← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080910.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 10 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080910.3 Rolnummer: 1999AR228 Rechtsgebied: Bestuursrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2009-01-14 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-07-02 17:53 Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Planschade en -baten GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - PROTOCOLLEN EVRM - Aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het EVRM - Bescherming eigendom - art. 1 Vrije woorden: I. Artikel 36 van het coödrinantiedecreet van 22 -10-

  1. Planschade. Vergoeding. Vordering. Redenen van verval. II. Leer van de quasi-onteigening. Artikel 16 Gw. Artikel 544 B.W. Art. 1 van het eerste aanvullend protocol EVRM. Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, Aanvullende kamer 1S, (wet van 9 juli 1997), Nr.: na beraad spreekt het volgend arrest uit : A.R. Nr. 1999/AR/228 Rep.nr.: 2008/ IN ZAKE VAN : Kamer 1S appellanten, beiden in eigen naam en in hun hoedanigheid van rechtsopvolgers van wijlen hun moeder.. vertegenwoordigd door meester Joost Bosquet, loco meester Peter Flamey, advocaat te 2018 Antwerpen, Jan Van Rijswijcklaan 16, Eindarrest TEGEN : 1) DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Eerste Minister, met kantoren te 1000 Brussel, Wetstraat 16, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester Daniël Spreutels, loco meester Pierre-Marie Sprockeels, advocaat te 1000 Brussel, Kasteleinstraat 19/14, 2) Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister-President, met kantoren te 1000 Brussel, Martelarenplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse Minister Van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kantoren te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 19, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester Michel Van Dievoet, advocaat te 1000 Brussel, Boomstraat 14 bus
  2. ************ Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (23ste kamer) na tegenspraak uitgesproken op 4 september 1998, waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep, op 27 januari 1999 ter griffie van het hof neergelegd; - de conclusie en syntheseconclusie van appellanten; - de conclusie namens de Belgische Staat; - de conclusie en vervangende conclusie van het Vlaamse Gewest. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 18 juni 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. (...) 4°. Vordering op grond van art. 35 D.R.O.
  3. Appellanten zijn van oordeel dat de eerste rechter ten onrechte besloot tot de vervallenverklaring van hun recht op schadevergoeding doordat zij hun vordering niet instelden binnen het jaar na de aangifte van het stedenbouwkundig attest.
  4. Artikel 36, tweede lid, van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening luidt: De vorderingen (tot betaling van planschadevergoedingen) vervallen één jaar na de dag waarop het recht op schadevergoeding ontstaat overeenkomstig art. 35, vierde lid. Indien geen vergunning wordt aangevraagd, is de termijn tien jaren te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van het plan. (...) Artikel 35, vierde lid, bepaalt: Het recht op schadevergoeding ontstaat ofwel bij overdracht van het goed ofwel bij de weigering van een bouw- of verkavelingsvergunning of nog bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest.
  5. Zoals hierboven uiteengezet had de gemeente Beersel op 2 juli 1982 een stedenbouwkundig attest nr. 1 afgegeven met verwijzing naar het gewestplan, goedgekeurd bij KB van 7 maart 1977 volgens welk het perceel gelegen was in het natuurgebied. Een stedenbouwkundig attest is "negatief" in de zin van artikel 35, vierde lid, van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 (art. 37, derde lid, van de wet van 29 maart 1962), o.m. wanneer het een bestemming vermeldt waaruit een bouw- of verkavelingsverbod voortvloeit, en met name wanneer er een verbod tot het bouwen van particuliere woningen uit volgt . De enige omstandigheid dat appellanten een stedenbouwkundig attest nummer 1 en niet nummer 2 voorleggen laat niet toe te besluiten dat het recht op vergoeding niet is ontstaan .
  6. Te dezen houdt het stedenbouwkundig attest van 2 juli 1982 het advies d.d. 17 juni 1982 in van de gemachtigde ambtenaar volgens welk "het eigendom is volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in natuurgebied (art. 13/4.3.
  7. van het K.B. d.d. 28.12.1972 gewijzigd bij K.B. 13.12.1978". Het gemeentebestuur gaf als bestemming van het goed: "Het perceel is volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse goedgekeurd bij K.B. d.d. 7 maart 1977 gelegen in het natuurgebied" . De ligging in natuurgebied sloot bijgevolg elke constructie zoals door appellanten beoogd uit (zie o.m. art. 13 van het Inrichtingsbesluit van 28 december 1972). Appellanten hebben zich rekenschap moeten geven dat het stedenbouwkundig attest van 2 juli 1982 kennelijk negatief was en dat het recht op planschadevergoeding bij het afleveren ervan ontstaan is. De eerste rechter heeft dan ook terecht vastgesteld dat de vordering, ingesteld bij dagvaarding van 27 april 1995, dit is meer dan één jaar na het afleveren van het attest, vervallen was.
  8. Alleszins was het recht van appellanten op planschadevergoeding bovendien vervallen tien jaar na de inwerkingtreding van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (tweede vervaltermijn). Zoals hierboven uiteengezet kan geen onregelmatigheid in de bekendmaking van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse worden vastgesteld.
  9. De grondvoorwaarden inzake planschade dienen dan ook niet verder onderzocht worden. 5°. Vordering op grond van quasi-onteigening
  10. Indien het hof zou oordelen dat het recht op planschadevergoeding vervallen is, dan verklaren appellanten alleszins aanspraak te maken op vergoeding krachtens de leer van de quasi-onteigening, gegrond op de artikel 16 van de Grondwet, 544 van het B.W. en 1 van het eerste Aanvullend Protocol EVRM. Appellanten laten eigenlijk na op nauwkeurige wijze te beschrijven waarin de onevenredige beperking van hun eigendomsrecht zou bestaan. Zij steunen zich ook ten onrechte op de fout van de overheid in de bekendmaking van het gewestplan. Wat de rangschikking van het perceel als natuurgebied betreft, kunnen appellanten deze niet gelijkstellen met een onteigening. Het eigendomsrecht van appellanten en hun rechtsvoorgangster is blijven bestaan. Een degelijk gemotiveerde beperking in het algemeen belang en met het oog op een goede ruimtelijke ordening van de uitoefening van dit recht door het gewest-plan , maakt geen schending van artikelen 16 van de Grondwet, 544 van het B.W. of 1 van het eerste Aanvullend Protocol EVRM uit, des te meer dat de wetgever in een billijk vergoedingstelsel van planschade heeft voorzien. Het hoger beroep is ongegrond. 6°. De incidentele vordering van de Belgische Staat
  11. Appellanten kan niet verweten worden dat zij in 1995 de Belgische Staat in de zaak betrokken nu het Vlaamse Gewest nog in deze periode bijna systematisch zijn gehoudenheid in soortgelijke geschillen betwistte. Althans had het instellen van een vordering tegen de Belgische Staat geen tergend of roekeloos karakter. Voor de rechtbank heeft het Vlaamse Gewest echter nooit betwist de Belgische Staat te zijn opgevolgd inzake de ruimtelijke ordening, wat het bestreden vonnis ook uitdrukkelijk vaststelde. Er was dan ook geen reden om in deze omstandigheden de vordering tegen de Belgische Staat te handhaven, des te meer dat de rechtspraak intussen duidelijk was geworden m.b.t. de rechtsopvolging van de Belgische Staat door het Vlaamse Gewest. Een hoger beroep gericht tegen de Belgische Staat was dan ook nog minder verantwoord. Het hoger beroep is, in zover als tegen de Belgische Staat gericht, tergend en roekeloos. Het wordt immers aangetoond dat appellanten hoger beroep hebben ingesteld in zulke omstandigheden dat iedere rechtsonderhorige, in dezelfde concrete omstandigheden als appellanten geplaatst, zich zou onthouden hebben de zaak ter beoordeling van het hof van beroep voor te leggen en dat zij op foutieve wijze hun recht tot hoger beroep hebben uitgeoefend. Buiten de kosten van verdediging die thans gedekt zijn door de aan deze partij toekomende rechtsplegingvergoeding (zie art. 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd bij de wet van 21 april 2007), bewijst de Belgische Staat echter geen enkele concrete materiële (of morele) schade te hebben geleden. De vordering is bijgevolg ongegrond. 7°. Nopens de gerechtskosten:
  12. Geïntimeerde partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingvergoeding te begroten op het basistarief zoals vastgesteld bij het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. Te dezen bedraagt het basisbedrag, rekening houdend met de hoegrootheid van de vordering, 10.000 euro .
  13. De raadsman van appellanten heeft ter zitting gevraagd het minimumbedrag aan geïntimeerde partijen toe te kennen. Er is echter geen reden om te dezen af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingvergoeding waartoe de geïntimeerde partijen principieel recht hebben. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende na tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Geeft akte aan mevrouw Monique Vanham en de heer Guy Vanham van hun hervatting van het geding ingesteld door hun moeder, mevrouw Ghislaine Nerinckx. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart de incidentele vordering ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt appellanten in de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot in hunnen hoofde op 10.185,92 euro en in hoofde van elk der geïntimeerden op telkens 10.000 euro . Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de kamer 1S van het hof van beroep te Brussel op 10 september 2008 waar aanwezig waren : De heer E. Janssens de Bisthoven, raadsheer, d.d. voorzitter, De heer J. Celis, plaatsvervangend raadsheer, De heer Th. Taffijn, plaatsvervangend raadsheer, De heer Th. Gillioen, e.a. adjunct-griffier. Th. Gillioen Th. Taffijn J. Celis E. Janssens de Bisthoven Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.