id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 25 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20081125.12 Rolnummer: 2004AR1237 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-01-16 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-02 18:23 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Taalgebruik in hoger beroep Vrije woorden: Art. 24, taalwet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken. Hoger beroep. Ontvankelijkheid. Hypothese waarbij verscheidene processtukken - verzoekschrift in hoger beroep, syntheseconcuslies - diverse passages opgesteld in het Frans, bevaten zonder weegrave van de zakelijke inhoud ervan of van een vertaling in het Nederlands, zijnde in casu de taal van de procedure. Onontvankelijkheid van het principaal hoger beroep, hetwelk echter geen invloed heeft op de ontvankelijkheid van het incidenteel beroep. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2004/AR/1237 Overheidsopdrachten - taalwet gerechtszaken INZAKE VAN : De naamloze vennootschap AERTS ALGEMENE ONDERNEMINGEN, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2500 LIER, Paaiestraat 9, ingeschreven in het handelsregister van Mechelen onder het nummer 25.712, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0403.868.408, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 7 mei 2002, vertegenwoordigd door Meester Karine TURKRY loco Meester Dirk BEYENS, advocaat te 2610 WILRIJK, Jules Moretuslei 374-376, 1ste kamer TEGEN : De VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 19, in rechten getreden van de Belgische Staat bij Wet van 16 januari 1989, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Christophe COEN, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 A,
- De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 7 mei
- Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 14 mei
- Het hoger beroep is tijdig ingesteld. ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS verklaart op de zitting van 21 oktober 2008 dat de syntheseconclusie met bijlagen neergelegd op 20 juni 2007 een vervangende conclusie is. De VLAAMSE GEMEENSCHAP vraagt de wering uit de debatten van de pleitnota van ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS, die haar op 17 oktober 2008 werd meegedeeld. De neerlegging van de pleitnota strekt er inderdaad toe de termijnen bepaald overeenkomstig artikel 747 en 748 van het Gerechtelijk Wetboek te miskennen; het hof weert de pleitnota uit de debatten.
- De feiten en de vorderingen Het hof verwijst naar de correcte en volledige uiteenzetting van de feiten en vorderingen door de eerste rechter. De zaak vindt haar oorsprong in de uitvoering van een overheidsopdracht gegund door de BELGISCHE STAAT aan de PVBA ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS, met betrekking tot de oprichting van een paviljoen compact type 24/51 te Maasmechelen, Rijkslagereschool Oude Baan. De BELGISCHE STAAT is opgevolgd door de VLAAMSE GEMEENSCHAP en de PVBA is een NV geworden. De eerste rechter verklaarde de vordering van ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS gedeeltelijk ongegrond. Alvorens verder recht te spreken over de overige posten (intresten op laattijdige betalingen, schadevergoeding wegens uitstel van de werken, en de daarmee verbonden intresten, vergoeding muntontwaarding, fiscale schade en kapitalisatie) stelde hij een deskundige aan.
- De taalwet gerechtszaken Op de zitting van 21 oktober 2008 heeft het hof de partijen uitgenodigd standpunt in te nemen met betrekking tot de in het Frans gestelde passages in de procedurestukken neergelegd door ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS. ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS houdt voor dat die passages gelden ten titel van voorbeeld; de VLAAMSE GEMEENSCHAP gedraagt zich op dit punt naar de wijsheid van het hof. Het hof stelt inderdaad vast dat de procedurestukken neergelegd door ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS verschillende passages bevatten die in het Frans gesteld zijn (in de akte van hoger beroep: p. 24; in de syntheseconclusies pp. 41, 66, 132, 142-143, 149, 153,162, en Bijlage E pp 4-5 en 9). Bij geen van deze passages wordt een vertaling of de zakelijke inhoud gegeven. Naar luid van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wordt voor de rechtspleging in hoger beroep de taal gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld. Geen enkel element laat het hof toe te besluiten dat de in een andere taal gestelde passages in de akte van hoger beroep en de conclusie niet deel uitmaken van de grieven van appellante. Het hof is genoodzaakt de procedurestukken die strijdig zijn met artikel 24, nietig te verklaren met toepassing van artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. De nietigheid van de procedurestukken heeft tot gevolg dat het hoger beroep van ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS niet ontvankelijk is.
- Het incidenteel hoger beroep Dat het hoger beroep van ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS niet ontvankelijk is, is zonder invloed op de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep van de VLAAMSE GEMEENSCHAP. DE VLAAMSE GEMEENSCHAP herneemt haar middel met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering van ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS tot schadevergoeding wegens het uitstel van de werken. Zij laat gelden dat ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS heeft nagelaten om overeenkomstig artikel 16 D 2° van het Algemeen Lastenkohier haar klacht schriftelijk in te dienen ten laatste 60 kalenderdagen na de voorlopige keuring. De eerste rechter heeft evenwel terecht geoordeeld dat de brief van ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS van 20 maart 1980, dit is voor de aanvang van de werken, volstond. De klacht die wordt verstuurd voor de voorlopige keuring wordt immers verstuurd ten laatste 60 dagen na de voorlopige keuring. Dat de berekening die ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS maakte op 20 maart 1980 voor de VLAAMSE GEMEENSCHAP onvoldoende gedetailleerd was, doet daaraan niets af. De eerste rechter heeft de vordering van ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS tot de schadevergoeding wegens wanbetaling ontvankelijk maar ongegrond verklaard. Bij incidenteel hoger beroep vraagt de VLAAMSE GEMEENSCHAP de vordering niet ontvankelijk te verklaren, omdat zij niet is ingediend binnen de termijn van artikel 18 Algemeen Lastenkohier. Dit bepaalt dat iedere rechtsvordering op straffe van verval moet worden ingediend ten laatste een jaar na de voorlopige keuring van de werken. De VLAAMSE GEMEENSCHAP laat gelden dat deze vordering niet was opgenomen in de dagvaarding. De eerste rechter heeft geoordeeld dat artikel 16 D Algemeen Lastenkohier, dat bepaalt dat de aannemer, om zich te kunnen beroepen op feiten die hij aan het bestuur ten laste legt, op straffe van verval het bestuur binnen een bepaalde termijn schriftelijk moet inlichten over die feiten, niet van toepassing is in geval van te late betaling, in welk geval het bestuur dat feit uiteraard zelf kent en de mogelijke gevolgen van zijn tekortkoming moet voorzien. Dat doet echter niets af aan de termijn voor het instellen van de vordering zoals bepaald in artikel
- In deze zijn de werken beëindigd in juli 1982, en heeft ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS gedagvaard op 2 juli
- De dagvaarding maakt inderdaad geen melding van een vordering tot schadevergoeding wegens wanbetaling. ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS stelde deze vordering pas in bij conclusie van maart 2000, dit is ruim buiten de termijn van artikel
- Die vordering is vervallen en dus niet ontvankelijk. De VLAAMSE GEMEENSCHAP vraagt ten slotte de door ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS gevorderde vergoeding voor muntontwaarding niet ontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. De eerste rechter oordeelde dat dit slechts kon beslecht worden in het licht van de onderzoeksmaatregel. Ten onrechte voert de VLAAMSE GEMEENSCHAP aan dat de vordering tot vergoeding van muntontwaarding een nieuwe eis is die laattijdig is met toepassing van artikel 18 Algemeen Lastenkohier. Dit is geen vordering met een eigen voorwerp, maar een wijze van berekening van de gevraagde schadevergoedingen, en als dusdanig reeds begrepen in de vordering zelf. Met betrekking tot de grond voert de VLAAMSE GEMEENSCHAP terecht aan dat de contractuele intresten, die van toepassing zijn op de vordering van ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS, niet alleen de vertraging in de betaling vergoeden, maar ook een component bevatten die de muntontwaarding compenseert. Deze contractuele intresten zijn inderdaad verschuldigd op alle betalingen die het bestuur krachtens de aanneming verschuldigd is (zie Cass., 1 juni 1995, J.T., 1996, 282; Cass., 29 oktober 1992, Pas., 1992, I, 1225). De schadevergoeding bij vertraging in het betalen van een geldsom bestaat alleen uit moratoire intresten tegen de wettelijke rentevoet (artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek). Artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek betreft vorderingen waarvan het oorspronkelijke voorwerp de betaling is van een numerieke geldsom (Cass., 14 december 1989, R.W., 1989-90, 1358) of waarvan de nominale waarde van tevoren is bepaald bij wet of overeenkomst (Cass., 28 mei 1986, Arr. Cass, 1986-87, 1323). Bij geldschulden kan dus geen bijkomende schadevergoeding wegens vertraging toegekend worden (zie KRUITHOF, R., BOCKEN, H., DE LY F. en DE TEMMERMAN, B., 'Overzicht van rechtspraak (1981-92) verbintenissen', T.P.R., 1994, 651-657; DE TEMMERMAN, B., 'Interest bij schadevergoeding uit wanprestatie en onrechtmatige daad. Een stand van zaken, tevens aanleiding tot een kritische beschouwing over de grondslagen van het Belgische schadevergoedingsrecht', T.P.R., 1999, 1300). De in huidig geval door het VLAAMSE GEWEST eventueel verschuldigde vergoeding is een schadeloosstelling overeenkomstig artikel 16 Algemeen Lastenkohier. Deze vordering van de aannemer beoogt de betaling van de prijs van zijn prestaties zoals aangepast aan de aan het bestuur te wijten vertragingen of nadelen, en strekt dus tot rechtstreekse uitvoering van een contractuele verbintenis van het bestuur bestaande in de betaling van een bepaalde geldsom in de zin van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek. Dat de herziening van de prijs gebeurt door de rechter op basis van de in concreto beoordeling van het nadeel van de aannemer doet daaraan niet af (vgl. m.b.t. de vordering tot herziening overeenkomstig art. 16B Algemeen Lastenkohier 1964: Cass., 20 september 1985, Arr. Cass., 1985-86, 76; Cass., 28 september 1989, Arr. Cass., 1989-90, 126; m.b.t. art. 12§1 Overheidsopdrachtenwet 14 juli 1976: Cass., 12 februari 1998, Arr. Cass., 1998, 86) Het hof verklaart de vordering voor het toekennen van een vergoeding voor muntontwaarding dus ongegrond.
- De kosten De VLAAMSE GEMEENSCHAP vraagt voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het maximumbedrag. Op de zitting van 21 oktober 2008 heeft het hof ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS uitgenodigd standpunt in te nemen, maar zij verkoos dat niet te doen. De VLAAMSE GEMEENSCHAP verwijst terecht naar de complexiteit van de zaak. Het hof merkt daarbij op dat die complexiteit enkel is geschapen door ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS, die verkiest de elementen van het dossier te verdrinken in conclusies die buiten verhouding lang zijn (de syntheseconclusie in hoger beroep telt 185 +15 +3 + 2 + 4 + 4 + 7 + 4 + 2 + 13 pagina's), en geschreven zijn in een stijl die verward is en die de terughoudendheid mist die haar raadsman past. De VLAAMSE GEMEENSCHAP begroot de waarde van de vordering op meer dan 250.000 EUR. Wellicht rekent de VLAAMSE GEMEENSCHAP, ten onrechte, de gerechtelijke interesten mee in het bedrag van de vordering (artikel 557 van het Gerechtelijk Wetboek). Het hof begroot de waarde van de vordering op een bedrag tussen 100.000,00 en 250.000,00 EUR. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt het maximumbedrag dan 10.000,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS niet ontvankelijk; Het verklaart het incidenteel hoger beroep van de VLAAMSE GEMEENSCHAP ontvankelijk en gegrond als volgt: Hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de vordering tot schadevergoeding wegens wanbetaling en over de vergoeding voor muntontwaarding, en spreekt opnieuw recht als volgt: Verklaart de vordering van ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS tot schadevergoeding wegens wanbetaling niet ontvankelijk; Verklaart de vordering van ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS tot toekenning van vergoeding voor muntontwaarding ontvankelijk maar ongegrond; Veroordeelt ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van henzelf op euro 186 rolrecht, en - in hoofde van geïntimeerde op euro 10.000 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div