimbergen. Ook door het College van Burgemeester en Schepenen werd hoger beroep aangetekend omdat bepaalde van de door het College opgelegde voorwaarden voor de uitbating van de nieuwe asfaltbetoncentrale niet waren opgenomen in de beslissing van de Bestendige Deputatie. Al deze beroepen werden gedeeltelijk gegrond verklaard waarna een milieuvergunning werd verleend door de bevoegde minister op 23 februari
  3. Tegen de milieuvergunning verleend op 23 februari 2006 werden verschillende procedures ingeleid voor de Raad van State waarop bij arrest van 17 januari 2007 deze milieuvergunning geschorst werd. De Raad van State verweet de minister de aanvraag enkel getoetst te hebben aan de bestemming industriegebied terwijl in deze het terrein in overdruk bijkomend bestemd werd als gebied voor watergebonden bedrijvigheid (schending van artikel 21 van het gewestplan Halle - Vilvoorde - Asse). Op 3 juni 2005 diende V. tevens een aanvraag in tot het bekomen van een bouwvergunning. Gezien het uitblijven van enige beslissing vanwege de gemeente en vanwege de Bestendige Deputatie werd uiteindelijk een bouwvergunning verkregen bij besluit genomen door de Vlaamse Minister van Ruimtelijke ordening op 28 april
  4. Ook tegen deze bouwvergunning werden verschillende procedures ingeleid voor de Raad van State doch de verzoeken tot schorsing werden afgewezen. Na de schorsing van de milieuvergunning, verleend op 23 februari 2006, trok de Vlaamse Minister voor Leefmilieu deze laatste beslissing in en verleende een nieuwe milieuvergunning op 19 maart
  5. Ook tegen deze vergunning werden verschillende procedures ingesteld bij de Raad van State. In de schorsingsprocedure ingesteld door een omwonende, mevrouw Declerck - Notelé, werd haar verzoek verworpen bij arrest uitgesproken door de Raad van State op 24 januari
  6. In de overige verzoeken tot schorsing werd tot op heden nog geen beslissing genomen. In augustus 2006 werden de werken gefinaliseerd en de centrale werd in december 2006 in werking gesteld. I. Beoordeling. 3.
  7. Wat de territoriale bevoegdheid betreft: 3.1.
  8. V. is de mening toegedaan dat bij toepassing van artikel 624,1° Ger.W. de zaak moet verwezen worden naar de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, zetelend zoals in kort geding. De gemeente is van oordeel dat zij bij toepassing van artikel 624,2° Ger.W. de stakingsvordering ook kan instellen voor de rechter waar de te staken handelingen werden gesteld. 3.1.
  9. De wet van 12 januari 1993 bevat geen bijzondere bepalingen m.b.t. de plaats waar de stakingsvorderingen dienen ingesteld te worden zodat bij toepassing van artikel 2 Ger.W. toepassing dient gemaakt te worden van de gemeenrechtelijke regels. Een vordering kan naar keuze van de eisende partij gebracht worden voor de rechter van de woonplaats van de verweerder of van één van de verweerders (= artikel 624, 1° Ger.W.) of voor de rechter van de plaats waar de verbintenissen, waarover het geschil loopt, of één ervan zijn ontstaan of waar zij worden, zijn of moeten worden uitgevoerd (= artikel 624, 2° Ger.W.). 3.1.
  10. Artikel 624, 2° Ger.W. is niet enkel van toepassing op verbintenissen die voorvloeien uit overeenkomsten maar is tevens van toepassing op eigenlijke en oneigenlijke misdrijven. Een stakingsvordering impliceert dat handelingen werden gesteld die een inbreuk vormen op de milieuwetgeving waardoor schade wordt geleden. De handelingen waarvan de stopzetting wordt gevraagd en waarvan beweerd wordt dat zij schade veroorzaken, hebben allen plaatsgevonden in de gemeente Grimbergen. 3.1.
  11. V. verwijst ten onrechte naar artikel 629 Ger.W. In deze wet wordt niet expliciet verwezen naar de wet van 12 januari 1993 zodat bijgevolg in deze zaak enkel toepassing kan gemaakt worden van artikel 624 Ger.W. 3.1.
  12. Het is dan ook terecht dat de eerste rechter besliste dat gelet op de aard van de vordering, die ertoe strekt een vermeende inbreuk te doen stopzetten, de territoriale bevoegdheidsbepaling op grond van artikel 624, 2° Ger.W. tot de mogelijkheden behoorde en de rechtbanken te Brussel zodoende wel degelijk teritoriaal bevoegd zijn. Alle overige door partijen aangevoerde middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat. 3.
  13. Wat de ontvankelijkheid betreft van de oorspronkelijke vordering: 3.2.
  14. V. wierp aanvankelijk op dat het onduidelijk was dat de raadsman van de gemeente op rechtsgeldige wijze door de gemeente gemachtigd werd over te gaan tot het instellen van huidige vordering (artikel 193 Gemeentedecreet). Na de inleidingszitting werd haar een beslissing overgemaakt van 3 april 2007 genomen door het College van Burgemeester en Schepenen waarin haar raadsman wel degelijk gemachtigd werd een procedure in te spannen. 3.2.
  15. V. stelt thans dat met dat stuk geen rekening mag gehouden worden gezien de hierin vervatte beslissing genomen werd in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel. V. verwijt in dit verband aan de gemeente plots zonder enige motivering op eerdere stellingnames te zijn terug gekomen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de gemeente tegen de milieuvergunning verleend op 23 februari 2006 een verhaal indiende bij de Raad van State omdat een aantal van de door haar opgelegde voorwaarden niet meer werden opgelegd door de bevoegde minister die uiteindelijk de vergunning verleende. Deze milieuvergunning werd geschorst door de Raad van State bij arrest van 17 januari
  16. Ingevolge de schorsingsbeslissing werd een tweede milieuvergunning verleend door de bevoegde minister op 19 maart
  17. Ook tegen deze vergunning diende de gemeente zowel een schorsings- als een annulatieverzoek in bij de Raad van State. Bijgevolg kan aan de gemeente zelfs niet verweten worden op eerdere stellingnames te zijn terug gekomen. Er is zodoende geen schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur in deze bewezen. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd. 3.2.
  18. Door V. zal verder nog opgeworpen worden dat de bijgebrachte machtiging ongeldig is in het licht van het Decreet van 9 november 2007, de recente onderzoeken en PV's waaruit de afwezigheid van hinder blijkt en de uitspraak van de Raad van State van 24 januari 2008 waarin te lezen valt dat elke hinder ontbreekt. Deze argumentatie is totaal irrelevant in het debat of de gemeente haar raadsman wel degelijk gemachtigd heeft om een procedure in te stellen en raakt de grond van de zaak. 3.
  19. Wat het voorwerp van de vordering betreft: 3.3.1.In dit verband werpt V. op dat de betoncentrale inmiddels in werking is gesteld en dat bijgevolg de vordering van de gemeente waarbij gevraagd wordt haar verbod op te leggen de werken verder uit te voeren en de in uitvoering zijnde werken stop te zetten zonder voorwerp is geworden. De gemeente werpt hiertegen in dat zij aanvankelijk ook vroeg het gebruik van de opgerichte constructies stop te zetten, alsook de exploitatie te beëindigen binnen een termijn van 24u na de te vellen beschikking en haar vordering bijgevolg nog wel degelijk een nut heeft. De gemeente zal verder terecht argumenteren dat de stakingsrechter in voorkomend geval zelfs een herstel in de oorspronkelijke staat kan bevelen. 3.3.
  20. De stakingvordering van de gemeente blijft staande in zoverre de staking wordt gevraagd van het strijdig gebruik van de gebouwen en is dus niet in haar geheel zonder voorwerp geworden. 3.3.
  21. Op dit punt wordt het bestreden vonnis eveneens bevestigd. 3.
  22. Overschrijving van de dagvaarding in de registers van de hypotheekbewaarder: 3.4.
  23. V. stelt verder dat de vordering tot het stopzetten van een strijdig gebruik van de door haar opgerichte betoncentrale op pure stedenbouwkundige gronden is gestoeld en bijgevolg een aanmelding of inschrijving in de registers van de hypotheekbewaarder noodzakelijk was overeenkomstig artikel 160 DRO. Bij gebreke hieraan zou de vordering niet ontvankelijk zijn. 3.4.
  24. De wet van 12 januari 1993 stelt niet dat een stakingsvordering moet overgeschreven zijn in het hypotheekkantoor om ontvankelijk te zijn. Het is enkel deze wet die huidige materie regelt en niet het DRO. De vereiste van overschrijving kan overigens niet zonder wettekst en per analogie worden opgelegd - wat V. doet - gezien een dergelijke vereiste een beperking inhoudt van het recht op toegang tot het gerecht. 3.4.
  25. Ten overvloede wordt hieraan toegevoegd dat artikel 160 DRO (= verplichting tot inschrijving in het hypotheekkantoor) enkel verwijst naar dagvaardingen uitgevaardigd op grond van de artikelen 146, 149 en 151 DRO. Deze verplichting geldt bijgevolg enkel voor de strafvorderingen (= artikel 146 DRO), de herstelvorderingen van de stedenbouwkundige inspecteur of anderen (= artikel 149 DRO) en de vordering van de burgerlijke partij (= artikel 150 DRO). In het DRO is evenmin sprake van een verplichting tot overschrijving ingeval van het instellen van een stakingsvordering. Volledigheidshalve wordt hierbij onderlijnd dat de gemeente niet de afbraak vordert van de inmiddels opgerichte betoncentrale - wat telkens door V. wordt voorgehouden - doch enkel een staken van het strijdig gebruik van deze inrichting. 3.4.
  26. Het bestreden vonnis wordt andermaal bevestigd in zoverre hierin de vordering niet onontvankelijk werd verklaard bij gebreke aan overschrijving in het hypotheekkantoor. 3.
  27. Het in staat zijn van huidige zaak: 3.5.1.V. is de mening toegedaan dat in deze zaak eerst het Vlaamse Gewest dient betrokken te worden vooraleer kan beslist worden. 3.5.2.Nergens blijkt uit dat de vergunningverlenende overheid in een dergelijke procedure moet betrokken worden. Krachtens artikel 1, tweede lid van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, kan de rechter de staking bevelen van handelingen waarvan de uitvoering reeds begonnen is of maatregelen opleggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu. Het spreekt dus voor zich dat niet enkel de vergunningverlenende overheid schade aan het leefmilieu kan claimen doch alle administratieve overheden bedoeld in artikel 1 van de Milieustakingswet. Indien V. overigens bepaalde tekortkomingen ten laste wenst te leggen van het Vlaamse Gewest in deze zaak, stond haar niets in de weg om deze partij te dagvaarden in gedwongen tussenkomst. 3.5.
  28. Terecht oordeelde de eerste rechter dat de zaak wel degelijk in staat was. 3.
  29. Wat het belang van de gemeente betreft: 3.6.
  30. In dit verband roept V. een hele reeks van argumenten in die erop neerkomen dat de gemeente, voor het instellen van huidige vordering, nooit in vraag heeft gesteld of haar inrichting schade aan het leefmilieu zou veroorzaken of bij de oprichting ervan rechten werden bedreigd en meer nog zelf aanvankelijk een milieuvergunning heeft toegekend. Hierbij wordt nog eens verwezen naar het Decreet van 9 november 2007 en het arrest van de Raad van State van 24 januari
  31. V. verwijst hierbij naar de artikelen 17 en 18 Ger.W. 3.6.
  32. Artikel 1, eerste lid van de wet van 12 januari 1993 verleent een vorderingsrecht inzake de bescherming van het leefmilieu aan o.a. een "administratieve overheid". Tot de administratieve overheden behoren de gemeente. Bijgevolg kan een gemeente op grond van die bepaling een vordering tot staking instellen ter bescherming van het leefmilieu of ter voorkoming van een ernstige dreiging voor het leefmilieu op haar grondgebied voor zover die bescherming van dat aspect van het leefmilieu tot haar bevoegdheid behoort (Cass., 14 februari 2002, Arr. Cass., 2002, p. 441). De omstandigheid dat de gemeente zelf een vergunning of een gunstig advies heeft verleend, verhindert niet dat ze, met toepassing van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993, een vordering kan instellen tot staking van een handeling ter uitvoering van die vergunning, zelfs indien die handeling in overeenstemming is met die vergunning. Artikel 159 van de Grondwet belet een administratieve overheid immers niet de onwettigheid aan te voeren van een besluit dat zij zelf heeft genomen. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kan in het kader van een procedure tot staking aldus ertoe worden gebracht op grond van artikel 159 van de Grondwet de geldigheid van de vergunning te onderzoeken omdat de staking van een vergunde handeling wordt gevorderd, zelfs wanneer die vergunning door de gemeente zelf is verleend, dan wel in overeenstemming is met een door haar verleend gunstig advies. Er kan bijgevolg niet aangevoerd worden dat de gemeente geen belang zou hebben bij een dergelijke vordering, vermits een gemeente die op grond van arteikel 1 van de wet van 12 januari 1993 een vordering tot staking instelt ter bescherming van het leefmilieu of ter voorkoming van een ernstige dreiging voor het leefmilieu op haar grondgebied, wordt geacht een belang te hebben. Bijgevolg moet de gemeente niet doen blijken van een eigen belang in de zin van artikel 17 van het Ger.W. Haar vorderingsrecht vloeit rechtstreeks voort uit de wet van 12 januari 1993 (arresten van het Grondwettelijk Hof van 26 april 2007 en 19 september 2007). 3.6.
  33. Het bestreden vonnis wordt dan ook bevestigd in zoverre hierin gesteld wordt dat de gemeente beschikt over het vereiste belang om een stakingsvordering in te stellen. Alle overige door V. aangevoerde argumenten raken de grond van de zaak en behoeven dan ook, in dit debat, geen nader onderzoek. 3.
  34. Wat de grond van de zaak betreft: 3.7.1.Naar luid van artikel 1 van de wet betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu dient de rechter het bestaan vast te stellen van een handeling die een kennelijke inbreuk is (of een ernstige bedreiging vormt voor een inbreuk) op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu en kan hij de staking bevelen van handelingen waarvan de uitvoering reeds is begonnen of maatregelen opleggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu. Overeenkomstig artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 dient bijgevolg vooreerst het bestaan worden vastgesteld van een " kennelijke inbreuk " op de wetgeving betreffende de bescherming van het milieu. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 12 januari 1993 en de doelstellingen van de wet vloeit voort dat een " kennelijke inbreuk " op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu, niet betekent dat " de inbreuk op de wet " "kennelijk " moet zijn, in die zin dat de wetsovertreding duidelijk, klaarblijkelijk of onmiskenbaar zou moeten zijn, maar wel dat " de inbreuk " op het leefmilieu " kennelijk " moet zijn, in die zin dat " de aantasting "van het leefmilieu door de aangevoerde wetsovertreding " belangrijk " moet zijn. De gevolgen van de inbreuk op het leefmilieu zijn derhalve beslissend om uit te maken of een inbreuk al dan niet als " kennelijk " moet aangezien worden (Cass., 2 maart 2006, www.cass.be). Om het bestaan vast te stellen van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling die een kennelijke inbreuk is op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu, moet de rechter bijgevolg niet alleen nagaan of de inbreuk met voldoende zekerheid vaststaat, maar moet hij tevens de gevolgen van die inbreuk op het milieu in aanmerking nemen. 3.7.
  35. Er dient bijgevolg vooreerst onderzocht te worden of V. enige inbreuk pleegde op de wetsbepalingen inzake bescherming van het milieu, wat zij betwist. Hierbij wordt het volgende herhaald: - een eerste milieuvergunning werd verleend op 23 februari 2006; - deze werd geschorst door de Raad van State bij arrest van 17 januari 2007; - op 19 maart 2007 werd een nieuwe milieuvergunning toegekend nadat de overheid haar beslissing van 23 februari 2006 had ingetrokken; - een bouwvergunning werd verleend op 28 april 2006; - de werken werd aangevat en de centrale werd in werking gesteld in de loop van december 2006; - tegen de laatst toegekende milieuvergunning zijn nog steeds schorsings - en vernietigingsberoepen hangende voor de Raad van State; - tegen de toegekende bouwvergunning zijn nog enkel vernietigingsberoepen hangende. Artikel 5 van het milieuvergunningsdecreet, zoals gewijzigd door artikel 12 van het decreet van 19 mei 2006, bepaalt het volgende: " §
  36. De bouwvergunning (...) waarvoor een milieuvergunning nodig is of die onderworpen is aan de meldingsplicht wordt geschorst zolang de milieuvergunning niet definitief is verleend of de melding niet is gebeurd. De milieuvergunning wordt beschouwd als definitief verleend wanneer geen administratief beroep meer mogelijk is bij een vergunningsverlenende overheid en de termijn voor het indienen van een beroepsprocedure met vordering tot schorsing en/of vernietiging bij de Raad van State verstreken is. Ingeval van beroepsprocedure tot schorsing bij de Raad van State is ingediend, wordt de milieuvergunning beschouwd als definitief verleend vanaf de afwijzing van de vordering tot schorsing. " De milieuvergunning van 23 februari 2006 werd eerst geschorst bij arrest van 17 januari 2007 en vervolgens ingetrokken. De intrekking van een administratieve beslissing houdt in dat een overheid een voorheen genomen beslissing retroactief doet verdwijnen en deze beslissing geacht wordt nooit te hebben bestaan. V. kan zich bijgevolg niet beroepen op de milieuvergunning van 23 februari 2006 die geacht wordt nooit te hebben bestaan. Ten onrechte beroept V. zich op de leer van de verworven rechten. De uitvoering van de milieuvergunning van 23 februari 2006 was geschorst op het ogenblik van de intrekking van deze beslissing en kon bijgevolg geen rechten doen ontstaan in hoofde van V.. Een nieuwe milieuvergunning werd verleend op 19 maart
  37. V. blijft in gebreke aan te tonen om welke reden het decreet van 19 mei 2006 dat in werking trad op 30 juni 2006 geen toepassing zou kunnen vinden op een milieuvergunning verleend op 19 maart
  38. Tegen de milieuvergunning van 19 maart 2007 werden vier schorsingsberoepen ingediend, met name zaak A. 183.419/VII-36.989, zaak A. 182.882/VII-36.976, zaak A. 183.031/VII-36.977 en zaak A. 183.375/VII-36.
  39. In de drie eerste zaken werd bij arresten uitgesproken op 24 januari 2008 o.m. een lid van het auditoraat gelast met een aanvullend onderzoek van de vordering tot schorsing en zijn deze zaken nog steeds hangende. Enkel in de laatste zaak werd de vordering tot schorsing verworpen. Bijgevolg kan de milieuvergunning van 19 maart 2007, ingevolge de nog hangende schorsingsprocedures voor de Raad van State, niet beschouwd worden als zijnde definitief verleend als gevolg waarvan de toegekende bouwvergunning geschorst is. Niettemin erkent appellante dat de betoncentrale in werking is sedert de maand december
  40. Ten onrechte verwijst V. hierbij naar het oude artikel 5 van het milieuvergunningsdecreet dat bepaalde dat de bouwvergunning voor een inrichting waarvoor een milieuvergunning nodig is of onderworpen is aan een meldingsplicht geschorst wordt zolang de milieuvergunning niet is verleend of de melding niet is gerespecteerd en dat wanneer de milieuvergunning werd geweigerd alsdan de bouwvergunning verviel. V. koppelt hierbij telkens de (eerste) milieuvergunning van 23 februari 2006 aan de bouwvergunning van 28 april 2006 (verleend vóór de inwerkingtreding van het decreet van 19 maart 2007) terwijl deze milieuvergunning, ingevolge de intrekking, geacht wordt nooit te hebben bestaan. Bijgevolg was, zelfs onder de vroegere regeling, de bouwvergunning geschorst bij gebreke aan het bestaan van een milieuvergunning. Een tweede milieuvergunning werd verleend op 19 maart 2007, op het ogenblik dat het decreet van 19 mei 2006 reeds van kracht was, waardoor toepassing dient gemaakt te worden van het gewijzigde artikel 5 van het milieuvergunningsdecreet (zoals hiervoren geciteerd). Bijgevolg is deze centrale thans in werking zonder te beschikken over de nodige , niet geschorste en dus uitvoerbare, bouwvergunning wat een inbreuk is op de regelgeving inzake milieu. 3.7.
  41. Ondergeschikt vraagt V. aan het Grondwettelijk Hof hierna volgende prejudiciële vraag te stellen (of te wachten op een beslissing op deze vraag die reeds gesteld werd): " Schenden de artikelen 12 en 14 van het Decreet van het Vlaamse Gewest van 19 mei 2006 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en gewesten, en van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ". Minstens: " Schendt het decreet van 9 november 2007 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door een manifeste ongelijkheid te creëren tussen vergunningen en diens houders, a) afgeleverd na de inwerkingtreding van het decreet van 19 mei 2006 en vóór de inwerkingtreding van het decreet van 9 november 2007 en b) alle andere vergunningen en vergunninghouders na de wijzigingen van het decreet van 9 november 2007 ". Het antwoord op deze beide vragen zijn - gelet op het voorgaande - niet relevant m.b.t. de rechtsvraag die in deze zaak in concreto aan de orde is. 3.7.
  42. Alle overige door partijen aangevoerde middelen terzake zijn niet dienend in het licht van wat voorafgaat. 3.7.
  43. Vervolgens dient onderzocht te worden welke de gevolgen zijn van deze inbreuk op het milieu. Volgens de gemeente zou de uitbating van de asfaltbetoncentrale geurhinder met zich meebrengen, risico's voor de gezondheid, geluidshinder, stofhinder en een enorme bijkomende verkeersdrukte. V. betwist dit en verwijst naar de talrijke vaststellingen die door haar toedoen werden gedaan alsmede naar een arrest van de Raad van State gewezen op 24 januari
  44. Wat voornoemd arrest van de Raad van State betreft dient voor ogen gehouden te worden dat hierin uitspraak werd gedaan over een schorsingsverzoek en in een dergelijke procedure dient onderzocht te worden of de verzoekende partij een nadeel ondergaat die voldoende ernstig is om tot de schorsing van een administratieve beslissing te kunnen overgaan. Het is niet omdat de Raad van State in dat specifieke geval oordeelde dat de verzoekende partij (die niet de gemeente is) geen ernstig nadeel aantoonde dat hieruit kan besloten worden dat de exploitatie van de betoncentrale geen schade aan het leefmilieu veroorzaakt. De Raad van State neemt overigens in overweging dat die welbepaalde verzoekende partij op 600 meter afstand woont en voor haar de hinder (wat bovendien nog iets anders is of kan zijn dan de in casu te bewijzen schade aan het leefmilieu) niet groot kan zijn. Wat de overige door V. neergelegde stukken betreft, gaat het telkens om eenzijdige stukken die tot stand kwamen op verzoek van appellante zelf. Het is bijgevolg niet (totaal) uitgesloten dat vaststellingen werden gedaan op gunstige ogenblikken (geurhinder, stofhinder e.d. komt niet noodzakelijkerwijze altijd voor maar kan onderhevig zijn aan de weersomstandigheden, zoals wind, windrichting, regen e.d.). In dit verband dient overigens opgemerkt te worden dat verschillende inspectieverslagen van de afdeling Milieu-inspectie, Buitendienst Vlaams-Brabant vaststellingen bevatten toen het bedrijf nog niet in werking was of het slechts gedeeltelijk was. Bovendien bevindt de betoncentrale zich in de onmiddellijke omgeving van een natuurgebied en van een woongebied zodat mogelijke schade aan het leefmilieu ook vanuit dit perspectief dient bekeken te worden. De asfaltbetoncentrale werd opgericht op een terrein waar zich ook andere bedrijven bevinden, voornamelijk werkzaam in de afval- en de recyclagesector, wat eveneens een specifiek licht werpt op het karakter van de mogelijke schade aan het leefmilieu. 3.7.
  45. De eerste rechter heeft dan ook terecht een deskundige aangesteld gezien enkel op deze wijze een objectief onderzoek kan gevoerd worden over de mogelijke impact van het asfaltbedrijf op het milieu in het algemeen. Het is onterecht dat V. het bevelen van een dergelijke onderzoeksmaatregel in huidige concrete omstandigheden manifest onredelijk noemt. Deze onderzoeksmaatregel is tevens in het belang van appellante omdat alzo definitief zal komen vast te staan of inderdaad het door haar geëxploiteerd bedrijf al dan niet enige schade met zich meebrengt voor het milieu. In ontkennend geval komt dit enkel ten goede aan appellante zelf. Het is immers niet uitgesloten dat de strenge exploitatievoorwaarden die zijn opgelegd, volstaan. Het argument als zou een deskundigenonderzoek in deze disproportioneel onredelijk en duur zijn, is niet ernstig te noemen. Vooreerst wordt aan appellante verweten een milieuhinderend bedrijf te exploiteren in de nabijheid van een natuurgebied en van een woongebied, wat zeer ernstig is en vervolgens blijkt thans niet wie uiteindelijk deze expertisekosten zal moeten dragen. Het feit dat enerzijds aanvaard wordt dat de gemeente een belang heeft om een stakingsvordering in te stellen en anderzijds een deskundige wordt aangesteld, is niet tegenstrijdig. Appellante verwart hier duidelijk een aantal rechtsprincipes. 3.7.
  46. Het bestreden vonnis wordt op dit punt tevens bevestigd en de overige terzake aangevoerde middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat. 3.7.
  47. V. vraagt, in subsidiaire orde, de opdracht van de deskundige, aangesteld door de eerste rechter, uit te breiden. De gevraagde uitbreiding komt pertinent over en kan bijgevolg toegekend worden zoals uiteengezet in het beschikkend gedeelte van huidig arrest. 3.
  48. Wat de neerlegging betreft van een aantal juridische adviezen en de vordering tot schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding (voorwerp van de oorspronkelijke tegenvordering): 3.8.
  49. Het hof is het met de eerste rechter eens dat niet aangetoond wordt in welke mate de neerlegging van de gevraagde stukken dienend zou kunnen zijn voor de beoordeling van huidige zaak. 3.8.
  50. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd. 3.8.
  51. Over de vordering tot het bekomen van een schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding, heeft de eerste rechter terecht, in de huidige stand van de procedure, nog geen uitspraak gedaan en deze problematiek aangehouden tot na de neerlegging van het deskundigenverslag. 3.
  52. Wat de gerechtskosten (rechtsplegingsvergoeding) betreft: 3.9.
  53. Appellante vroeg ter zitting haar een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen van 10.000 euro wegens de complexiteit van de zaak en geïntimeerde eveneens een bedrag van 10.000 euro gezien het om een vordering zou gaan die niet in geld waardeerbaar is. 3.9.
  54. Een vordering tot staken dient aangezien te worden als een vordering die niet in geld waardeerbaar is. Het maximumbedrag voor een dergelijke vordering bedraagt 10.000 euro . Huidige zaak heeft ontegensprekelijk een eerder complex karakter en er wordt bijgevolg in alle redelijkheid een bedrag toegekend van 6.000 euro als schadevergoeding. Dit bedrag komt aan de gemeente toe als in het gelijk gestelde partij. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep beiden ontvankelijk. Verklaart het hoger beroep enkel gegrond m.b.t. de opdracht toe te kennen aan de deskundige. Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen. Legt bijkomend aan de deskundige, dhr Didier DE BUYST, Jan Van Rijswijcklaan 102 te 2020 Antwerpen, de opdracht op : - na te gaan of de volgens de gemeente door appellante niet nageleefde voorwaarden enige correlatie bezitten met de aangevoerde hinderaspecten. Verwijst de zaak bij toepassing van artikel 1068, lid 2 Ger.W. opnieuw naar de eerste rechter. Veroordeelt appellante in de kosten van hoger beroep, begroot - in hoofde van haarzelf op euro 6.186 (186 rolrecht + 6.000 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 6.000 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 9/9/2008 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.