← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080910.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 10 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080910.4 Rolnummer: 2006AR1110 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-14 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-07-02 17:53 Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Planschade en -baten Vrije woorden: Art. 43, §12 coördinatiedecreet van 22-10-

  1. Planschadevergoeding. Verval van de vordering. Gronden. Toepassing. Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, Aanvullende kamer 1S, (wet van 9 juli 1997), Nr.: na beraad spreekt het volgend arrest uit : A.R. Nr. 2006/AR/1110 Rep.nr.: 2008/ IN ZAKE VAN : Kamer 1S Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister-President, met kantoren te 1000 Brussel, Martelarenplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse Minister Van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kantoren te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 19, appellante, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door meester Johan Claes, advocaat te 2550 Kontich, Mechelsesteenweg 160, Eindarrest TEGEN : ... geïntimeerde, appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door meester Werner Leyssens, advocaat te 2930 Brasschaat, Augustijnslei
  2. ************ Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (25ste kamer) na tegenspraak uitgesproken op 29 november 2005, bij exploot van 14 maart 2006 aan appellant betekend; - de akte van hoger beroep, op 13 april 2006 ter griffie van het hof neergelegd; - de conclusie en tweede conclusie van appellant; - de conclusie van geïntimeerde. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 4 juni 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. (...)
  3. Bij het gewestplan Antwerpen vastgesteld bij K.B. van 3 oktober 1979 werd een belangrijk deel van de achterliggende percelen onder natuurgebied (in het beschermde landschap "Het Rood en omgeving" volgens M.B. van 1 juni 1999) gerangschikt. Het geheel was voorheen gekenmerkt als agrarisch gebied. Geïntimeerden stellen dat deze wijziging hun schade berokkent doordat zij minder runderen per hectare in natuurgebied mogen kweken, dat zij geen stallingen meer kunnen bouwen en dat de gronden onder natuurgebied niet langer bemest mogen worden.
  4. Geïntimeerden vroegen op 23 mei 2000 een stedenbouwkundig attest nummer 2 aan. Een negatief stedenbouwkundig attest werd door de gemeente Kapellen afgegeven gelet op het advies van het bestuur van de Stedenbouw en de Ruimtelijke Ordening, dat luidde: Overwegende dat het goed gedeeltelijk gelegen is in een agrarisch gebied volgens het vastgestelde gewestplan; Overwegende dat het goed gedeeltelijk is gelegen in natuurgebied; dat deze zijn bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijke milieu; Overwegende dat de aanvraag het bouwen van een runderenstal en het slopen van een berging betreft; Overwegende dat de bouwplaats is gelegen binnen de op datum van 1 juni 1999 bij M.B. beschermde landschap "Het Rood en omgeving"; Gelet op het bindend en ongunstig advies d.d. 4 september 2000 van de afdeling Monumenten en Landschappen van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huivesting en Monumenten en Landschappen Antwerpen, cel Monumenten en Landschappen; Gelet op het ongunstig advies d.d. 13 oktober 2000 van de administratie Milieu, Natuur, Land- en Waterbeheer, Afdeling Land; Gelet op het ongunstig advies d.d. 8 september 2000 van de afdeling Bos en Groen van de afdeling Natuur; Het eigendom komt niet in aanmerking voor de beoogde bebouwing. De aanvraag is niet in overeenstemming met de voorschriften van het vastgestelde gewestplan gelet op de ligging (va de op te richten stal) in natuurgebied. Het eigendom maakt deel uit van een beschermd landschap. De bindende adviezen van de afdelingen Natuur, Land, Bos en Groen, Monumenten en Landschappen zijn ongunstig. De berging komt in aanmerking voor sloping. IV. Bespreking 1°. Ontvankelijkheid
  5. Geïntimeerden stellen in conclusie dat het hoger beroep onontvankelijk zou zijn doch zonder een bijzondere exceptie van niet-ontvankelijkheid te ontwikkelen. Het hof ziet geen reden om ambtshalve het hoger beroep onontvankelijk te verklaren. Appellant heeft kennelijk het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis dat de oorspronkelijke vordering van de echtgenoten ... principieel gegrond verklaart. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.
  6. Appellant geeft evenmin uitleg over de reden waarom de oorspronkelijke vordering van de echtgenoten .. onontvankelijk zou moeten verklaard worden. Het hof stelt vast dat, in eerste aanleg, appellant zelf besloot tot de ontvankelijkheid van deze vordering. 2°. Ten gronde : het principaal hoger beroep
  7. Appellant stelt vooreerst dat de vordering tot planschadevergoeding, gegrond op art. 35 van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening, te dezen uitdrukkelijk uitgesloten is door art. 43, § 12 van het decreet: "De weigering van het verlenen van een afwijking op de voorschriften van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen kan geen aanleiding geven tot een vergoeding als bedoeld in artikel 35".
  8. Geïntimeerden verwijzen terecht naar de duidelijke overwegingen van de eerste rechter die appellant niet weerlegt. Bovendien strekte de aanvraag van geïntimeerden tot stedenbouwkundig attest niet het bekomen van een afwijking op de voorschriften van het gewestplan maar betrof het bouwen van een runderenstal en het slopen van een berging, dat op zich niet uitgesloten wordt in een agrarisch gebied.
  9. Het Vlaamse Gewest poneert verder dat het goed van geïntimeerden niet voldoet aan "de drie klassieke voorwaarden (gelegen zijn aan een voldoende uitgeruste weg, in de onmiddellijke nabijheid van andere woningen en technisch bebouwbaar) en dat er evenmin rekening gehouden wordt met het stedenbouwkundig beleid van de overheid én de werkelijke intenties van de eigenaars". Appellant ziet over het hoofd dat het hier om een goed gaat dat voorheen volledig in agrarisch gebied was gelegen en niet om enige bouwgrond. De percelen beschikken over een verbinding, weliswaar via een smalle maar voldoende strook, tot de Streepstraat. Het perceel gekadastreerd afdeling 2, sectie D, nummer 199/a ligt in agrarisch gebied en blijkt technisch geschikt voor het bouwen van een runderenstal, des te meer dat er andere gebouwen op het goed van geïntimeerden op staan. Tenslotte is de nabijheid van andere agrarische gebouwen op zich geen voorwaarde voor het optrekken van een runderenstal in agrarisch gebied, waarvoor overigens eerder een vergunning werd afgegeven. Appellant blijft tenslotte in gebreke aan te tonen waarin het stedenbouwkundig beleid van de overheid en de intenties van de eigenaars (nogmaals met het oog op het bouwen van een stalling) te dezen enige invloed zouden hebben.
  10. De argumenten van appellant m.b.t. de lage aankoopprijs van het goed (in 1989) en het statuut van weiland zijn irrelevant wat de principiële toekenning van planschade betreft. Deze elementen zullen wel in overweging komen bij de schatting van de planschadevergoeding.
  11. De wijziging van het gewestplan heeft bijgevolg een verbod tot het bouwen van een gebouw met agrarische bestemming voor gevolg en maakte een einde aan het gebruik waarvoor de goederen van geïntimeerden normaal bestemd waren de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het gewestplan. De eerste rechter heeft dan ook terecht de vordering tot betaling van planschadevergoeding gegrond verklaard en een onderzoeksmaatregel bevolen. 3°. Het incidenteel beroep
  12. Volgens geïntimeerden werd hun vordering gegrond op art. 1382 B.W. ten onrechte door de eerste rechter afgewezen.
  13. Het hof stelt vooreerst vast dat geïntimeerden niet duidelijk aangeven waarin zij een onderscheiden schade zouden geleden hebben ingevolge een onrechtmatige daad. Zij vorderen trouwens bij hun conclusie voor het hof niets anders dan de waardevermindering die de in eerste aanleg aangestelde gerechtsdeskundige als waardevermindering zou begroot hebben (zie hierna). Het volstaat bovendien niet te verwijzen naar de bezwaren die geïntimeerden hebben uitgedrukt en naar de verwerping ervan om te besluiten dat het bestuur onzorgvuldig heeft gehandeld. De enige omstandigheid dat de gronden voor het runderenbedrijf werden uitgebaat sluit ook niet uit dat zij het voorwerp kunnen maken van een rangschikking in natuurgebied. In tegenstelling tot wat geïntimeerden pleiten is de beslissing tot rangschikking als natuurgebied degelijk gemotiveerd. Deze beslissing is op zich zeker niet foutief of onlogisch maar stemt overeen met het algemeen stedenbouwkundig beleid van de overheid.
  14. (...)
  15. De nieuwe vordering van geïntimeerden strekkende tot betaling van 150.822,00 euro , zijnde de schade die deskundige Rowies in zijn verslag zou hebben bepaald kan tenslotte niet ingewilligd worden. Enerzijds hebben geïntimeerden ter zitting van 4 juni 2008 verzaakt aan het neerleggen van dit verslag - dat ook niet te vinden is onder de procedurestukken van de rechtbank - zodat de inhoud van dit verslag onmogelijk kan onderzocht worden. De bevestiging van de onderzoeksmaatregel heeft anderzijds tot gevolg dat het hof de zaak naar de eerste rechter moet verwijzen (Cass. 19 januari 2006, www.cass.be). Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn bijgevolg eveneens ongegrond. 4°. De gerechtskosten:
  16. Partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingvergoeding te begroten op het basistarief zoals vastgesteld bij het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. Te dezen bedraagt het basistarief 5.000 euro . Op grond van artikel 1017, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek worden de gerechtskosten omgeslagen. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende na tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep en de nieuwe vordering van geïntimeerden ontvankelijk doch ongegrond. Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel overeenkomstig art. 1068, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek. Zegt dat de gerechtskosten tussen partijen worden omgeslagen. Begroot de kosten voor het hof in hoofde van appellant op 5.461,05 euro en in hoofde geïntimeerden op 5.000 euro . Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de kamer 1S van het hof van beroep te Brussel op 10 september 2008 waar aanwezig waren : De heer E. Janssens de Bisthoven, raadsheer, d.d. voorzitter, De heer J. Celis, plaatsvervangend raadsheer, De heer Th. Taffijn, plaatsvervangend raadsheer, De heer Th. Gillioen, e.a. adjunct-griffier. Th. Gillioen Th. Taffijn J. Celis E. Janssens de Bisthoven Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.