id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 30 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080930.1 Rolnummer: 2008/MR/3 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-10-09 Raadplegingen: 131 - laatst gezien 2026-07-02 18:01 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MEDEDINGING - Algemeen (mededinging) HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MEDEDINGING - Belgisch mededingingsrecht - Restrictieve mededingspraktijken HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MEDEDINGING - Belgisch mededingingsrecht - Procedure HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MEDEDINGING - Belgisch mededingingsrecht - Regulatoren Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, KAMER 18, Nr.: na beraad, wijst volgend arrest : A.R. Nr. 2008/MR/3 Rep.nr.: 2008/ Arrest van het hof van 30 september 2008 over het beroep tot nietigverklaring van de beslissing nr. 2008/I0- 04 van de Raad voor de Mededinging van 25 januari 2006 in de zaak MEDE-I/0-04/0045, ingediend door de VZW VEBIC. IN ZAKE VAN : VZW Vlaamse federatie van verenigingen van Brood- en Banketbakkers, Ijsbereiders en Chocoladebewerkers, hierna "VEBIC", met maatschappelijke zetel te 2600 BERCHEM (ANTWERPEN), Elisabethlaan 1A, Verzoekende partij, vertegenwoordigd door Meester ENGELS Peter, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Brusselstraat 59 Bus
- Kamer 18 Tussenarrest Prejudiciële vragen *** Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap Gezien: - het verzoekschrift tot hoger beroep ingediend ter griffie van het hof op 22 februari 2008; - de beschikking van 11 maart 2008 tot vaststelling van de termijnen voor de schriftelijke opmerkingen, toegekend aan de VZW Vebic en aan de Minister die de Economie onder zijn bevoegdheid heeft; - de schriftelijke opmerkingen van de VZW Vebic, ingediend op 13 juni 2008; Gehoord de advocaat van de partij VEBIC op de openbare zitting van 27 juni 2008; Gelet op: - de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging, zoals gecoördineerd door het KB van 1 juli 1999 (B.S. 1 september 1999), hierna "WBEM-1999"; - de wet tot bescherming van de economische mededinging, zoals gecoördineerd door het KB van 15 september 2006 (B.S. 29 september 2006), in voege getreden op 1 oktober 2006, hierna " WBEM- 2006". De aan het geding ten grondslag liggende feiten.
- Op grond van de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen, inzonderheid artikel 2, § 1, gewijzigd bij de wet van 23 december 1969, werd de maximumprijs van sommige broden bepaald bij ministerieel besluit, na advies van de Commissie tot Regeling der prijzen. Het ministerieel besluit van 23 januari 2004 houdende vaststelling van de maximumprijzen voor sommige broden schreef het volgende voor: Artikel
- Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder " huishoudbrood ", " brood" en " speciaal brood ", het brood vervaardigd uit : 1° alleen gebuild tarwemeel; 2° een mengsel van minimum 50 % gebuild tarwemeel en maximum 50 % tarwevolgraanmeel. Artikel
- De verkoopprijzen aan verbruiker, belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen, van de volgende categorieën van broden, niet gesneden en niet verpakt, mogen niet meer bedragen dan : 1° huishoudbrood : 1 000 g : 1,54 euro. 500 g : 1,02 euro. 2° boulot-, galet-, plaat- en carré-brood : 900 g : 1,54 euro. 450 g : 1,02 euro. 3° speciaal brood : 900 g : 1,54 euro. 450 g : 1,02 euro. 4° speciaal boulot-, galet-, plaat- en carré-brood : 800 g : 1,54 euro. 600 g : 1,24 euro. 400 g : 1,02 euro. Het supplement voor snijden en verpakken mag niet meer bedragen dan 0,07 euro, belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen. Het supplement voor levering aan huis van de verbruiker mag niet meer bedragen dan 0,05 euro, belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen. Op grond van artikel 3 van het ministerieel besluit, kon de Minister bevoegd voor Economie, na advies van de Commissie tot Regeling der Prijzen, binnen de 30 dagen afwijkingen op de maximumprijzen toestaan om rekening te houden met de specifieke toestand van de ondernemingen.
- Dit ministerieel besluit van 23 januari 2004 is buiten werking getreden op 1 juli
- Vanaf deze datum kwam de prijs van hoger vernoemde producten vrij.
- Naar aanleiding van de vrijmaking van de broodprijs op 1 juli 2004, heeft de Algemene Directie Controle en Bemiddeling (Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand & Energie), een onderzoek verricht over de evolutie van de broodprijs tussen juni 2004 en februari
- Aan de Minister van Economie werden tussentijdse verslagen overgemaakt op 9 juli en 25 oktober
- Een eindverslag werd aan de Minister overgemaakt op 22 maart
- De resultaten van het onderzoek zijn als volgt samengevat: - 83% van de bakkers heeft sinds 1 juli 2004 de prijzen van het brood verhoogd; - de prijsstijging bij de warme bakkers bedraagt gemiddeld 6,36% en is meer uitgesproken in Vlaanderen (+ 7,33%) dan in Wallonië (+ 5,49%) en Brussel (+ 4,08%); - de prijs van de speciale broden steeg met 5,02% hoewel de prijsbepaling vroeger reeds vrij was; - over de drie gewesten werd bij de filialen van de grote distributieketens een lichte stijging (gemiddeld 0,53%) van de broodprijs genoteerd; - rekening houdend met een marktaandeel van 55% voor de warme bakkers en 45% voor de groot-distributie (bron: Fedis), bedraagt de globale stijging van het prijsniveau 3,74%. Het verslag steunt op gegevens die werden verzameld bij 445 bakkers (10% van het totale aantal bakkerijen) en bij 35 filialen van 16 grote winkelketens, geografisch verspreid over het land en evenredig verdeeld over stad en platteland.
- De VZW Vlaamse Federatie van Verenigingen van Brood en Banketbakkers, Ijsbereiders en Chocoladebewerkers, in het kort ‘VEBIC', werd opgericht met als doel de belangen van haar vennoten en van de bij haar vennoten aangesloten leden te vertegenwoordigen en te verdedigen. VEBIC is lid van de Belgische Confederatie van de Broodbakkerij-Banketbakkerij-Chocoladebewerking- IJsbereiding, afgekort "BBCI". De leden van VEBIC zijn de provinciale beroepsverenigingen van het Vlaamse Gewest, opgericht als verenigingen zonder winstoogmerk: - Syndicale Unie voor het Brood-, Banket-, Chocolade- en Ijsbedrijf (Antwerpen) - WEBA (West-Vlaanderen) - PROVEBAO (Oost-Vlaanderen) - Federatie Vlaams-Brabant - Limburgse Brood- en Banketbakkers De lokale bakkersverenigingen waarbij de individuele bakker zich kan aansluiten zijn leden van de provinciale beroepsvereniging. Onder deze lokale groeperingen vallen enkel de ambachtelijke bakkerijen. De belangen van de industriële bakkerijen worden waargenomen door de Federatie van Grote Bakkerijen in België.
- VEBIC heeft verscheidene interne commissies opgericht met het oog op een goede dienstverlening naar haar leden toe. De ‘economische commissie' van VEBIC is samengesteld uit de voorzitter - lid van de Raad van Bestuur van VEBIC - en vertegenwoordigers van iedere provinciale bond. Deze Commissie die bestond lang voor de liberalisering van de broodprijs was onder meer belast met het verzamelen en verwerken van gegevens die dienstig waren in het kader van het overleg met de diensten van de Minister van Economie over de vaststelling van de maximumprijs van het brood, ter staving van de verzoeken tot verhoging van de maximumprijs. Informatie over de kostprijs en verkoopprijs wordt door deze commissie ook verzameld en verwerkt met het oog op de verdediging van de belangen van de bakkers in het kader van de onderhandelingen met de Federale Overheidsdienst Financiën over de vaststelling van de forfaitaire belastingsgronden die gelden voor de brood- en banketbakkers. De informatie over de gehanteerde verkoopprijzen worden door de fiscale diensten van de Overheid zelf verstrekt aan de Economische Commissie van VEBIC. Na 1 juli 2004 heeft de Economische Commissie van VEBIC verder informatie verzameld over de evolutie van de kosten voor het vervaardigen en verkopen van brood.
- De verslagen van de economische commissie van VEBIC worden geheel of soms gedeeltelijk gepubliceerd in het magazine "Passie" dat onder de leden van VEBIC wordt verspreid en, via deze leden, aan alle individuele leden van de provinciale en lokale bonden. Elke provinciale vereniging kan een binnenkatern toevoegen aan het magazine Passie.
- Artikel 23 § 1 tweede lid WBEM- 1999 voorzag dat het onderzoek van de zaken door het korps verslaggevers gebeurde ‘ambtshalve of op verzoek van de Minister of de Raad voor de Mededinging wanneer daartoe ernstige aanwijzingen bestaan of na een klacht van een natuurlijke of rechtspersoon die aantoont daarbij een rechtstreeks en dadelijk belang te hebben, in het geval van een inbreuk op artikel 2, §1, artikel 3 (...)'. Deze bepaling stemt overeen met wat bepaald is in artikel 44, 2° van de huidige wet met dien verstande dat het onderzoek thans geleid wordt door het Auditoraat bij de Raad voor de Mededinging. De Raad zelf is echter niet langer bevoegd om het Auditoraat met een onderzoek te belasten uitgezonderd in het kader van hangende zaken. Op 7 juli 2004 heeft de Minister van Economie een brief gericht aan de voorzitter van de Raad houdende verzoek het bestaan van eventuele prijsafspraken tussen bakkersverenigingen en bakkers bij voorrang te willen onderzoeken. Dit verzoek wordt als volgt toegelicht: ‘Sinds 1 juli 2004 wordt de broodprijs niet langer gereglementeerd door de overheid. Ik verneem evenwel dat lokale bakkersgilden en/of groepen van individuele bakkers prijsafspraken zouden hebben gemaakt.' Concrete elementen worden in deze brief niet aangehaald noch aan deze brief als bijlage gehecht. De voorzitter van de Raad heeft deze brief op 8 juli 2004 overgemaakt aan het Korps Verslaggevers, met verzoek een onderzoek te willen instellen.
- Op 9 juli 2004 heeft de voorzitter van de Raad aan het Korps Verslaggevers twee e-mails overgemaakt, die op 7 juli 2004 door individuele gebruikers waren gericht aan de Dienst voor de Mededinging, waarvan de inhoud als volgt luidt: - ‘Naar aanleiding van de oproep van minister Moerman i.v.m. vermeende prijsafspraken inzake de broodprijs wens ik hierop te reageren. Sedert 1 juli hebben alle bakkers aangesloten bij de Meetjeslandse bakkersbond afgesproken dat men dezelfde broodprijs zou hanteren. Als consument stel ik vast dat mijn rechten geschonden zijn en wil u hierover dan ook informeren (...)'. (e-mail uitgaande van een inwoner van Eeklo); - In het kader van de vrijgeving van de broodprijzen, kan ik U mededelen dat de plaatselijke bakkers blijkbaar de afspraak gemaakt hebben de broodprijs vast te leggen op 1.70 Euro. In Lochristi Centrum zijn er 4 bakkers (...). De toestand in de andere deelgemeenten zijn ons onbekend. Alleen het grootwarenhuis Delhaize dat ook een uitgebreide broodafdeling heeft, heeft zijn prijzen niet verhoogd. Over deze prijsverhoging is er onder de 4 blijkbaar een afspraak gemaakt. Dat is wat ik vernomen heb vandaag. Bewijzen dat die afspraak gemaakt is, is natuurlijk niet evident. (e-mail uitgaande van een inwoner in Lochristi).
- Volgens inventaris zou nog een aantal stukken zijn overgemaakt door de voorzitter als bijlage van zijn brief van 9 juli 2004 aan de Verslaggevers, als volgt aangeduid in de inventaris zonder nadere toelichting: ‘I.1.3.c. Bijlage 3: bijkomende documenten vrije broodprijs (11 bladzijden). Het betreft een aantal losse stukken: - een rondschrijven van 11 november 2003 van de Koninklijke beroepsvereniging der onafhankelijke brood-en banketbakkers (Gent) met betrekking tot de verhoging van de maximumprijs van het brood vanaf 1 december 2003 en volgende mededeling ‘Vanaf 1 juli volgend jaar zou de volledige broodprijs vrijkomen. Het zal dan ook van belang zijn dat iedereen rustig blijft en zich een beetje bij elkaar informeert zodat het geen chaos wordt." Met deze brief werden de vaste prijzen voor het brood vanaf 1 december 2003 medegedeeld, alsook richtprijzen voor andere producten. - een nota van 9 juli 2004 van de opsporingsinspectie van Antwerpen, ontvangen op 19 juli 2004, met een bijlage; Bij deze stukken zou ook, volgens inventaris, een nota van 13 juli 2004 horen uitgaande van de Algemene Directie Controle en Bemiddeling, derde afdeling regionale inspectie, provincies Oost- en West-Vlaanderen - met drie bijlagen -, waarin wordt gesteld dat er aanwijzingen zijn van prijsafspraken onder de bakkers in Aalter en in Oudenaarde.
- Op 20 oktober 2004, heeft de Algemene Directie Controle en Bemiddeling ‘ter aanvulling van het hangend onderzoek inzake de eerlijke mededinging in de bakkersector' aan de Directeur- Generaal van de Algemene Inspectie, twee e-mails uitgaande van inwoners te Brasschaat en Assenede overgemaakt die melding maken van mogelijke prijsafspraken in hun respectieve gemeente.
- De resultaten van het onderzoek verricht door de Algemene Directie Controle en Bemiddeling waarvan hoger sprake, werden overgemaakt aan het korps Verslaggevers. Op verzoek van het korps Verslaggevers werden de individuele verslagen en de eindresultaten van het onderzoek aan de Dienst voor de Mededinging overgemaakt op 18 mei
- Op 20 april 2005 heeft de Dienst voor de Mededinging verzoeken om inlichtingen gestuurd aan: - de BBCI; - de VZW VEBIC; - la Fédération Francophone de la Boulangerie, Pâtisserie, Glacerie et Chocolaterie; In de begeleidende brief wordt verwezen naar artikel 23 §3 van de WBEM-1999 en wordt het volgende gesteld: ‘naar aanleiding van de vrijmaking van de broodprijzen op 1 juli 2004, voert de dienst voor de mededinging op verzoek van de Minister van Economie een onderzoek naar de marktwerking binnen deze sector'. In deze brief wordt geen melding gemaakt van enige ernstige aanwijzing van een restrictieve mededingingspraktijk. Aan deze verenigingen werden volgende gegevens gevraagd: - een kopie van het proces-verbaal van al de ledenvergaderingen vanaf 1 januari 2004; - een kopie van de mailings die naar de leden zouden zijn verstuurd in verband met de liberalisering van de broodprijs. De betrokken verenigingen hebben de gevraagde informatie overgemaakt. VEBIC heeft stukken overgemaakt waaruit onder meer blijkt dat deze vereniging de aandacht van de leden vestigde op het verboden karakter van prijsafspraken: - ‘Om de onrust bij onze leden weg te nemen over de onzekerheid over de informatie rond de broodprijs na 1 juli 2004 werd beslist bijgaande brief te zenden aan alle VEBIC leden. Het kabinet Moerman kreeg vooraf kopie en heeft ons laten weten dat zij geen bezwaar hebben tegen de in de brief aangekondigde begeleiding. Minister Moerman laat echter weten dat de Economische Inspectie streng zal toekijken op kartelvorming. HET IS TEN STRENGSTE VERBODEN RICHTLIJNEN TE GEVEN OVER DE VERKOOPPRIJS VAN HET BROOD ENKEL INFORMATIE OVER DE KOSTPRIJS IS TOEGELATEN (brief van 4 juni 2004 van de voorzitter naar de leden van de Raad van Bestuur); - Zoals U reeds weet wordt op 1 juli 2004 de broodprijs sinds 1945 vastgesteld door de overheid, vrij bepaald. Uw Vlaamse bakkersfederatie VEBIC is er van overtuigd dat de vrije marktwerking de beste voorwaarden zal opleveren voor de sector. Teneinde U toch ergens te kunnen oriënteren, zal VEBIC u regelmatig enkele elementen geven om de kostprijs van uw ambachtelijk brood te kunnen berekenen. De vertegenwoordigers van onze economische commissie zullen u tijdens, door provinciale of lokale bonden georganiseerde vergaderingen, uitleg verschaffen over de kostprijselementen van de door ons opgestelde ‘BROODINDEX' (ontwerp rondschrijven als bijlage bij de brief van 4 juni 2004); - faxberichten van 21 en 29 juni 2004 van VEBIC naar de bestuursleden waarbij wordt benadrukt dat prijsafspraken verboden zijn en dat ook geen aanbevelingen mogen worden gedaan zoals richtprijzen. Hierin wordt gesteld dat de leden wel vanuit hun federatie een objectieve kostprijsberekening aan hun leden mogen geven, voor zover wordt benadrukt dat dit puur ten informatieve titel is; - verslag van de Algemene Vergadering van VEBIC van 17 mei 2004 waarin wordt vermeld dat in het vooruitzicht van de vrije broodprijs, de economische commissie alle leden zal begeleiden om te informeren naar de kostenevoluties toe wat betreft de broodprijsberekeningen, en verder dat kartelvorming absoluut moet vermeden worden. De "Fédération Francophone de la Boulangerie, Pâtisserie, Glacerie et Chocolaterie" heeft op 7 juni 2005 geantwoord dat zij geen mailing heeft verstuurd over de verkoopprijs van het brood en dat zij de richtlijnen van de Minister strikt gevolgd heeft dat enkel informatie over de evolutie van de kostprijs van het brood mocht worden gegeven. Documenten werden overgemaakt waaruit blijkt dat de provinciale verenigingen verzocht werden om snel boekhoudkundige gegevens te verzamelen die nuttig zijn voor de samenstelling van een dossier over de kostprijs van het brood en voorgesteld werd om per provincie een informatiesessie te organiseren over de berekening van de verkoopprijs (verslagen van de algemene vergaderingen van 16 februari 2004, 14 april 2004, 16 februari 2005 en 13 april 2005).
- Op 25 mei 2005 heeft de Dienst voor de Mededinging inlichtingen gevraagd aan de provinciale bakkersbonden verenigd in de VZW VEBIC. In de begeleidende brief is er opnieuw sprake van een onderzoek naar de marktwerking binnen de sector ‘brood'. De federaties werden verzocht kopie over te maken van de briefwisseling naar de leden toe i.v.m. de prijs van het brood alsook van de verslagen van de ledenvergaderingen. De gevraagde informatie werd overgemaakt aan de Dienst voor de Mededinging.
- Op 25 mei 2005 werden eveneens verzoeken tot inlichtingen gericht aan de provinciale bakkersverenigingen verenigd in de "Fédération Francophone de la Boulangerie, Pâtisserie, Confiserie, Chocolaterie, Glacerie". De antwoorden maken geen deel uit van het onderzoeksdossier dat aan de Raad voor de Mededinging is overgemaakt en worden niet in de inventaris opgenomen.
- Op 18 oktober 2006 heeft de auditeur, in toepassing van artikel 44, § 3 van de WBEM
(2006)een opdrachtbevel afgeleverd aan een aantal ambtenaren, leden van de Dienst van de Mededinging, met het oog op een huiszoeking bij de BBCI, bij VEBIC en bij de "Fédération Francophone de la Boulangerie, Pâtisserie, Confiserie, Chocolaterie, Glacerie". De documenten met als titel ‘Opdrachtbevel met het oog op een huiszoeking' bepalen dat de opdracht aanvang neemt op 19 oktober 2006 en geldig is tot en met 20 oktober
- De tekst maakt als volgt gewag van het onderzoek geopend op vraag van de Minister naar aanleiding van de liberalisering van de prijs van het brood: ‘De Minister van Economie heeft het Auditoraat (voorheen Korps Verslaggevers) verzocht een onderzoek te laten starten overeenkomstig artikel 44 §1, 2° (ex artikel 23, §1, c) van de wet aangaande mogelijke prijsafspraken door lokale bakkersgilden en/of groepen van individuele bakkers. Onder prijsafspraken moet onder meer worden verstaan adviezen en aanbevelingen van federaties die betrekking hebben op prijzen (en onderdelen van prijzen) met inbegrip van kortingen en/of toeslagen, kostenramingen gepaard gaande met suggesties tot kostenstijgingen alsook de uitwisseling van informatie onder welke vorm ook over prijzen, kostprijzen en prijsstijgingen'. De noodzaak tot een huiszoeking wordt in het opdrachtbevel als volgt verantwoord: ‘Het onderzoek verricht door de Dienst voor de Mededinging onder leiding van de bevoegde auditeur omtrent mogelijke inbreuken op artikel 2 WBEM en artikel 81 van het EG-Verdrag, maken het noodzakelijk (...) bijkomende informatie te vergaren en bewijzen te verzamelen met betrekking tot deze mogelijke prijsafspraken en de context hiervan. Indien mocht blijken dat bovenvermelde praktijken werkelijk bestaan, zouden zij inbreuken op artikel 2 en artikel 81 van het EG-Verdrag vormen. Teneinde de Belgische mededingingsautoriteit op de hoogte te stellen van alle feitelijke elementen met betrekking tot deze praktijken is het noodzakelijk dat overgegaan wordt tot huiszoeking." Op dezelfde datum heeft de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging machtiging gegeven aan de vermelde ambtenaren om deze huiszoekingen te verrichten in opdracht van de bevoegde auditeur ‘ten einde de nodige informatie te vergaren en bewijzen te verzamelen met betrekking tot mogelijke prijsafspraken binnen deze confederatie'. Aangestipt moet worden dat de Auditeur op 17 oktober 2006 deskundigen had aangewezen om de ambtenaren bij te staan "tijdens de huiszoeking van 18 en 20 oktober 2006".
- In het kader van de huiszoekingen die op 19 oktober 2006 plaatsvonden, werden een reeks stukken meegenomen.
- Bijkomende verzoeken tot inlichtingen werden na de huiszoekingen gericht aan VEBIC en aan de "Fédération Francophone de la Boulangerie, Pâtisserie, Confiserie, Chocolaterie, Glacerie".
- Op 8 juni 2007 heeft de Auditeur-Generaal Bert Stuelens zijn verslag houdende punten van bezwaar aan de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging overgemaakt, samen met het onderzoeksdossier en een inventaris van de stukken. Dit verslag werd op dezelfde datum aan VEBIC toegezonden. Het verslag van de Auditeur-Generaal kan als volgt worden samengevat. Vooreerst wordt gesteld dat gezien de regionale verschillen, het dossier opgesplitst dient te worden, ‘hoewel de aanpak van de regionale verenigingen in verband met de kostprijsberekening vergelijkbaar is'. Het verslag betreft uitsluitend de gedragingen van de VZW VEBIC. Verder wordt gesteld dat de besluiten van de bakkersfederaties geen potentiële invloed hebben op de handel tussen de lidstaten met als gevolg dat de communautaire mededingingsregels niet toepasselijk zijn op de onderzochte praktijken. Deze conclusie steunt onder meer op de overweging dat het onderzoek zou hebben aangetoond dat de regionale federaties op eigen initiatief handelen en er geen uniform beleid uitgaat van de nationale federatie. Het Auditoraat concludeert dat VEBIC zich schuldig heeft gemaakt aan een inbreuk op artikel 2, § 1 van de WBEM, inbreuk die als volgt wordt omschreven onder de titel ‘voorstel tot beslissing': ‘het publiceren en verspreiden van de broodprijsindex en het verspreiden van de kostenschema's door VEBIC aan haar leden'. De punten van bezwaar opgenomen in het verslag zijn als volgt geformuleerd:
- Op basis van het gevoerde onderzoek is de auditeur van mening dat volgende punten van bezwaar tegen VeBIC kunnen weerhouden worden: - het indirect aanduiden van richtprijzen naar de leden bakkers toe. Door het opstellen en verspreiden van een index die de kostprijsstijging weergeeft en welke door de bakkers vrijwillig kan worden toegepast, verspreidt VEBIC indirect een richtprijs naar de bakkers toe. De index wordt toegepast op de laatst gereglementeerde broodprijs, welke voor iedere bakker dezelfde is. Door toepassing van deze index op éénzelfde basisbedrag door de verschillende bakkers bekomt iedere bakker dezelfde verkoopprijs. Dit houdt een inbreuk in op artikel 2, § 1 WBEM. - het publiceren en verspreiden van kostenschema's met procentuele waardevermeldingen; - het door de federatie ontwikkelde kostenschema vermeldt concrete procentuele waardevermeldingen per individuele kostenfactoren en dit voor alle vijf de parameters.'
- Het opgestelde kostenschema werkt als een aanbeveling. Het vormt voor de ondernemingen die er gebruik van maken een stimulans om de in het model vervatte calculatiewaarden bij de berekening van hun kosten en derhalve indirect bij het opstellen van hun verkoopprijzen over te nemen of althans deze waarden te benaderen.
- Het gebruik van deze kostenschema's kan leiden tot de beperking van de prijsconcurrentie tussen de bakkers. De leden die dit schema hanteren berekenen hun individuele bedrijfskosten niet meer op autonome wijze en aan de hand van hun eigen kostensituatie maar overeenkomstig gemeenschappelijke uniforme richtwaarden. Dit houdt een inbreuk in op artikel 2, §1 WBEM.
- Bij de beoordeling van de gestelde gedragingen en het bepalen van een mededingingsbeperking moet men steeds voor ogen houden dat het subjectieve oogmerk of de bedoeling van partijen niet beslissend is. De Auditeur-Generaal stelde aan de kamer van de Raad voor de Mededinging voor om een boete op te leggen, rekening houdend met bezwarende omstandigheden alsook de gewraakte praktijk te verbieden onder verbeurte van een dwangsom. Als bezwarende omstandigheden worden aangemerkt, het feit dat VEBIC op de hoogte was van het verboden karakter van prijsafspraken en geen gebruik maakte van de mogelijkheid om contact te nemen met de mededingingsautoriteit om de legaliteit van de gehanteerde prijsberekeningsmethode te laten toetsen.
- Met een schrijven van 18 juni 2007 heeft de griffie van de Raad een kopie van de inventaris van het dossier aan VEBIC overgemaakt. De termijnen om schriftelijke opmerkingen in te dienen werden op 2 juli 2007 door de voorzitter van de Raad als volgt vastgesteld: - schriftelijke opmerkingen van VEBIC: ten laatste op 13 augustus 2007 - schriftelijke opmerkingen van de Auditeur: ten laatste op 10 september 2007 - eventuele repliek van VEBIC: 24 september
- De griffie van de Raad voor de Mededinging heeft de Minister van Economie een kopie van het verslag van het auditoraat toegestuurd en hem op de hoogte gebracht dat de zaak op de zitting van 8 oktober 2007 zou worden behandeld.
- Met schrijven van 3 juli 2007 heeft de raadsman van VEBIC een kopij gevraagd van een aantal stukken uit het dossier, waaronder de stukken i.v.m. ‘het opstarten van het onderzoek' en het onderzoek verricht door de algemene directie.
- Op 13 augustus 2007 heeft VEBIC schriftelijke opmerkingen op het verslag van het auditoraat neergelegd en hierbij middelen aangevoerd ontleend aan schending van procedurele beginselen, waaronder schending van de rechten van de verdediging. VEBIC betoogde dat het onderzoek geopend op verzoek van de Minister van Economie een onwettig karakter heeft bij ontstentenis van ernstige aanwijzingen van een inbreuk op 7 juli
- Volgens VEBIC werden de wettelijke voorschriften betreffende de huiszoeking miskend doordat de auditeur op 17 oktober 2004 overgegaan is tot aanstelling van deskundigen en omschrijving van hun opdracht hoewel hij op deze datum nog niet beschikte over een machtiging tot huiszoeking van de voorzitter van de Raad voor de Mededinging. Het bevel tot huiszoeking zelf zou door nietigheid worden aangetast wegens ontstentenis van noodzakelijke vermeldingen over het voorwerp en de draagwijdte van de opdracht van de aangewezen ambtenaren. Een schending van de rechten van verdediging volgde ook, volgens VEBIC, uit de omstandigheid dat in het verslag van het auditoraat dat de punten van bezwaar bevat, de periode gedurende welke VEBIC zich schuldig heeft gemaakt aan de vermeende inbreuk noch rechtstreeks noch onrechtstreeks wordt vermeld. Met betrekking tot de verweten praktijk zelf heeft VEBIC betoogd dat het auditoraat geen bewijsmateriaal heeft overgelegd dat het bestaan van de feiten die de bestanddelen van de ten laste gelegde inbreuk vormen rechtens genoegzaam aantoont. Zij ontkende dat zij enige informatie zou hebben verspreid over te hanteren verkooprijzen of over richtprijzen. Volgens VEBIC maakte de auditeur gebruik van individuele uitspraken die niet aan de Vereniging zelf kunnen worden toegeschreven. VEBIC betwistte ook de betrouwbaarheid van de conclusies die het Auditoraat trok uit de enquête die werd gevoerd door de Algemene Directie Controle en Bemiddeling waaronder de stelling dat de vastgestelde prijsverhoging zou kunnen wijzen op onderling afgesproken gedraging. De rechtsopvattingen die in het verslag worden aangenomen werden door VEBIC ook bestreden, onder andere de opvatting dat de precieze afbakening van de relevante markt niet noodzakelijk zou zijn om na te gaan of de verweten gedragingen een merkbaar mededingingsbeperkend effect hebben, rekening houdend met de marktaandelen van de betrokken ondernemingen binnen de broodsector, of de opvattingen over de begrippen ‘besluit van ondernemingenvereniging' en ‘onderling afgestemde gedraging' die het onderscheid tussen beiden zouden miskennen. Ondergeschikt heeft VEBIC betoogd dat de voorwaarden van een vrijstelling op grond van artikel 2, § 3 van de WBEM vervuld zijn. Nog meer ondergeschikt heeft VEBIC het bestaan van verzwarende omstandigheden betwist. VEBIC verzocht de Raad: - te zeggen voor recht dat het gevoerde onderzoek behept is met onregelmatigheden; - dienvolgens de huiszoekingen en het bevel tot machtiging van 18 oktober 2006, alsook de beslissing tot aanduiding van deskundigen van 17 oktober 2006 hiertoe, alsook alle op grond daarvan verzamelde informatie ongeldig te verklaren en uit het dossier te weren; - in ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat geen bewijs wordt geleverd van een prijsafspraak of een op elkaar afgestemde gedraging in de zin van de wet; - dienvolgens de vordering tot veroordeling van verweerder tot een enige boete ongegrond te verklaren; - in ondergeschikte orde deze boete voorwaardelijk op te leggen en deze tot een minimum te herleiden gelet op de bijzondere omstandigheden van het dossier (onmiddellijk na de vrijgave van de broodprijs); - de overheid te veroordelen tot de kosten van de procedure.
- Op 10 september 2007 heeft de Auditeur-Generaal schriftelijk geantwoord op het verweer van VEBIC, en geconcludeerd dat de opmerkingen van VEBIC niet van aard zijn om zijn standpunt te wijzigen. Met betrekking tot de duur van de inbreuk heeft hij het volgende gesteld: ‘De punten van bezwaar hebben betrekking op de door VeBic opgestelde broodprijsindex. VeBic heeft zelf verklaard dat deze index werd opgesteld naar aanleiding van de liberalisering van de broodprijs. Het blijkt dan ook duidelijk uit de chronologie van het onderzoek en het gemotiveerd verslag dat de incriminatieperiode betrekking heeft op de periode die begint te lopen vanaf de liberalisering van de broodprijs op 1 juli 2004.'
- VEBIC heeft een repliek neergelegd op 19 september 2007, waarbij zij de klemtoon legde op het feit dat het Auditoraat de bewijslast van een inbreuk draagt en hierin faalde.
- VEBIC en de auditeur werden gehoord door de Raad voor de Mededinging op 8 oktober 2007 en 9 november
- Op 19 november 2007 heeft VEBIC een nota neergelegd waarin zij toezeggingen formuleerde, zoals bedoeld in artikel 53 §1 WBEM-2006, zonder enige nadelige erkenning. De toezeggingen luiden als volgt: - VZW VEBIC zal zich in de toekomst beperken tot de mededeling van economische en maatschappelijke informatie m.b.t. de belangrijkste elementen die de kostprijs van het brood (broodindex) bepalen, zoals de grondstofprijs, de productieloonkost, de verkoopsloonkost, de energiekost en de algemene kosten; - VZW VEBIC zal zich ter gelegenheid van de verspreiding van deze informatie, tevens beperken tot de mededeling van de globale procentuele verschuiving zonder enige mededeling van de onderliggende procentuele verschuivingen inhoudende de impact van de evolutie van de verschillende elementen in de broodindex de mededeling van procentuele waardevermeldingen per individuele kostenfactor; - VZW VEBIC zal zich ter gelegenheid van de verspreiding van deze informatie, eveneens onthouden van de weergave van concrete toepassing en/of berekening van deze kostprijselementen op de laatst gereglementeerde broodprijs of enige andere theoretische verkoopprijs; - VZW VEBIC verbindt er zich, onverminderd haar andere taken zoals o.m. de informatieverstrekking aan de Minister van Financiën in het kader van de besprekingen aangaande de fiscaliteit op de bakkers, in het kader van de broodprijs geen opvolging te doen van de markt/prijs evolutie; - VZW VEBIC verbindt er zich toe ter gelegenheid van het verspreiden van de hierboven vermelde informatie, aan haar leden te benadrukken dat deze informatie door hen op autonome wijze dient aangewend te worden, aan de hand van hun eigen kostensituatie. De Auditeur-Generaal en VEBIC werden nog gehoord op de zitting van 21 november
- Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de kamer van de Raad aan VEBIC een reeks vragen heeft gesteld. Noch de vragen, noch de antwoorden zijn genotuleerd. Op vraag van de Raad heeft VEBIC volgende documenten neergelegd op 23 november 2007: - nummers van het vakblad Passie van juni, juli - augustus en september 2007; - een overzicht van de evolutie van de vastgestelde maximumprijzen voor een groot, niet gesneden brood, tussen 1946 en
- Bij beschikking van 21 november 2007 van de Raad werd VEBIC uitgenodigd om bijkomende informatie te verschaffen over haar omzetcijfers en de ontbrekende nummers van het blad ‘Passie' neer te leggen. Zij werd tevens opgeroepen op een zitting van 11 december
- VEBIC doet gelden dat de Auditeur-Generaal tijdens de zitting van 21 november 2007 instemde met de voorgestelde toezeggingen. Desbetreffend werd in het proces-verbaal van de zitting niets genotuleerd.
- De bestreden beslissing van 25 januari 2008 volgt grotendeels het Auditoraat in zijn verslag. Het dispositief van deze beslissing luidt als volgt: ‘Stelt vast dat de (VEBIC) van 1 juli 2004 tot 8 juni 2007 een inbreuk heeft begaan op artikel 2 van de wet tot bescherming van de economische mededinging en verbiedt deze inbreuk. Legt op grond van artikel 63, lid 1 WBEM aan (VEBIC) een geldboete op van 29.121 euro,(...).' II. De procedure voor het hof
- Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 22 februari 2008, heeft VEBIC het onderhavige beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing ingesteld. VEBIC verzoekt het hof: - vast te stellen dat het onderzoek behept is met onregelmatigheden en niet rechtsgeldig is en de resultaten dienvolgens uit het dossier te weren; - ondergeschikt te zeggen voor recht dat er geen bewijs wordt geleverd van een inbreuk op artikel 2 WBEM, en het uitgesproken verbod op te heffen; - meer ondergeschikt, aan de gedane toezeggingen een bindend karakter te verlenen, en de boete tot een minimum te herleiden en voorwaardelijk op te leggen. - de overheid te veroordelen tot de kosten; Het beroep werd aangezegd bij aangetekende brief aan de Raad voor de Mededinging en aan de Minister van Economie in overeenstemming met artikel 76 WBEM.
- Op 29 februari 2008 heeft de griffie van de Raad voor de Mededinging het onderzoeksdossier en de procedurestukken aan het hof overgemaakt.
- Bij beschikking van 11 maart 2008, genomen in toepassing van artikel 76 § 2 WBEM, werden de conclusietermijnen als volgt vastgesteld: - verzoekster dient haar schriftelijke opmerkingen in tegen uiterlijk 13 juni 2008; - de Minister van Economie kan desgewenst een nota met opmerkingen indienen tegen uiterlijk 16 mei
- Deze beschikking bepaalt dat zij de rechten van partijen die gebeurlijk nog zouden tussenkomen in geding om opmerkingen in te dienen onverlet laat. De beschikking werd aangetekend verzonden aan VEBIC, aan de raadsman van VEBIC, aan de Raad voor de Mededinging, en aan de FOD Economie.
- VEBIC heeft een conclusie neergelegd op 13 juni
- Uit de briefwisseling blijkt dat VEBIC de conclusie voor het hof heeft overgemaakt aan de Raad voor de Mededinging.
- VEBIC werd gehoord door het hof op de zitting van 27 juni
- III. Discussie
- De WBEM
(2006)regelt als volgt de procedure in hoger beroep voor het hof van beroep te Brussel: Artikel
- Tegen de beslissingen van de Raad voor de Mededinging en van de voorzitter, alsmede tegen stilzwijgende beslissingen tot toelating van concentraties door het verstrijken van de in de artikelen 58 en 59 bepaalde termijnen kan beroep worden ingesteld bij het Hof van beroep te Brussel, behalve wanneer de Raad voor de Mededinging een beslissing neemt met toepassing van artikel
- Het Hof van beroep doet uitspraak met volle rechtsmacht inzake de vermeende restrictieve praktijken en desgevallend inzake de opgelegde sancties evenals inzake de toelaatbaarheid van concentraties. Het Hof van beroep kan de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan sedert de aangevochten beslissing van de Raad in overweging nemen. Het Hof van beroep kan geldboetes en dwangsommen opleggen volgens de bepalingen zoals bedoeld in Afdeling 8 van Hoofdstuk IV. Artikel
- §
- Tegen beslissingen waarbij de Raad voor de Mededinging de zaak terugstuurt naar de auditeur kan geen afzonderlijk beroep worden ingesteld. §
- Het beroep waarin artikel 75 voorziet, kan worden ingesteld door de voor de Raad betrokken partijen, door de indiener van de klacht alsook door elke persoon die overeenkomstig artikel 48, § 2, of artikel 57, § 2, een belang kan doen gelden en die aan de Raad gevraagd heeft te worden gehoord. Het beroep kan eveneens door de minister worden ingesteld zonder dat deze een belang moet aantonen en zonder dat hij vertegenwoordigd was voor de Raad voor de Mededinging. Het beroep wordt, op straffe van nietigheid die ambtshalve wordt uitgesproken, ingesteld door middel van een ondertekend verzoekschrift dat wordt ingediend ter griffie van het Hof van beroep te Brussel binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing. Het verzoekschrift bevat op straffe van nietigheid : 1° de aanduiding van dag, maand en jaar; 2° indien de verzoeker een natuurlijke persoon is, zijn naam, voornaam, beroep en woonplaats, alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer; indien de verzoeker een rechtspersoon is, de benaming, de rechtsvorm, de maatschappelijke zetel en de hoedanigheid van de persoon die of het orgaan dat hem vertegenwoordigt, alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer; indien het beroep uitgaat van de minister, de benaming en het adres van de dienst die hem vertegenwoordigt; 3° de vermelding van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld; 4° een lijst van de namen, hoedanigheden en adressen van de partijen aan wie de beslissing ter kennis was gebracht in de zin van artikel 67; 5° de uiteenzetting van de middelen; 6° de plaats, de dag en het uur van de verschijning vastgesteld door de griffie van het Hof van beroep; 7° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat. Binnen vijf dagen na het indienen van het verzoekschrift moet de verzoeker, op straffe van nietigheid van het verzoek, een afschrift van het verzoekschrift bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs toesturen aan de partijen aan wie kennis werd gegeven van de aangevochten beslissing zoals blijkt uit de kennisgevingsbrief bedoeld in artikel 67, aan de Raad voor de Mededinging evenals aan de minister indien hij de verzoeker niet is. Tegenberoep kan worden ingesteld. Het is slechts ontvankelijk indien het is ingesteld binnen een maand na de ontvangst van de brief waarin het vorige lid voorziet. Het tegenberoep kan echter niet toegelaten worden indien het hoofdberoep nietig of laattijdig wordt verklaard. Het Hof van beroep te Brussel kan te allen tijde de personen die partij waren voor de Raad voor de Mededinging van rechtswege in de zaak betrekken, als het hoofdberoep of het tegenberoep hun belangen of verplichtingen kan aantasten. Het Hof kan het Auditoraat bij de Raad voor de Mededinging verzoeken om een onderzoek in te stellen en hem zijn verslag mee te delen. In dit geval beschikt het Auditoraat over de onderzoeksbevoegdheden zoals bepaald bij Afdeling 1 van Hoofdstuk IV. Het Hof van beroep te Brussel stelt de termijn vast waarbinnen de partijen elkaar hun schriftelijke opmerkingen moeten meedelen en ze bij de griffie moeten indienen. De minister kan zijn schriftelijke opmerkingen bij de griffie van het Hof van beroep te Brussel indienen en het dossier ter plaatse op de griffie raadplegen. Het Hof van beroep te Brussel stelt de termijnen vast om deze opmerkingen voor te leggen. De griffie brengt deze opmerkingen ter kennis van de partijen. §
- Binnen vijf dagen na het plaatsen van de zaak op de rol vraagt de griffie van het Hof van beroep te Brussel de griffie van de Raad voor de Mededinging om haar het dossier van de procedure over te zenden. De overzending geschiedt binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek. De minister bepaalt de wijze waarop het dossier wordt overgezonden. §
- Het beroep schorst de beslissing van de Raad voor de Mededinging of die van zijn voorzitter niet. Het Hof van beroep kan echter, op verzoek van de belanghebbende en bij beslissing alvorens recht te doen, de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Raad voor de Mededinging of van die van zijn voorzitter geheel of gedeeltelijk schorsen tot op de dag van de uitspraak van het arrest. De schorsing van de tenuitvoerlegging kan slechts bevolen worden wanneer ernstige middelen worden ingeroepen die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen rechtvaardigen en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing het risico met zich brengt op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het Hof van beroep kan, in voorkomend geval, bevelen dat het betaalde bedrag van de geldboeten en dwangsommen aan de betrokkene wordt terugbetaald. Het hoeft zich ook niet onmiddellijk uit te spreken over de teruggave van de betaalde geldboeten of dwangsommen. §
- Het Hof van beroep draagt er zorg voor dat de vertrouwelijkheid van het dossier bezorgd door de Raad, wordt bewaard gedurende de hele procedure voor het Hof.
- In de Memorie van Toelichting wordt met betrekking tot de rechtsmacht van het hof van Beroep te Brussel het volgende uiteengezet (Doc. Parl. Kamer, 2005-2006, 51 2180/001, blz. 68): ‘Het Hof van beroep te Brussel heeft een bevoegdheid van volle rechtsmacht. Het Hof kan zijn eigen beslissing in de plaats stellen van de beslissing van de Raad voor de Mededinging zowel inzake restrictieve mededingingspraktijken als inzake concentraties. Het kan rekening houden met de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan sedert de aangevochten beslissing van de Raad. Het Hof van beroep kan niet alleen de beslissing waartegen beroep werd ingesteld volledig annuleren, maar kan deze ook hervormen en een beslissing nemen die de aangevochten beslissing vervangt. Het hof van beroep kan eveneens geldboetes en dwangsommen opleggen onder dezelfde voorwaarden zoals bedoeld in Afdeling VIII van Hoofdstuk IV. (...).' Rekening houdend met het feit dat artikel 76 het Hof van beroep een bevoegdheid van volle rechtsmacht toekent, voorziet de voorliggende wet in de mogelijkheid voor het hof van beroep om onderzoeksopdrachten te bepalen, uit te voeren door het Auditoraat, en hem zijn verslag over te maken na dit onderzoek.'
- Artikel 43bis § 2 van de vroegere wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999, bevatte volgende bepalingen: ‘Het Hof van beroep te Brussel stelt de termijn wast waarbinnen de partijen hun schriftelijke opmerkingen aan elkaar moeten meedelen en een kopie ervan bij de griffie moeten neerleggen. Het stelt eveneens de datum van de debatten vast. De Raad voor de Mededinging en de Minister kunnen elk hun schriftelijke opmerkingen bij de griffie van het Hof van Beroep te Brussel indienen en het dossier ter plaatse op de griffie raadplegen. Het hof van Beroep te Brussel stelt de termijnen vast om deze opmerkingen voor te leggen. De griffie brengt deze opmerkingen ter kennis van de partijen.' De mogelijkheid voor de Raad voor de Mededinging om schriftelijke opmerkingen in te dienen in het kader van een beroep tegen een beslissing genomen door de Raad voor de Mededinging werd niet langer in de huidige wet behouden. Deze keuze wordt als volgt toegelicht: ‘De Raad heeft immers reeds de kans gehad zijn standpunt duidelijk te maken in de motivering van de aangevochten beslissing. Aangezien de Raad dus reeds stelling heeft genomen, is er geen reden meer om deze stelling te herhalen in de loop van de procedure voor het Hof.' (Memorie van Toelichting, blz. 69).
- De Wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 15 september 2006, voorziet ook niet in de mogelijkheid dat het Auditoraat bij de Raad voor de Mededinging aan de procedure voor het hof deelneemt. De wet sluit dit impliciet uit aangezien enkel wordt bepaald dat het hof het Auditoraat met een onderzoek kan gelasten, in welk geval het Auditoraat een verslag dient neer te leggen.
- Voorziening in cassatie wegens schending van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, kan worden ingesteld tegen de arresten gewezen door het hof van beroep te Brussel als beroepsinstantie van de Raad voor de Mededinging. Artikel 78 van de wet voorziet dat voorziening in cassatie gericht tegen de arresten van het hof van beroep eveneens kan worden ingeleid door de minister die de economie onder zijn bevoegdheid heeft, zonder dat hij een belang moet aantonen en zonder dat hij partij is geweest voor de Raad voor de Mededinging of het hof van beroep te Brussel.
- Het beroep tegen een beslissing genomen door de Raad voor de Mededinging wordt niet gericht tegen de Belgische nationale mededingingsautoriteit bevoegd om de artikelen 81 en 82 van het Verdrag toe te passen aangewezen conform artikel 35 van de Verordening 1/2003, dit is: ‘de Raad voor de Mededinging en de Dienst voor de Mededinging bij de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, elk overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden bepaald in deze wet' (artikel
- 4° WBEM 2006). Het beroep tegen een beslissing genomen door de Raad voor de Mededinging wordt evenmin gericht tegen de Belgische Staat, in tegenstelling tot wat bepaald was in artikel 43 van de opgeheven wet van 5 augustus
- Hieruit volgt dat noch de Raad voor de Mededinging, noch de Minister de hoedanigheid van verwerende partij in de procedure voor het hof hebben. De Minister kan schriftelijke opmerkingen indienen. Echter, sinds de inwerkingtreding van de nieuwe wet, legt de Raad voor de Mededinging geen schriftelijke opmerkingen neer over de middelen die door de verzoekende partij ter ondersteuning van haar beroep of door andere tussenkomende partijen aan het hof worden voorgedragen.
- In onderhavige zaak is het enkel de VZW VEBIC die aan de procedure deelneemt, als verzoekende partij. De Minister heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om schriftelijke opmerkingen in te dienen.
- Omwille van de hierna volgende redenen oordeelt het hof dat, alvorens te beslissen in onderhavige zaak, prejudiciële vragen dienen te worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap betreffende de draagwijdte van bepalingen van Verordening (EG) Nr 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, inzonderheid : Artikel 35.1 van Verordening 1/2003 dat bepaalt de lidstaten de mededingingsautoriteit of -autoriteiten bevoegd om de artikelen 81 en 82 van het Verdrag toe te passen zodanig aanwijzen dat op afdoende wijze wordt voldaan aan de bepalingen van de Verordening. Artikel 2 van Verordening 1/2003 dat voorziet dat in alle nationale procedures tot toepassing van artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag, de autoriteit die beweert dat een inbreuk op artikel 81, lid 1, of artikel 82 van het Verdrag is gepleegd, de bewijslast van die inbreuk dient te dragen. Artikel 15, paragraaf 3, van deze Verordening dat betrekking heeft op de samenwerking met de nationale rechterlijke instanties en voorziet dat de mededingingsautoriteiten van de lidstaten uit eigen beweging schriftelijke opmerkingen maken betreffende onderwerpen in verband met de toepassing van artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag. Met de toestemming van de betrokken rechterlijke instantie kunnen zij ook mondelinge opmerkingen maken.
- De wettelijke bepalingen betreffende de rechtspleging voor het hof van beroep te Brussel die toepasselijk zijn op een beroep ingediend tegen een beslissing van de Raad voor de Mededinging doen, volgens het hof, vragen rijzen over de overeenstemming van deze rechtspleging met het gemeenschapsrecht en de noodzaak om een daadwerkelijke handhaving van de communautaire mededingingsregels met eerbiediging van de fundamentele rechten van de verdediging te waarborgen, daar geen bepaling voorziet in de deelname van de Nationale Mededingingsautoriteit aan de beroepsprocedure en de wet zo wordt geïnterpreteerd dat een deelname niet is toegelaten, met als gevolg dat het algemeen economisch belang door geen enkele partij wordt behartigd.
- De nationale regels die de procedure in hoger beroep tegen een beslissing van de Raad voor de Mededinging regelen en de omvang van de rechtsmacht van het hof van beroep bepalen, gelden zonder onderscheid naar gelang de Raad voor de Mededinging toepassing heeft gemaakt van het nationale mededingingsrecht alleen, na te hebben geoordeeld - zoals in onderhavige zaak - dat de onderzochte praktijken de handel tussen lidstaten niet kunnen beïnvloeden, of toepassing heeft gemaakt van het mededingingsrecht van de Gemeenschap. Deze procedureregels dienen bijgevolg door het hof van beroep op eenvormige wijze worden toegepast in alle beroepsprocedures, zodat het antwoord van het Hof van Justitie bepalend is voor de te volgen rechtspleging bij beroep tegen beslissingen van de Raad voor de Mededinging betreffende praktijken die onder de werkingsfeer vallen van artikel 81 of 82 van het Verdrag.
- In onderhavige zaak wordt in de bestreden beslissing van de Raad voor de Mededinging geoordeeld dat de onderzochte praktijken de handel tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloeden en dat bijgevolg alleen het nationale mededingingsrecht wordt toegepast. Het hof is echter van oordeel dat er in het dossier aanwijzingen zijn die zouden kunnen leiden tot de hervorming van de bestreden beslissing op dit punt, gelet op de aard van het product, de dichtheid van de bevolking aan de grenzen tussen België en de omringende landen, de omvang van de grensoverschrijdende stroom van vraag en aanbod van brood, het aantal ondernemingen leden van de bakkersverenigingen aangesloten bij VEBIC, alsook het potentieel nabootsingseffect dat een eenvormige prijsbepaling van het brood door een groot aantal markdeelnemers in Vlaanderen, kan veroorzaken binnen maar ook buiten de geografische werkingsfeer van zulke praktijk. Hieruit volgt, volgens het hof, dat de omstandigheid dat de bestreden beslissing van de Raad voor de Mededinging enkel de nationale wetgeving heeft toegepast, het stellen van prejudiciële vragen niet in de weg staat en dat de vraag tot uitlegging verband houdt met het geschil. Om deze redenen, Het hof, Rechtsprekende na tegenspraak; In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in rechtszaken; I. Schorst de verdere behandeling van de zaak; II. Stelt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap de volgende vragen tot uitlegging: 1) Moeten onder randnummer 39 geciteerde bepalingen aldus worden uitgelegd dat de nationale mededingingsautoriteiten rechtstreeks uit deze bepalingen de mogelijkheid putten om schriftelijke opmerkingen te formuleren over de middelen die in het kader van een beroepsprocedure tegen hun beslissing zijn geformuleerd, en zelf middelen kunnen voordragen in feite en in rechte, met als gevolg dat deze mogelijkheid niet kan worden uitgeschakeld door een Lidstaat ? 2) Moeten dezelfde bepalingen aldus worden uitgelegd dat voor een doeltreffende toepassing van de mededingingsregels met het oog op de bescherming van het algemeen belang, de openbare handhavingsinstanties die als mededingingsautoriteiten zijn aangewezen niet alleen de mogelijkheid hebben maar ook de plicht hebben om aan de beroepsprocedure tegen hun beslissingen deel te nemen door hun standpunt te uiten over de aangevoerde middelen in rechte en in feite? 3) Indien het antwoord op de vragen 1) en 2) bevestigend luidt, moeten deze bepalingen dan aldus worden uitgelegd dat bij ontstentenis van nationale bepalingen betreffende de deelname van de mededingingsautoriteit aan de procedure voor de beroepsinstantie en wanneer verschillende autoriteiten zijn aangewezen, de autoriteit die bevoegd is om de besluiten opgesomd in artikel 5 van de Verordening, ook deze is die aan de beroepsprocedure tegen haar besluit deelneemt? 4) Luiden de antwoorden op voornoemde vragen anders wanneer de mededingingsautoriteit volgens de nationale wetgeving als rechtscollege optreedt en/of wanneer de eindbeslissing genomen is na afloop van een onderzoek geleid door een bij dit rechtscollege behorend orgaan belast met het opstellen van de punten van bezwaar en van een ontwerpbeslissing? III. Verzoekt de president van het hof in overeenstemming met artikel 104bis van het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie, deze prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure, gezien de beslissing van het Hof over de vragen tot uitlegging relevant is voor de rechtspleging in alle beroepsprocedures die voor het hof van beroep te Brussel aanhangig zijn tegen de beslissingen van de Raad voor de Mededinging. Houdt iedere verdere beslissing aan. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke achttiende kamer van het hof van beroep te Brussel, op 30 september
- waar aanwezig waren en zitting hielden : Paul BLONDEEL Voorzitter Christine SCHURMANS Raadsheer Koenraad MOENS Raadsheer Linda NAESSENS Eerstaanwezend adjunct-griffier L. NAESSENS K. MOENS C. SCHURMANS P. BLONDEEL Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div