← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080910.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 10 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080910.5 Rolnummer: 1999AR228 Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-20 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-07-02 17:52 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Bijzondere betekeningen - Staat GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Dagvaardingsexploot GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Voorwaarden hoger beroep - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Planschade en -baten Vrije woorden: Art. 705 en art 1057, 3° Ger. W. Oorspronkelijke dagvaarding van de Belgische Staat op kabinet van de eerste minister. Indeplaatsstelling voor de minister van vervoer. Vonnis m.b.t. de Belgische Staat (minister van vervoer). Hoger beroep gericht tegen de Belgische Staat (kabinet van de eerste minister), zonder rekening te houden met voormelde doorgevoerde indeplaatstelling van de minister van vervoer. Is het hoger beroep (on-)ontvankelijk (art. 1057,3° Ger. W.)? In casu bewijst de Belgische Staat geen belangenschade zodat het verzoekschrift in beroep niet nietigverklaard kan worden en de exceptie van de Belgische Staat inzake de onontvankelijkheid van het hoger beroep niet gegrond is Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, Aanvullende kamer 1S, (wet van 9 juli 1997), Nr.: na beraad spreekt het volgend arrest uit : A.R. Nr. 1999/AR/228 Rep.nr.: 2008/ IN ZAKE VAN : Kamer 1S 1) V. Monique, 2) V. Guy, appellanten, beiden in eigen naam en in hun hoedanigheid van rechtsopvolgers van wijlen hun moeder... vertegenwoordigd door meester Joost Bosquet, loco meester Peter Flamey, advocaat te 2018 Antwerpen, Jan Van Rijswijcklaan 16, Eindarrest TEGEN : 1) DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Eerste Minister, met kantoren te 1000 Brussel, Wetstraat 16, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester Daniël Spreutels, loco meester Pierre-Marie Sprockeels, advocaat te 1000 Brussel, Kasteleinstraat 19/14, 2) Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister-President, met kantoren te 1000 Brussel, Martelarenplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse Minister Van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kantoren te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 19, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester Michel Van Dievoet, advocaat te 1000 Brussel, Boomstraat 14 bus

  1. ************ Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (23ste kamer) na tegenspraak uitgesproken op 4 september 1998, waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep, op 27 januari 1999 ter griffie van het hof neergelegd; - de conclusie en syntheseconclusie van appellanten; - de conclusie namens de Belgische Staat; - de conclusie en vervangende conclusie van het Vlaamse Gewest. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 18 juni 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Procedure in eerste aanleg
  2. Bij exploot van 27 april 1995 hebben de consorten V. (huidige appellanten en mevrouw Ghislaine N., in de loop van het geding overleden) de Belgische Staat en het Vlaamse Gewest gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel in betaling van 20.298.600 BEF (503.189,15 euro ), te vermeerderen met de interesten en de kosten en, ondergeschikt, in aanstelling van een gerechtsdeskundige. De consorten V. waren eigenaar van een perceel grond te B. dat volgens hen objectieve bouw- en verkavelingsgrond is. Bij het ontwerp gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse werd het perceel voor een miniem gedeelte in woonzone en voor het overgrote gedeelte in natuurgebied gerangschikt. Het gewestplan (K.B. van 7 maart 1977) rangschikte het minieme gedeelte in woonpark en het overgrote deel in natuurgebied. De consorten V. dienden een bouwaanvraag in die, na beroep bij de bestendige deputatie en de Vlaamse Regering, geweigerd werd. De vordering betreft schadevergoeding wegens bouwverbod, op grond van art. 1382 van het B.W. (wegens foutieve bekendmaking van het gewestplan en niet-tegenstelbaarheid ervan), in ondergeschikte orde op grond van de leer van de quasi-onteigening (art. 10 en 16 van de Grondwet, art. 544 van het B.W. en art. 1 van het Aanvullend Protocol bij het EVRM). In meer ondergeschikte orde vorderden de consorten V. planschadevergoeding op grond van art. 37 van de Stedenbouwwet (art. 35 van het Gecoördineerd Decreet op de Ruimtelijke Ordening).
  3. Het bestreden vonnis - verklaarde de vordering ontvankelijk doch ongegrond in zover tegen de Belgische Staat gericht; - verklaarde de vordering ontvankelijk doch ongegrond in zover tegen het Vlaamse Gewest gericht en gesteund op de art. 1382 en 544 van het B.W., 10 en 16 van de Grondwet en 1 van het (eerste) Aanvullend Protocol van het EVRM (Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden); - verklaarde de vordering onontvankelijk in zover gericht tegen het Vlaamse Gewest en gesteund op art. 35 van het Gecoördineerd Decreet op de Ruimtelijke Ordening; - veroordeelde eisers in alle gerechtskosten. II. Procedure voor het hof
  4. Voor het hof vorderen appellanten de hervorming van het bestreden vonnis en, opnieuw rechtsprekende, de inwilliging van hun oorspronkelijke vordering. Zij vorderen meer bepaald de veroordeling van beide geïntimeerden solidair of in solidum tot betaling van 503.189,15 euro , plus interesten en kosten en, in ondergeschikte orde, de aanstelling van een gerechtsdeskundige met de opdracht (samengevat) om advies te geven over de waardevermindering van het litigieuze perceel. Zij vragen minstens twee prejudiciële vragen te stellen aan het Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof i.v.m. de verjaring of vervallenverklaring van het recht op planschadevergoeding op grond het Gecoördineerd Decreet op de Ruimtelijke Ordening. Mevrouw Ghislaine N. is in de loop van het geding (op 8 oktober 1999) overleden en huidige appellanten hebben verklaard het geding te hervatten in hun hoedanigheid van rechtsopvolgers van hun moeder. Het hof geeft appellanten hiervan akte.
  5. De Belgische Staat besluit tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep, met veroordeling van appellanten in de gerechtskosten van het hoger beroep. Hij stelt een incidentele vordering in strekkende tot betaling van 200.000 BEF (4.957,87 euro ) wegens tergend en roekeloos hoger beroep.
  6. Het Vlaamse Gewest besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep "indien ontvankelijk", met veroordeling van appellanten in de gerechtskosten voor het hof. III. Relevante feitelijke gegevens
  7. Huidige appellanten zijn eigenaar van een perceel grond te B., Den Draaier, kadastraal gekend onder sectie B, nr. 41b, met een oppervlakte van 56 aren 70 centiaren, die hun ouders, Charles V. en Ghislaine N., aangekocht hadden bij akte van 22 februari 1965 verleden voor notaris Jacquet te Brussel. Het perceel was toen verpacht. De akte vermeldt immers dat de pachter aan zijn wettelijke voorkooprecht had verzaakt.
  8. Op 6 december 1991 werd een aanvraag ingediend tot het bouwen op het perceel van een alleenstaande villa met bijhorende conciërgewoning. Deze aanvraag werd ingediend door de heer Jacques, echtgenoot van eerste appellante. Bij beslissing van 18 februari 1992 heeft het college van Burgemeester en Schepenen van de gemeente B. de aanvraag verworpen, met verwijzing naar het advies van de gemachtigde ambtenaar, luidend "ONGUNSTIG. Het ontwerp is in strijd met de bepalingen van art. 13 van het KB van 28 december 1972, gewijzigd bij KB van 13 december 1978 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen gezien zijn ligging in het natuurgebied". Op 24 november 1992 verwierp de bestendige deputatie van de Provincie Brabant het beroep tegen de beslissing van het college. Bij ministerieel besluit van 10 maart 1994 werd het beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie alweer verworpen. In de motieven staat o.m. te lezen: Overwegende dat de beoogde constructies: de villa en de conciërgewoning met een gezamenlijke bebouwde oppervlakte van 579 m², en een bouwvolume van 2.697 m ³ (waaronder een zwembad van 108 m² met een volume van 648 m³) op een trapeziumvormig perceel, met als zijde +/- 70 m en +/- 55 m en met een hoogte van +/- 92 m, zouden worden opgericht langs de buurtweg "Den Draaier"; dat deze buurtweg een verharde straat is met als nutsleidingen: elektriciteitsnet en waterleiding; dat er geen riolering of gasleiding aanwezig zijn; dat kwestieus perceel volgens het bij KB van 7 maart 1977 vastgesteld gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, met uitzondering van een spievormige strook grond, in het woonparkgebied, gelegen is in het natuurgebied; dat na meting op de gewestplannen op schaal 1/10.000, tegen de buurtweg Den Draaier 10 m tot 3 m in de achterste perceelgrens in het woonpark is te situeren; dat het wooncomplex volledig en de conciërgewoning quasi volledig in het natuurgebied liggen".
  9. De gemeente B. had op 2 juli 1982 een stedenbouwkundig attest nr. 1 afgegeven met verwijzing naar het gewestplan, goedgekeurd bij KB van 7 maart 1977 volgens welk het perceel gelegen is in het natuurgebied. IV. Bespreking 1°. Ontvankelijkheid van het hoger beroep
  10. De Belgische Staat stelt dat het hoger beroep, in zover het gericht is tegen "de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Belgische Regering in de persoon van de Eerste Minister" onontvankelijk is. In eerste aanleg werd immers de aanvankelijke vordering gericht tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Eerste Minister maar de Eerste Minister heeft bij zijn eerste conclusie de Minister van Vervoer in zijn plaats gesteld, zulks overeenkomstig art. 705, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het bestreden vonnis werd uitgesproken t.a.v. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de federale minister van vervoer. Volgens de Belgische Staat had het hoger beroep slechts geldig kunnen gericht worden tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Vervoer, en niet door de Eerste Minister.
  11. Appellanten geven geen enkel antwoord op deze exceptie van niet-ontvankelijkheid.
  12. Het hoger beroep werd niet gericht tegen de Belgische Staat zoals in eerste aanleg vertegenwoordigd door de minister tot wiens bevoegdheid het geschil behoort. Appellant blijkt de conclusie van de Belgische Staat voor de rechtbank zowel als het bestreden vonnis niet gelezen te hebben en heeft zijn verzoekschrift tot hoger beroep gericht tegen "de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Belgische Regering in de persoon van de Eerste Minister, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 16" dan wanneer het bestreden vonnis uitgesproken werd t.a.v. "de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de federale minister van vervoer, met kabinet te 1040 Brussel, Wetstraat 155, en kantoren te 1040 Brussel, Aarlenstraat 104". Het verzoekschrift tot hoger beroep vermeldt bijgevolg niet op regelmatige wijze de naam en de verblijfplaats (de zetel) van de geïntimeerde partij zoals bij art. 1057, 3° van het Gerechtelijk Wetboek bepaald.
  13. De Belgische Staat bewijst echter niet dat het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid zijn belangen heeft geschaad zodat het verzoekschrift tot hoger beroep niet nietig kan verklaard worden. De Belgische Staat stelt overigens niet dat hij enig nadeel zou ondervonden hebben. De proceshandeling heeft bovendien het doel bereikt dat de wet ermee beoogt, zulks nadat de diensten van de Eerste Minister het verzoekschrift aan het departement van de minister van Vervoer eenvoudig hebben laten volgen. De exceptie van niet-ontvankelijkheid is ongegrond. 2°. Ten gronde: vordering tegen de Belgische Staat
  14. Appellanten stellen dat zij hun hoger beroep tevens tegen de Belgische Staat hebben gericht uit vrees voor een mogelijk technisch verweer voor het hof, vanwege het Vlaamse Gewest, dat dan zou aanvoeren dat de Belgische Staat (mede) aansprakelijk zou zijn. Appellanten ontwikkelen in hun beroepsconclusie geen enkel middel waaruit zij enige aansprakelijkheid van de Belgische Staat afleiden. De eerste rechter heeft terecht vastgesteld dat de rechtsopvolging van de Belgische Staat door het Vlaamse Gewest, in de eventuele verplichtingen die op de voorliggende eis opgelopen kunnen worden, noch door de Staat noch door het Gewest betwist wordt en dat deze rechtsopvolging overigens niet voor betwisting vatbaar is. Het hoger beroep, in zover tegen de Belgische Staat gericht, is ongegrond. 3°. Vordering tegen het Vlaamse Gewest - Vordering op grond van foutaansprakelijkheid
  15. Appellanten beroepen zich hier op de foutieve beslissing van de Minister om, op grond van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse de bouwvergunning te weigeren dan wanneer dit gewestplan hun niet kan tegengeworpen worden bij gebreke aan regelmatige bekendmaking. Het kwestieuze gewestplan zou immers niet integraal in alle gemeentehuizen van het geldingsgebied van het betrokken plan ter inzage zijn gelegen: de orthofotoplannen met de feitelijke toestand en de kaarten met de juridische toestand lagen niet ter inzage in het gemeentehuis te B..
  16. Het Vlaamse Gewest betwist de materialiteit van deze gebrekkige bekendmaking niet en stelt in zijn vervangende beroepsconclusie: "de materialiteit van de niet-correcte bekendmaking van de gewestplannen (nl. het niet opnieuw ter inzage leggen van de orthofotoplannen) wordt door concluante niet ontkend". Tweede geïntimeerde werpt echter terecht op dat de minister, bij het nemen van zijn beslissing van 10 maart 1994 rekening diende te houden met het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, inz. art. 13bis en met de bepalingen van het uitvoerings-besluit van 23 februari 1994, waaruit af te leiden valt dat enkel de normatieve delen van het plan ter inzage moeten liggen op het gemeentehuis terwijl de niet-normatieve delen op het hoofdbestuur en de provinciale buitendiensten van de Administratie Ruimtelijke Ordening ter inzage moeten liggen. De omstandigheid dat het uitvoeringsbesluit van 23 februari 1994, op 24 maart 1994 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, nog niet van kracht was op de datum waarop de minister het besluit van 10 maart 1994 nam, sluit niet uit dat deze laatste zich naar het bestaande decreet diende te schikken.
  17. Het Vlaamse Gewest besluit bijgevolg terecht dat ingevolge het decreet van 22 december 1993 en zijn uitvoeringsbesluit van 22 februari 1994, geen onregelmatigheid in de bekendmaking van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse kan vastgesteld worden. Appellanten kunnen zich dan ook niet beroepen op een fout van de minister in het nemen van een besluit dat gesteund was op een onregelmatig kenbaar gemaakt gewestplan. Er is bijgevolg evenmin aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. 4°. Vordering op grond van art. 35 D.R.O.
  18. Appellanten zijn van oordeel dat de eerste rechter ten onrechte besloot tot de vervallenverklaring van hun recht op schadevergoeding doordat zij hun vordering niet instelden binnen het jaar na de aangifte van het stedenbouwkundig attest.
  19. Artikel 36, tweede lid, van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening luidt: De vorderingen (tot betaling van planschadevergoedingen) vervallen één jaar na de dag waarop het recht op schadevergoeding ontstaat overeenkomstig art. 35, vierde lid. Indien geen vergunning wordt aangevraagd, is de termijn tien jaren te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van het plan. (...) Artikel 35, vierde lid, bepaalt: Het recht op schadevergoeding ontstaat ofwel bij overdracht van het goed ofwel bij de weigering van een bouw- of verkavelingsvergunning of nog bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest.
  20. Zoals hierboven uiteengezet had de gemeente B. op 2 juli 1982 een stedenbouwkundig attest nr. 1 afgegeven met verwijzing naar het gewestplan, goedgekeurd bij KB van 7 maart 1977 volgens welk het perceel gelegen was in het natuurgebied. Een stedenbouwkundig attest is "negatief" in de zin van artikel 35, vierde lid, van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 (art. 37, derde lid, van de wet van 29 maart 1962), o.m. wanneer het een bestemming vermeldt waaruit een bouw- of verkavelingsverbod voortvloeit, en met name wanneer er een verbod tot het bouwen van particuliere woningen uit volgt . De enige omstandigheid dat appellanten een stedenbouwkundig attest nummer 1 en niet nummer 2 voorleggen laat niet toe te besluiten dat het recht op vergoeding niet is ontstaan .
  21. Te dezen houdt het stedenbouwkundig attest van 2 juli 1982 het advies d.d. 17 juni 1982 in van de gemachtigde ambtenaar volgens welk "het eigendom is volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in natuurgebied (art. 13/4.3.
  22. van het K.B. d.d. 28.12.1972 gewijzigd bij K.B. 13.12.1978". Het gemeentebestuur gaf als bestemming van het goed: "Het perceel is volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse goedgekeurd bij K.B. d.d. 7 maart 1977 gelegen in het natuurgebied" . De ligging in natuurgebied sloot bijgevolg elke constructie zoals door appellanten beoogd uit (zie o.m. art. 13 van het Inrichtingsbesluit van 28 december 1972). Appellanten hebben zich rekenschap moeten geven dat het stedenbouwkundig attest van 2 juli 1982 kennelijk negatief was en dat het recht op planschadevergoeding bij het afleveren ervan ontstaan is. De eerste rechter heeft dan ook terecht vastgesteld dat de vordering, ingesteld bij dagvaarding van 27 april 1995, dit is meer dan één jaar na het afleveren van het attest, vervallen was.
  23. Alleszins was het recht van appellanten op planschadevergoeding bovendien vervallen tien jaar na de inwerkingtreding van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (tweede vervaltermijn). Zoals hierboven uiteengezet kan geen onregelmatigheid in de bekendmaking van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse worden vastgesteld.
  24. De grondvoorwaarden inzake planschade dienen dan ook niet verder onderzocht worden. 5°. Vordering op grond van quasi-onteigening
  25. Indien het hof zou oordelen dat het recht op planschadevergoeding vervallen is, dan verklaren appellanten alleszins aanspraak te maken op vergoeding krachtens de leer van de quasi-onteigening, gegrond op de artikel 16 van de Grondwet, 544 van het B.W. en 1 van het eerste Aanvullend Protocol EVRM. Appellanten laten eigenlijk na op nauwkeurige wijze te beschrijven waarin de onevenredige beperking van hun eigendomsrecht zou bestaan. Zij steunen zich ook ten onrechte op de fout van de overheid in de bekendmaking van het gewestplan. Wat de rangschikking van het perceel als natuurgebied betreft, kunnen appellanten deze niet gelijkstellen met een onteigening. Het eigendomsrecht van appellanten en hun rechtsvoorgangster is blijven bestaan. Een degelijk gemotiveerde beperking in het algemeen belang en met het oog op een goede ruimtelijke ordening van de uitoefening van dit recht door het gewest-plan , maakt geen schending van artikelen 16 van de Grondwet, 544 van het B.W. of 1 van het eerste Aanvullend Protocol EVRM uit, des te meer dat de wetgever in een billijk vergoedingstelsel van planschade heeft voorzien. Het hoger beroep is ongegrond. 6°. De incidentele vordering van de Belgische Staat
  26. Appellanten kan niet verweten worden dat zij in 1995 de Belgische Staat in de zaak betrokken nu het Vlaamse Gewest nog in deze periode bijna systematisch zijn gehoudenheid in soortgelijke geschillen betwistte. Althans had het instellen van een vordering tegen de Belgische Staat geen tergend of roekeloos karakter. Voor de rechtbank heeft het Vlaamse Gewest echter nooit betwist de Belgische Staat te zijn opgevolgd inzake de ruimtelijke ordening, wat het bestreden vonnis ook uitdrukkelijk vaststelde. Er was dan ook geen reden om in deze omstandigheden de vordering tegen de Belgische Staat te handhaven, des te meer dat de rechtspraak intussen duidelijk was geworden m.b.t. de rechtsopvolging van de Belgische Staat door het Vlaamse Gewest. Een hoger beroep gericht tegen de Belgische Staat was dan ook nog minder verantwoord. Het hoger beroep is, in zover als tegen de Belgische Staat gericht, tergend en roekeloos. Het wordt immers aangetoond dat appellanten hoger beroep hebben ingesteld in zulke omstandigheden dat iedere rechtsonderhorige, in dezelfde concrete omstandigheden als appellanten geplaatst, zich zou onthouden hebben de zaak ter beoordeling van het hof van beroep voor te leggen en dat zij op foutieve wijze hun recht tot hoger beroep hebben uitgeoefend. Buiten de kosten van verdediging die thans gedekt zijn door de aan deze partij toekomende rechtsplegingvergoeding (zie art. 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd bij de wet van 21 april 2007), bewijst de Belgische Staat echter geen enkele concrete materiële (of morele) schade te hebben geleden. De vordering is bijgevolg ongegrond. 7°. Nopens de gerechtskosten:
  27. Geïntimeerde partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingvergoeding te begroten op het basistarief zoals vastgesteld bij het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. Te dezen bedraagt het basisbedrag, rekening houdend met de hoegrootheid van de vordering, 10.000 euro .
  28. De raadsman van appellanten heeft ter zitting gevraagd het minimumbedrag aan geïntimeerde partijen toe te kennen. Er is echter geen reden om te dezen af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingvergoeding waartoe de geïntimeerde partijen principieel recht hebben. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende na tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Geeft akte aan mevrouw Monique V. en de heer Guy V. van hun hervatting van het geding ingesteld door hun moeder, mevrouw Ghislaine N.. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart de incidentele vordering ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt appellanten in de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot in hunnen hoofde op 10.185,92 euro en in hoofde van elk der geïntimeerden op telkens 10.000 euro . Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de kamer 1S van het hof van beroep te Brussel op 10 september 2008 waar aanwezig waren : De heer E. Janssens de Bisthoven, raadsheer, d.d. voorzitter, De heer J. Celis, plaatsvervangend raadsheer, De heer Th. Taffijn, plaatsvervangend raadsheer, De heer Th. Gillioen, e.a. adjunct-griffier. Th. Gillioen Th. Taffijn J. Celis E. Janssens de Bisthoven Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.