← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20081027.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 27 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20081027.7 Rolnummer: 2001AR637 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-23 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-02 18:11 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Bewijslast BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Zaken BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Verplichtingen verkoper - Vrijwaring Vrije woorden: Artikel 1384, lid 1 B.W. Ladder. Opsteekladder of zoldertrapladder. Ladder plooit door bij het gebruik ervan, en de gebruiker van de ladder valt hierbij. Aansprakelijkheid van de bewaarder van de ladder. Quid de vrijwaring wegens beweerd verborgen gebrek vanwege de koper (art. 1625 en 1641 B.W.).. Is er in casu voldoende informatie van de verkoper ivm het gebruik van de ladder? Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2001/AR/637 INZAKE VAN : De heer R. G., appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 21 december 2000, vertegenwoordigd door Meester Lieven RAL loco Meester Erik VAN DER ELST, advocaat te 1930 ZAVENTEM, Vilvoordelaan 10, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer P. D., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Lieven VAN BESIEN loco Meester Jan DE BONDT, advocaat te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643, 2) De naamloze vennootschap ALTREX BELGIUM, waarvan de maatschappelijke zetel thans gevestigd is te 2880 BORNEM, Puursesteenweg 351, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0414.358.165 handelsregister van Antwerpen onder het nummer 199.406, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester An_Benedict CEULEMANS loco Meester Ivan REYNS, advocaat te 9120 BEVEREN, Grote Baan 68, Gelet op de procedurestukken, buiten deze reeds vermeld in het tussenarrest van 24 januari 2005: · de syntheseconclusie van tweede geïntimeerde neergelegd ter griffie op 30 mei 2008; · de syntheseconclusie van appellant neergelegd ter griffie op 16 juni 2008; · de syntheseconclusie van eerste geïntimeerde neergelegd ter griffie op 27 juni 2008. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 30 september 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. De zaak werd volledig hernomen gelet op de gewijzigde samenstelling van de zetel. I. Antecedenten. 1.1. In het tussenarrest van 24 januari 2005 werden de procedurele precedenten reeds uiteengezet en werd tevens een overzicht gegeven van de relevante feiten. In dit tussenarrest werd verder reeds beslist over de exceptie van de nietigheid van de oorspronkelijke dagvaarding en over de exceptie van niet- ontvankelijkheid van de vordering. Het hoger beroep werd hierin tevens ontvankelijk verklaard. Al deze punten worden hier als volledig hernomen beschouwd. 1.2. In gezegd tussenarrest werd tenslotte Prof. Dr. Ir. Willy Geysen als deskundige aangesteld met o.m. als opdracht zijn technisch advies te geven over een aantal precieze vragen m.b.t. de schuifladder Altrex waarop appellant ten val kwam. De deskundige legde zijn verslag neer op 5 januari 2006. 1.3. Na het neerleggen van dit deskundigenverslag vraagt appellant

(1)de heer P. D. te veroordelen tot betaling van een provisie van 12.394,68 euro , op een eis geschat op 24.789,35 euro , onder voorbehoud, plus de intresten vanaf 13 mei 1994 en
(2)vooraleer verder uitspraak ten doen ten gronde een geneesheer- deskundige aan te stellen met een wel omschreven opdracht. De heer D. vraagt
(1)in hoofdorde, het bestreden vonnis te willen bevestigen en
(2)in ondergeschikte orde, Altrex te veroordelen om hem te vrijwaren. Altrex tenslotte vraagt
(1)in hoofdorde, aan Prof. Geysen een bijkomende opdracht te willen geven en
(2)in ondergeschikte orde, het hoger beroep van appellant ongegrond te verklaren en de vordering in tussenkomst en vrijwaring onontvankelijk minstens ongegrond. II. Beoordeling. 1.
  1. Stelling van de deskundige: 2.1.1.De deskundige kwam tot hierna volgende definitieve besluiten: "
  2. Wij hebben het onderzoek ter plaatse van de kwestieuze woning te Zaventem, Schierstraat 8, niet kunnen uitvoeren omdat de kwestieuze woning door dr. P. D. inmiddels verkocht werd en de nieuwe eigenaar geen partij inzake is. 2.Wij hebben de plaatselijke situatie niet de visu kunnen beschrijven en zijn dus aangewezen op de documenten die ons werden medegedeeld, vermits ook van de plaats van het gebeuren op het ogenblik van het ongeval of onmiddellijk nadien geen foto's noch getuigen voorhanden zijn. 3.Wij beoordelen de beschrijving vanuit de diverse documenten, evenwel derwijze samenhangend dat het ongeval zich kan hebben voorgedaan zoals de heer R. G. zulks beschrijft: de zoldertrapladder werd gebruikt als opsteekladder en bij het afdalen is de rechterstijl onderaan plots naar binnen geplooid toen de heer R. G. - volgens zijn verklaring - zich op de derde laatste sport bevond. De ladder is naar alle waarschijnlijkheid scheef gezakt (maar mogelijkerwijze blijven staat tegen de wanden van de zolderopening alhoewel het niet onmogelijk is dat door het inplooien de rechter stijl aan de onderzijde de positioneerpen uit de opening van de positioneerder geschoten is en dus de ladder uiteengevallen is). De heer R. G. is volgens zijn verklaring gevallen. In ieder geval bevinden zich in het dossier geneeskundige stukken die de gevolgen van een dergelijke val kunnen verklaren. 4.... 5.Op het ogenblik van de feiten werd de kwestieuze ladder gebruikt als een opsteekladder met het smalste deel aan de onderzijde en het breedste deel uitgeschoven. Deze toestand is niet normaal voor een opsteekladder maar wel normaal voor een zoldertrapladder. 6.De ladder was geconcipieerd om aan de bovenkant te worden vastgemaakt tegen de zijkanten van een zoldertrapgat. 7.De ladder was geconcipieerd om normalerwijze ingeschoven te worden na gebruik en was in normale omstandigheden steeds vast gemonteerd aan het zoldertrapgat. 8.De omstandigheid dat de ladder niet vastgemaakt stond, heeft in ieder geval tot de gevolgen van het ongeval bijgedragen, omdat daardoor bij inplooien van de rechterstijl aan de onderzijde, de ladder kon scheefzakken of zelfs vallen.
  3. De omstandigheid dat de ladder niet vastgemaakt stond, kan bijgedragen hebben tot het ongeval zelf omwille van een verstoorde krachtenverdeling (geen vaste punten bovenaan) en een asymmetrische lastverdeling op de ladderstijlen. 10.Het plooien naar binnen van de verticale rechter stijl van de ladder is in ieder geval te wijten aan een abnormaal gedrag, zoals trouwens blijkt uit de testen over de normconformiteit. De ladder heeft niet die veiligheid geboden die een modale gebruiker geacht mag worden ervan te verwachten. 11.De oorzaken van voormeld abnormaal gedrag schuilt voornamelijk in het gebruik niet als zoldertrapladder maar als opsteekladder, alhoewel onmiddellijk dient te worden toegevoegd dat ook als zoldertrapladder de normconformiteit niet gegeven was, ondanks de tegengestelde vermelding op de folder. 12.Het plooien van de stijl van de kwestieuze ladder kan niet het gevolg zijn van het vallen van de ladder post - accidenteel. 13.Het gebruik van de zoldertrapladder als opsteekladder dient te worden omschreven als een " foreseeable misuse " in hoofde van iedere modale gebruiker. Het plooien van de onderzijde van de rechterstijl van de kwestieuze ladder kan in hoofde van een modale gebruiker niet als redelijk voorzienbaar bestempeld worden. " 1.
  4. Stelling van de partijen: 2.2.
  5. Volgens de heer G. was de kwestieuze ladder behept met een gebrek (= artikel 1384, lid 1 B.W.) minstens zou hij vanwege de heer D. verkeerde instructies hebben gekregen i.v.m. het gebruik van de ladder (= 1382 e.v. B.W.). 2.2.
  6. De heer D. houdt voor dat de feiten, zoals uiteengezet door de heer G., niet bewezen zijn en dat het ongeval gebeurde doordat betrokkene de ladder op een verkeerde wijze gebruikt heeft of doordat hij een misstap deed (= is gevallen van de trap door een eigen onvoorzichtigheid). Ondergeschikt stelt hij een vordering in vrijwaring in tegen Altrex gestoeld op enerzijds de artikelen 1382 e.v. B.W. (= schending van de algemene zorgvuldigheidsplicht door het afleveren van een product dat niet norm - conform is en door de forseeable misuse van de ladder niet verhinderd te hebben) en anderzijds op artikel 1641 B.W. (= aansprakelijkheid van de verkoper voor verborgen gebreken). 2.2.
  7. Altrex tenslotte vraagt in hoofdorde de deskundige te belasten met een bijkomend onderzoek gezien zij, na het neerleggen van het deskundigenverslag, in het bezit is gekomen van een eenzijdig verslag van het expertisebureau Toplis & Harding van 23 september 1994 waarin tot het besluit gekomen wordt dat de oorzaak van het ongeval gelegen is in een verkeerd gebruik en/of verkeerde montage van de trap en niet in een technisch mankement. In ondergeschikte orde houdt zij voor niet geweten te hebben dat de kwestieuze trap gebruikt werd als opsteekladder en niet als zoldertrapladder, niet bewezen is dat de ladder - of deze nu als opsteekladder dan wel als zoldertrapladder wordt gebruikt - niet normconform was, niet bewezen is dat het vermeende gebrek reeds in kiem aanwezig was bij de verkoop ervan, haar geen enkele inbreuk kan verweten worden op de algemene zorgvuldigheidsnorm minstens het oorzakelijk verband niet bewezen is tussen de fout en de schade. 1.
  8. Wat de vordering van de heer G. (= appellant) betreft in zoverre gericht tegen de heer D. (= eerste geïntimeerde): 2.3.1.Deze vordering is gesteund op artikel 1384, lid 1 B.W en 1382 e.v. B.W. Artikel 1384, lid 1 B.W. bepaalt dat iemand aansprakelijk is niet alleen voor de schade veroorzaakt door eigen daad maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan of voor zaken die men onder zijn bewaring heeft. Deze wetsbepaling schept een vermoeden van aansprakelijkheid. Om iemand op grond van artikel 1384, lid 1 B.W. tot schadeloosstelling te veroordelen, moet vaststaan dat de zaak aangetast is door een gebrek waardoor het slachtoffer schade lijdt. Een zaak is gebrekkig, indien zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken. Het bewijs van het bestaan van een gebrek kan rechtstreeks gebeuren, waarbij het slachtoffer alle middelen van recht kan aanwenden, getuigen en vermoedens inbegrepen of onrechtstreeks, in welk geval het slachtoffer moet aantonen dat de schade zich niet zou hebben voorgedaan indien de zaak niet door een gebrek was aangetast. 2.3.
  9. Er kan geen betwisting bestaan over het feit dat de heer D., als eigenaar van litigieuze ladder, er tevens de bewaarder van was. 2.3.
  10. De gerechtelijke deskundige stelt in zijn verslag dat omwille van het gebrek aan normconformiteit van de kwestieuze ladder zowel als zoldertrapladder en zeker als opsteekladder de primaire technische aansprakelijkheid voor het ongevalgebeuren met zekerheid ligt bij de constructeur van de ladder, de N.V. Altrex. Hierbij valt op dat de deskundige zich voornamelijk steunt op normen die van kracht werden in de loop van 1992 en 1993 terwijl de heer G. steeds verklaard heeft de kwestieuze ladder aangekocht te hebben in de jaren
  11. M.b.t. deze problematiek heeft de deskundige aan Altrex overigens een aantal precieze vragen gesteld zoals: mededeling van het origineel van de folder (waarvan enkel een fotocopie werd overgemaakt), mededeling van de gebruikershandleiding en van de stuklijst van de verpakking waarin de ladder werd geleverd (in origineel), wanneer de kwestieuze ladder geproduceerd en geleverd werd aan de firma Makro, vanaf welke datum en eventueel tot welke datum dit laddertype geproduceerd werd en zo mogelijk volgens welke technische norm(en), of een constructiedossier beschikbaar was alsmede een typekeuringsverslag. Hierop kwam enkel als antwoord dat de ladders in kwestie verkocht werden aan de Makro tot in december
  12. Niettegenstaande de gerechtelijke deskundige hierna tot de conclusie kwam dat het nochtans van groot belang was deze gegevens te kennen, omdat de raadsman van dr. P. D. voorhield ter gelegenheid van de installatievergadering, daarin bijgetreden door de raadsman van de n.v. Altrex, dat de kwestieuze ladder door dr. P. D. bij Makro was aangekocht circa 10 jaar vóór het ongeval dus ergens in 1984, zal hij niettemin zijn verder onderzoek toespitsen op normen van toepassing sedert 1992 en
  13. De deskundige zal bovendien verder in zijn verslag ook nog stellen: Wij tasten dus volledig in het duister zowel over de productiedatum van de kwestieuze ladder door de n.v. Altrex (in ieder geval vóór 1996 volgens de enige mededeling van de n.v. Altrex) als over de verkoopdatum van de kwestieuze ladder door de n.v. Altrex aan de n.v. Makro, als over de aankoopdatum van de kwestieuze ladder door dr. P. D. bij de n.v. Makro. Het deskundigenverslag is op dit punt bijgevolg tegenstrijdig. Uit de premisse dat geen afdoende zekerheid (= wij tasten volledig in het duister...) bestaat over de juiste periode waarin de heer D. zich de kwestieuze ladder aanschafte kan niet afgeleid worden dat diezelfde ladder niet normconform was gelet op de toepasselijke normen voor ladders in 1992 en
  14. Derhalve is niet bewezen dat de kwestieuze ladder een gebrek vertoonde aan normconformiteit of deze nu gebruikt werd als een zoldertrapladder dan wel als opsteekladder. 2.3.
  15. De deskundige laat er verder geen twijfel over bestaan dat de ladder geconcipieerd was om aan de bovenkant te worden vastgemaakt tegen de zijkanten van een zoldertrapgat en om ingeschoven te worden na gebruik nog steeds vast gemonteerd zijnde aan dat zoldertrapgat (zie de punten 5 - 6 -7 -8 in punt 2.1.
  16. van huidig arrest). De heer D. heeft derhalve een zoldertrapladder gebruikt als opsteekladder. Het aan een zaak in beginsel vreemd extern element kan de zaak gebrekkig maken indien het door zijn plaatsing, ligging, toestand of eigenschappen van de zaak, waarmee het op dat ogenblik één geheel vormt, een abnormaal kenmerk verleent. De door appellant gebruikte ladder vertoonde een technisch mankement (plooide in bij het gebruik ervan). De bewaarder blijft aansprakelijk indien het gebrek veroorzaakt wordt door het gebruik dat hij van de zaak heeft gemaakt . Bijgevolg staat vast dat de desbetreffende ladder een gebrek vertoonde in de zin van artikel 1384, lid 1 B.W waarvoor de heer D. aansprakelijk is. 2.3.
  17. Het onweerlegbaar aansprakelijkheidvermoeden dat op de bewaarder rust kan enkel weerlegd worden indien de bewaarder het bewijs levert dat de schade niet te wijten is aan een gebrek in de zaak maar veroorzaakt werd door een vreemde oorzaak, namelijk toeval, overmacht, daad van een derde (zie verder punt 2.
  18. van huidig arrest) of van het slachtoffer. In deze wordt meer bepaald aan het slachtoffer verweten van die trap te zijn gevallen omwille van een eigen onvoorzichtigheid. Hierbij wordt verwezen naar de omstandigheid dat het slachtoffer de trap afdaalde met zijn handen vol gereedschap wat impliceerde dat hij zijn handen niet vrij had om zich vast te houden. De heer G. is een professioneel vakman die gewoon is trappen op en af te lopen met materiaal in zijn handen zodat dit feit op zich geen bewijs is van enige fout in zijne hoofde. De heer G. mocht er zich redelijkerwijze aan verwachten dat de door hem gebruikte trap in staat was zijn gewicht en bijhoren te dragen. Uit het deskundigenonderzoek blijkt overigens afdoend dat de val veroorzaakt werd door het plots inklappen van de trapstijl en dat de trap niet inplooide ingevolge de val. Appellant kan evenmin verweten worden de heer D. er niet op gewezen te hebben dat de trap geen opsteekladder was. Appellant mocht er redelijkerwijze van uitgaan dat de trap die hem ter beschikking werd gesteld wel degelijk als ladder kon en mocht gebruikt worden. 2.3.6 Gezien de aansprakelijkheid van de heer D. vaststaat op grond van artikel 1384, lid 1 B.W. wordt niet nader onderzocht of betrokkene tevens een fout beging in de zin van artikel 1382 e.v. B.W. gezien deze rechtsgrond geen aanleiding kan geven tot een ruimere schadeloosstelling. 1.
  19. Wat de vordering van de heer D. (= eerste geïntimeerde) betreft in zoverre gericht tegen de N.V. Altrex Belgium (= tweede geïntimeerde: 2.4.1.De heer D. vraagt dat Altrex hem zou vrijwaren ingeval van veroordeling. Deze vordering is in hoofdorde gestoeld op artikel 1625 en 1641 B.W. (= vrijwaring van de verkoper voor verborgen gebreken) en in ondergeschikte orde op artikel 1382 e.v. B.W. Hier voren werd reeds aangestipt dat het onweerlegbaar aansprakelijkheidvermoeden dat op de bewaarder rust o.a. ook kan weerlegd worden indien de bewaarder het bewijs levert dat de schade niet te wijten is aan een gebrek in de zaak maar veroorzaakt werd door o.m. een daad van een derde. 2.4.
  20. De deskundige legde de primaire technische aansprakelijkheid voor het ongeval bij Altrex enerzijds op grond van de niet - normconformiteit van de ladder. Hier voren werd reeds aangetoond dat de vaststellingen van de deskundige desbetreffend tegenstrijdig zijn en hiermede geen rekening kan gehouden worden. De deskundige zal anderzijds in dit verband ook nog stellen dat daarenboven het gebruik van de zoldertrapladder als opsteeklader voor de constructeur een " foreseeable misuse " was waarmee deze terdege rekening moest houden, verder dat de producent hen niet overtuigen dat hij bij zijn product voldoende informatie meegaf om voor een dergelijk " foreseeable misuse " te waarschuwen om tenslotte te concluderen dat het product dat hij (= Altrex) als dusdanig op de markt bracht niet die veiligheid vertoonde die een modale gebruiker daarvan mocht verwachten en als dusdanig niet op de markt mocht gebracht worden zonder bijkomende waarschuwingen. Aan het deskundigenonderzoek is de folder gevoegd houdende " Montage - en gebruiksaanwijzing driedelige zoldertrap type TTL ". Het feit dat hiervan geen origineel wordt voorgelegd - zoals ook gevraagd door de deskundige - heeft geen enkel impact op de rechtsgeldigheid van de bewijsvoering. In die folder wordt minutieus, stap voor stap, uitgelegd op welke wijze dat type van trap moet aangebracht en vastgehecht worden in de trapopening. In die folder wordt verder onderlijnd dat de zoldertrap niet zonder luik kan gebruikt worden. De montage - en gebruiksaanwijzing laat er geen enkele twijfel over bestaan dat het hier om een ladder gaat die gemonteerd moet worden op een luik die een trapopening afsluit en die geopend moet worden met een duwstok die overigens mee geleverd wordt met de trap zelf. Het is dan ook ten onrechte dat de deskundige besluit dat de producent hem niet kan overtuigen dat hij bij zijn product voldoende informatie meegaf om voor een dergelijk "foreseeable misuse" te waarschuwen. De folder is zo opgesteld dat elke redelijke persoon - zelfs een minder ervaren klusser - er niet kan aan voorbijgaan dat een dergelijke zoldertrap moet vastgehecht worden. Bijgevolg heeft Altrex geen gebrekkige zaak geleverd en kan haar geen enkele fout verweten worden, aangaande haar informatieplicht betreffende het gebruik van dat type zoldertrap. Het feit dat Altrex in dit specifieke geval niet expliciet verboden heeft om een dergelijke ladder te gebruiken als opsteekladder gaat alle redelijkheid te buiten. 2.4.
  21. Het bestreden vonnis wordt dan ook hervormd in de mate hierin de vordering in zoverre gericht tegen de heer D. ongegrond werd verklaard en de vordering in vrijwaring zonder voorwerp werd verklaard. Alle overige door partijen opgeworpen middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat. 2.4.
  22. M.b.t. de door hem opgelopen schade vraagt appellant hem een provisie toe te kennen van 12.394,68 euro plus de intresten sedert 13 mei 1994, datum van het ongeval, en vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde een geneesheer - deskundige aan te stellen. Rekening houdende met de door appellanten neergelegde stukken komt een provisie van 1.250 euro als redelijk voor plus de gerechtelijke intresten vanaf de datum van huidig arrest. Hierbij wordt akte verleend aan appellant van de raming van zijn schade op 24.789,35 euro , onder voorbehoud. Gezien het hof niet over de vereiste bekwaamheden beschikt om de medische toestand van appellant te evalueren, is het opportuun om een geneesheer - deskundige aan te stellen. Ter zitting van 30 september 2008 hebben partijen afgezien van het houden van de installatievergadering in de raadkamer van het hof. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in hierna bepaalde mate gegrond. Hervormt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre hierin de vorderingen ontvankelijk werden verklaard en de kosten werden begroot, en hervormende voor het overige, Verklaart de oorspronkelijke vordering in zoverre gericht tegen de heer D. in de volgende mate gegrond, Veroordeelt de heer D. om te betalen aan de heer G. een provisie van DUIZEND TWEEHONDERD VIJFTIG EURO (1.250 euro ), plus de gerechtelijke intresten vanaf de datum van huidig arrest. Verleend akte aan appellant van de raming van zijn schade op 24.789,35 euro , onder voorbehoud. Verklaart de vordering ingesteld door de heer D. tegen de N.V. Altrex ongegrond. Vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde, stelt als deskundige, Dr. Ann LECHAT, geneesheer, te 3150 KEERBERGEN , Haachtsebaan 150 A, (tel. 015/51.38.34 - fax 015/51.38.32)met als opdracht, na partijen te hebben gehoord en na kennisname van alle nodige en nuttige stukken en na desgevallend het advies te hebben ingewonnen van gespecialiseerde artsen: - de heer G. te onderzoeken; - de letsels te beschrijven die het slachtoffer opliep ingevolge zijn val van 13 mei 1994; - haar advies te geven over de door het slachtoffer oplopen tijdelijke arbeidsongeschiktheden en desgevallend over de percentages en duur hiervan; - advies te verstrekken of het slachtoffer een blijvende arbeidsongeschiktheid dan wel een blijvende invaliditeit opliep en desgevallend de graad hiervan bepalen; - advies te verlenen over een mogelijk door het slachtoffer opgelopen esthetische schade. Dit alles in een gemotiveerd verslag neer te leggen uiterlijk binnen de vier maanden na het aanvaarden van zijn opdracht. Tijdens de installatievergadering zal de deskundige aan partijen een raming geven van de algemene kostprijs van het deskundigenonderzoek, of minstens van de wijze waarop haar kosten en het ereloon en deze van de eventuele technische raadgevers berekend zullen worden, het bedrag van het voorschot bepalen alsmede het redelijk deel hiervan dat kan worden vrijgegeven en zal een agenda opgesteld worden waarbinnen het voorlopig verslag zal medegedeeld worden alsmede de opmerkingen van partijen. Een kopij van de ter zake ingenomen standpunten zal onverwijld medegedeeld worden aan het hof. Houdt de beslissing over de gerechtskosten aan. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 27/10/2008 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc BOES, Plaatsvervangend Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. BOES E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.