← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20081202.37

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 02 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20081202.37 Rolnummer: 2002AR2745 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2013-10-02 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 18:26 Fiche I. Begrip schade. Uit de huidige cassatierechtspraak moet worden afgeleid dat het verlies van een kans niet mag gebruikt worden om de onzekerheid over het causaal verband tussen de fout en de werkelijke schade te verbergen, maar niet dat deze kansvergoeding uitgesloten is. Onder een vergoeding voor culturen en opstanden dient in casu verstaan te worden: een vergoeding voor diverse bomen en struiken die op het 'onteigende' perceel stonden, de tegenwaarde van diverse afsluitingen en een poort alsmede een vergoeding voor een tuinhuis en een houten berging. II. Materiële bevoegdheid. Het vorderen van een recht van uitweg behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de Vrederechter. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Vrederechter BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Erfdienstbaarheid - Door de wet - Uitweg en overgang BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Schadebegrip BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Schadebegrip - Algemeen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Schadebegrip - Verlies van een kans Vrije woorden: I. Onrechtsmatige daad. Schade. Verlies van een kans. Vergoeding voor culturen en opstanden. II. Recht van uitweg. Materiële bevoegdheid. Exclusieve bevoegdheid van de vrederechter. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2002/AR/2745 INZAKE VAN : De STAD SCHERPENHEUVEL-ZICHEM, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3270 SCHERPENHEUVEL, August Nihoulstraat 13-15, appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 3 september 2002, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Meester Marleen BOOGAERTS, advocaat te 3271 ZICHEM, P.R. Van de Wouwerstraat 11, 1ste kamer TEGEN : 1) Mevrouw J. B., en 2) De heer J. S., haar echtgenoot, geïntimeerden, appellanten op incidenteel beroep, in persoon verschijnende, beiden vertegenwoordigd door Meester Wim MERTENS, advocaat te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5, I VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - SCHADE - VERLIES VAN EEN KANS - VERGOEDING VOOR CULTUREN EN OPSTANDEN Uit de huidige cassatierechtspraak moet worden afgeleid dat het verlies van een kans niet mag gebruikt worden om de onzekerheid over het causaal verband tussen de fout en de werkelijke schade te verbergen, maar niet dat deze kansvergoeding uitgesloten is. Onder een vergoeding voor culturen en opstanden dient in casu verstaan te worden: een vergoeding voor diverse bomen en struiken die op het "onteigende" perceel stonden, de tegenwaarde van diverse afsluitingen en een poort alsmede een vergoeding voor een tuinhuis en een houten berging. II. Het vorderen van een recht van uitweg behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de Vrederechter. __________________________________________________________ Gelet op de procedurestukken buiten deze vermeld in het tussenarrest van 19 december 2006 en 10 september 2007: • de conclusie na deskundigenverslag van appellante neergelegd ter griffie op 31 juli 2008; • de syntheseconclusie na deskundigenonderzoek van geïntimeerden, neergelegd ter griffie op 30 september 2008. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. De zaak werd, voor zoveel als nodig, volledig hernomen gelet op de gewijzigde samenstelling van de zetel. De tussenarresten van 19 december 2006 en 10 september 2007 verder uitwerkend, I. Precedenten: 1.1. In het tussenarrest van 19 december 2006, betekend op 2 maart 2007, werd reeds definitief beslist dat het onteigeningsbesluit van 4 juni 1998 onwettig was en bijgevolg geen rechtsgevolgen kan teweegbrengen. In gezegd tussenarrest werd tevens de heropening van de debatten bevolen teneinde partijen toe te laten te concluderen over de wijze van rechtsherstel ingevolge de door de Stad genomen nietige administratieve beslissing. 1.2. Bij tussenarrest van 10 september 2007 werd

(1)de Stad veroordeeld tot betaling van een provisie van 55.032,36 euro , plus de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van dat arrest en
(2)vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde, de heer Guy Michiels aangesteld als deskundige met een welbepaalde opdracht. De deskundige legde zijn verslag neer op 22 april 2008. II. Voorwerp van de vorderingen zoals thans ingesteld na het neerleggen van het deskundigenverslag: 2.1.Geïntimeerden hebben hun aanvankelijke vordering inmiddels heromschreven in het licht van de beslissingen ingenomen in voornoemde tussenarresten en de bevindingen van de gerechtelijke deskundige. Zij vragen thans meer bepaald: -
(1)de Stad te veroordelen tot het verlenen van een recht van toegang tot het perceel gekend als 1e afdeling, sectie A, 408/f bereikbaar via een personenwagen en tot plaatsing van een metalen poort, zodoende dat dit recht van toegang verder kan uitgeoefend worden via de westzijde van hun overblijvende perceel op de lijn E - F van het plan gevoegd bij het deskundigenverslag van landmeter Van Damme van 11 april 2000, dit alles binnen een termijn van 3 maanden na de betekening van het tussen te komen arrest en onder verbeurte van een dwangsom van 250 euro per dag vertraging vanaf de eerste dag volgend op het verstrijken van die termijn van 3 maanden; -
(2)de Stad te veroordelen tot betaling van een bedrag van 284.263,03 euro , plus de intresten aan 7% op 230.399,49 euro vanaf 26 januari 2000 en op 110.000 euro vanaf de datum van de uitspraak tot de datum van de algehele betaling. 2.2. De Stad vraagt in haar laatste conclusie het volgende: -
(1)bij de bepaling van het definitief aan geïntimeerden toekomende vergoeding, zich te baseren op het verslag van deskundige Michiels, hierbij rekening houdend met haar opmerkingen betreffende het door haar aangevraagde masterplan en de opmerkingen m.b.t. de doorgang; -
(2)de overige vorderingen van geïntimeerden af te wijzen als ongegrond; -
(3)de gevorderde intresten af te wijzen als ongegrond; -
(4)akte te nemen van de inmiddels door haar uitgevoerde betaling van 56.136,46 euro op 9 januari 2008; -
(5)te zeggen voor recht dat de onverschuldigd betaalde intresten t.b.v. 1.104,10 euro dienen verrekend te worden; -
(6)ondergeschikt, indien zou worden ingegaan op de vraag van geïntimeerden tot het verlenen van toegang tot het perceel sectie A 408/f en tot plaatsing van een poort, te zeggen voor recht dat hieraan kan worden voldaan door gebruik van de oude poort en alsdan bovendien haar akte van voorbehoud te willen verlenen voor het vorderen van een gepaste schadevergoeding voor het verlenen van deze toegang; alsdan bovendien uitdrukkelijk te zeggen voor recht dat zij enkel een toegang tot het gevraagde perceel kan geven zolang zij het perceel in erfpacht heeft en zolang er bovendien niet op gebouwd wordt; -
(7)de gevorderde dwangsommen af te wijzen als ongegrond. III. Beoordeling: 3.
  1. Wat de gevorderde schadevergoeding betreft: 3.1.
  2. Vergoeding voor de onwettig ingenomen grond: 3.1.1.
  3. De deskundige raamt de venale waarde van het onterecht onteigend perceel op 76.428 euro of 132 euro /m². Geïntimeerden stellen een bedrag voor van 230 euro /m² wat neerkomt op een bedrag van 133.170 euro . De stad is de mening toegedaan dat de inmiddels door haar betaalde provisie van 55.032,36 euro volstaat. 3.1.1.
  4. De deskundige ging een hele reeks vergelijkingspunten na en kwam hierna tot de conclusie dat de eenheidsprijs als bouwgrondwaarde voor de oorspronkelijke eigendom 132 euro /m² bedraagt en dat gezien de ligging van het perceel in het centrum van de stad er geen onderscheid mag gemaakt worden tussen voor en achtergrond vermits de aanpalende (ook van de stad) aangeeft dat bijna het volledige perceel had kunnen bebouwd worden. Geïntimeerden halen één ander vergelijkingspunt aan (= verkoop op 11 mei 2000 van vroeger Sarmapand) wat niet van aard is de conclusie van de deskundige te weerleggen. De deskundige heeft overigens afdoend aangetoond om welke specifieke redenen met deze welbepaalde verkoop geen rekening kon gehouden worden. Bovendien halen zij een reeks argumenten aan die niet rechtstreeks te maken hebben met de eigenlijke venale waarde van het ten onrechte onteigende perceel - zoals de grootte van het ganse perceel, de mogelijkheid om hierop een handelszaak op te richten, de mogelijkheid om het perceel vol te bouwen enz. - en die enkel in overweging te nemen zijn bij de beoordeling van de mogelijke minderwaarde die geïntimeerden zouden kunnen geleden hebben door het onterecht onteigenen van een deel van hun eigendom. De Stad herhaalt haar argumenten die zij reeds opwierp na het neerleggen van het voorlopig deskundigenverslag. De deskundige heeft deze argumenten reeds op een oordeelkundige wijze weerlegd en het hof sluit zich hierbij aan. In haar conclusie stelt de Stad bovendien dat de schatting zoals door de deskundige begroot eerder realistisch is wat inhoudt dat zij in feite deze raming niet ernstig betwist. 3.1.1.
  5. De deskundige heeft derhalve op oordeelkundige wijze de venale waarde van het ten onrechte onteigend perceel van 5a79ca bepaald op 132 euro /m², hetzij in totaal 76.428 euro . 3.1.
  6. De vergoeding voor minderwaarde (van de overblijvende delen): 3.1.2.
  7. De deskundige geeft in zijn verslag aan dat
(1)de eigendom gunstig gelegen is in het centrum met belangrijke en commerciële activiteit,
(2)de perceeloppervlakte van het oorspronkelijk perceel groot was voor het centrum van de stad en
(3)er belangrijke bouwmogelijkheden op het terrein aanwezig waren. Wat meer bepaald dit laatste punt betreft laat de deskundige gelden dat
(1)het perceel naar achter toe had kunnen bebouwd worden zoals dit bij aanpalende en naburige percelen gebeurd is en
(2)door de bijkomende toegang aan de achterzijde, en rekening houdende met een voorheen bestaande erfdienstbaarheid op het perceel, na afbraak een klein appartementsgebouw met handelsgelijkvloers had kunnen opgetrokken worden met achteraan gelegen garages. In het licht hiervan is het minder belangrijk dat de woning die op het niet ingenomen perceel staat, verouderd is en laat blijken van een intensieve bewoning. Het is immers niet de woning die ten onrechte onteigend werd maar wel een deel van de grond (= tuin). Gezien de deskundige het overigens zelf heeft over de mogelijkheid van het oprichten van een appartementsgebouw met handelsruimte en garage op het gehele perceel is de toestand van de bestaande woning nog minder relevant. 3.1.2.
  1. Bij de beoordeling van de opgelopen minderwaarde - die hij raamt op 35.000 euro - vergist de deskundige zich gezien hij deze post begroot rekening houdende met de waarde van de eigendom vóór onteigening en de waarde van het restant eigendom op dit ogenblik. De deskundige verloor, bij het geven van zijn advies over deze post, uit het oog dat de onteigening vernietigd werd en geïntimeerden recht hebben op een integrale schadeloosstelling conform de principes van artikel 1382 e.v. B.W. De redenering van geïntimeerden kan hierbij gevolgd worden. De woning van geïntimeerden staat nog op een perceel van 3a84ca daar waar dat voorheen 9a63ca was. Door de splitsing van hun perceel in twee delen is hun eigendom in zijn geheel minder aantrekkelijk geworden. Bovendien geeft de deskundige in zijn verslag aan dat het gehele perceel - zonder onwettige inname - heel wat toekomstperspectieven inhield die aanzienlijk verminderd zijn door het optreden van de stad (zie punt 3.1.2.
  2. van huidig arrest). 3.1.2.
  3. Het door geïntimeerden vooropgestelde bedrag van 40.000 euro als minderwaarde voor het overblijvend deel van hun eigendom wordt bijgevolg aanvaard als redelijk en billijk. 3.1.
  4. Morele schade: 3.1.3.
  5. Geïntimeerden vragen een vergoeding voor morele schade ten beloop van 10.000 euro . Zij voeren aan dat zij morele schade opliepen in die negenjarige gerechtelijke procedure en ook gedurende de 25 jaar die hieraan voorafgingen waarbij de Stad telkens een onteigening van hun eigendom aankondigde waardoor zij hun eigendom niet meer op een normale wijze hebben kunnen beheren. Zij werpen verder op in dit hele verhaal als burger steeds geconfronteerd te zijn geweest met een machtig bestuur geholpen door een leger ambtenaren waardoor een kennelijke ongelijkheid in de rechtsbescherming tot stand kwam. Zij wijzen erop dat, mede gelet op hun leeftijd, de gehele situatie zorgde voor een bovenmatige stress. 3.1.3.
  6. Er kan niet ontkend worden dat de onwettige inname van een deel van de eigendom van geïntimeerden en de gehele procedure die hierop volgde om één en ander ongedaan te maken - terwijl geïntimeerden inmiddels moesten vaststellen dat de stad dat deel van hun eigendom nog aanwendde om zelf uit te bouwen en zelf in gebruik te nemen i.p.v. hiervan een openbare parking te maken zoals aangekondigd - een weerslag zal gehad hebben op moreel gebied. Het door geïntimeerden gevorderde bedrag is echter overdreven en wordt in billijkheid, ex aequo et bono, geraamd op 2.500 euro . 3.1.
  7. Verlies van een kans: 3.1.4.
  8. Geïntimeerden vragen voor deze post een bedrag van 100.000 euro . Zij werpen dienaangaande op dat zij gedurende meer dan 10 jaar (= tijdens de onteigeningsprocedure) niet de mogelijkheid te hebben gehad om op speculatieve wijze hun onroerend goed te beheren, in de onmogelijkheid te zijn geweest hun eigendom aan (zeer) gunstige voorwaarden te verkopen en één en ander hen verhinderd heeft winst te halen uit hun eigendom. Zij verwijzen hierbij o.m. naar een recente aanvraag van de filiaalhouder van Argenta om hun pand te verkopen die echter afhaakte van zodra deze hoorde dat een procedure hangende was. Zij concluderen dat in deze er niet alleen een verminderd vermogen maar ook een verhinderde winst is. 3.1.4.
  9. Uit de huidige cassatierechtspraak moet worden afgeleid dat het verlies van een kans niet mag gebruikt worden om de onzekerheid over het causaal verband tussen de fout en de werkelijke schade te verbergen, maar niet dat deze kansvergoeding uitgesloten is. Er staat echter niet afdoend vast in deze zaak dat geïntimeerden, zonder de fout van de Stad, inmiddels zouden zijn overgegaan tot de verkoop van hun eigendom en derhalve speculatieve doeleinden op het oog hadden. Uit het deskundigenverslag blijkt immers dat de eigendom steeds verhuurd is geweest - wat betekent dat zij steeds de voorkeur hebben gegeven om de uitgevoerde belegging te laten renderen door huuropbrengsten - en nergens blijkt uit dat geïntimeerden ooit enig initiatief hebben ondernomen om dit goed te verkopen. Volledigheidshalve wordt hieraan toegevoegd dat het goed eerlang verhuurd is aan de Zusters Annonciaden van Huldenberg. Het is overigens ten onrechte dat geïntimeerden stellen dat zij ingevolge de onrechtmatige onteigening gedurende 8 jaar niet hebben kunnen verkopen en derhalve niet hebben kunnen genieten van de intresten voortvloeiende uit de verkoopsopbrengst. Zij zijn in deze periode - zoals weleer - immers blijven genieten van de huuropbrengsten. 3.1.4.
  10. Deze post wordt dan ook afgewezen als ongegrond. 3.1.
  11. Vergoeding voor culturen en opstanden: 3.1.5.
  12. Geïntimeerden verwijzen hierbij naar het verslag van landmeter Van Damme, aangesteld in het kader van de onteigeningsprocedure. In dat verslag is sprake van een vergoeding voor culturen en opstanden, waaronder verstaan wordt een vergoeding voor diverse bomen en struiken die op het " onteigende " perceel stonden, de tegenwaarde van diverse afsluitingen en een poort alsmede een vergoeding voor een tuinhuis en een houten berging. Deze ganse post werd door voornoemde deskundige geraamd op 310.000 BEF of 7.684,70 euro . De vrederechter kende boven op dit bedrag nog een bijkomende vergoeding toe van 18.000 BEF - bedrag dat door de herzieningsrechter dan weer niet werd toegekend - wegens verlies van het gebruik van de berging en kwam alzo tot een globale schadevergoeding van 328.500 BEF of 8.143,30 euro . Geïntimeerden nemen dit bedrag van 8.143,30 euro als uitgangspunt, voegen hieraan toe een bedrag van 750 euro voor de kosten die de aanvraag van een nieuwe stedenbouwkundige vergunning met zich zou meebrengen en actualiseren dan de totale som om te komen tot een bedrag van 11.116,63 euro . 3.1.5.
  13. Appellante zal in hoofdorde m.b.t. deze post en ook m.b.t. een aantal andere posten (zie verder) opwerpen dat bepaalde schadeposten " eigen " zijn aan een onteigeningsvergoeding en derhalve niet in aanmerking komen bij de beoordeling van de schade ontstaan ingevolge een fout overeenkomstig artikel 1382 e.v. B.W. Een dergelijke algemene stelling is onjuist. Krachtens artikel 11 G.W. (huidige artikel 16 G.W.) kan niemand van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemene nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen een "billijke" en voorafgaande schadeloosstelling. Onder "billijke" vergoeding in de zin van die grondwettelijke bepaling wordt verstaan een vergoeding waarmee een onroerend goed van dezelfde waarde kan worden gekocht als dat waarvan de onteigende wordt ontzet. Diegene wiens onroerend goed ten algemene nutte onteigend is, heeft een schuldvordering tegen die overheid die het goed onteigend heeft. Die schuldvordering heeft geen numerieke geldsom tot voorwerp maar wel een door de rechter te schatten vergoeding voor de gehele schade. De schade moet volledig vergoed worden, zoals zulks in de regel gebeurt voor contracten, misdrijven en oneigenlijke misdrijven. Het Grondwettelijk Hof heeft overigens het begrip "billijk" duidelijk geïnterpreteerd als integraal herstel van de geleden schade. " Billijk " doet bijgevolg geen afbreuk aan "schadeloosstelling" . Het benadrukt deze vereiste alleen. Het samen gebruiken van de woorden "billijke" en "schadeloosstelling " blijkt enkel bedoeld als benadrukking. 3.1.5.
  14. Uit de in het jaar 2000 opgestelde plaatsbeschrijving blijkt dat er op het ten onrechte ingenomen perceel zich inderdaad een aantal bomen en struiken bevonden alsmede een tuinhuis en berging - waarvan niet bewezen is dat zij onrechtmatig werden opgetrokken - en dat dit deel van het perceel tevens omheind was met afsluitingen. De door de eigenaars gedane kosten voor dergelijke inplantingen die hen onrechtmatig werden afgenomen, komt voor vergoeding in aanmerking. Uit de neergelegde foto's blijkt echter dat het één en ander een fel verouderde indruk maakt en aan vervanging toe was. In de gegeven omstandigheden wordt deze post - rekening houdende met de grote vetusteit van al de zaken die ervan deel uitmaken - ex aequo et bono en in alle redelijkheid begroot op 4.000 euro . 3.1.
  15. Vergoeding voor ontsluiting van de overblijvende delen: 3.1.6.
  16. Geïntimeerden houden voor dat ingevolge de onrechtmatige toe-eigening van de Stad van het achterliggende perceel zij gehouden zijn een nieuwe afsluiting (tussen de punten D-E-F en G) te plaatsen. Zij hebben het tevens over een nieuwe poort op de plaats waar ze recht van doorgang hebben of op een andere plaats waar die doorgang zou moeten verleend worden. Zij menen dat er bovendien bijkomende bomen moeten gerooid worden om meer ruimte en licht te krijgen in hun verkleinde tuin. Geïntimeerden begroten deze post op 3.659,38 euro (= offerte Jannes voor 2.927,50 euro + actualisering van dit bedrag). Ten onrechte houdt appellante voor dat dergelijke uitgave een specifieke vergoeding is in het kader van een onteigeningsprocedure en niet mag beoordeeld worden in het licht van de artikelen 1382 e.v. B.W. (zie punt 3.1.5.
  17. van huidig arrest). 3.1.6.
  18. Uit het verslag van landmeter Van Damme blijkt dat enkel een nieuwe afsluiting dient geplaatst te worden over een lengte van 22,50m (= de lijn D-E-F). De deskundige raamde deze kost op 54.000 BEF (= 22,50m x 2.400BEF/m) of 1.338,63 euro gezien moest voorzien worden in een betonnen afsluiting van 2m hoog om de resterende tuin te ontrekken aan het zicht. Gezien deze post begroot werd in april 2000, d.i. meer dan 8 jaar geleden, wordt de vergoeding thans geraamd op 1.700 euro . Wat de dubbele metalen poort betreft wordt verwezen naar punt 3.
  19. van huidig arrest. De overige door geïntimeerden gevraagde bedragen komen niet afdoend bewezen voor en worden afgewezen als ongegrond. 3.1.
  20. Wederbeleggingskosten: 3.1.7.1.Geïntimeerden houden voor dat bij onteigeningen voorzien wordt in wederbeleggingskosten en dat a fortiori een gelijkaardige vergoeding toegekend moet worden bij onwettige onteigeningen zoniet zouden zij minder krijgen bij een onwettige onteigening dan bij een wettige onteigening. Dit argument op zich gaat niet helemaal op. De billijke schadevergoeding in de zin van artikel 11 G.W. die aan de onteigende dient te worden verstrekt dient gelijk te zijn aan de waarde van het goed op de datum van het declaratief vonnis, zijnde het vonnis waarin de wettelijke vormvereisten als voldaan worden beschouwd terwijl voor het beoordelen van de schade in de zin van artikel 1382 e.v. B.W. de rechter zich moet stellen op het ogenblik van zijn uitspraak. In beide gevallen gaat het echter om een volledig herstel van de geleden schade (zie punt 3.1.5.
  21. van huidig arrest). 3.1.7.
  22. De wederbeleggingsvergoeding moet het verlies vergoeden dat het gevolg is van het verlies van de bijzondere zekerheid die verbonden is aan het bezit van een onroerend goed, meer bepaald is een vergoeding voor het verlies van de onroerende belegging die weer in geld wordt omgezet. 3.1.7.
  23. In deze zaak wordt appellante bij toepassing van artikel 1382 e.v. B.W. veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding bij equivalent gezien een herstel in natura niet aangewezen werd verklaard. Een dergelijke vergoeding moet de algehele schade dekken doch het verlies van de onroerende belegging is hiervan geen component. Dit zou immers als gevolg hebben dat wie schade veroorzaakt gehouden zou zijn tot betaling van een hogere schadevergoeding indien een herstel in natura onmogelijk blijkt te zijn. Deze post wordt dan ook afgewezen. 3.1.
  24. Wat de intresten betreft: 3.1.8.
  25. Wat de morele schade betreft vragen geïntimeerden hen gerechtelijke intresten toe te kennen vanaf de datum van huidig arrest, wat toegekend wordt. 3.1.8.
  26. Wat de overige posten betreft, vragen geïntimeerden hen intresten toe te kennen vanaf 26 januari 2000, zijnde de datum waarop de vrederechter van het kanton Diest de onteigening heeft uitgesproken. In beginsel zijn vergoedende intresten verschuldigd vanaf het ogenblik van het ontstaan van de schade waarvoor vergoeding wordt toegekend. De onteigening realiseert zich op de dag van het vonnis (= declaratief vonnis) dat de wettelijke vormvereisten als voldaan beoordeelt, datum waarop tevens de schade van de onteigening wordt veroorzaakt aan de eigenaar van het onteigende goed. Het declaratief vonnis werd in deze zaak uitgesproken op 26 januari 2000 zodat vanaf deze datum vergoedende intresten verschuldigd zijn aan de wettelijke intrestvoet op de aan geïntimeerden toekomende schadevergoeding, buiten de morele schade. Op 26 januari 2000 werden geïntimeerden immers ten onrechte onteigend waardoor de schade ontstond. De actualisering van het schadebedrag ingevolge de muntontwaarding heeft enkel tot doel aan de benadeelde een vergoeding toe te kennen die gelijkwaardig is aan die welke hij had moeten ontvangen op het ogenblik dat het recht hierop is ontstaan, terwijl vergoedende intresten ertoe strekken de schade te herstellen die voortvloeit uit de vertraging in de betaling van de schadevergoeding, wat op zichzelf een schade is, zodat er geen bezwaar is om aan de wettelijke rentevoet berekende vergoedende intresten toe te kennen op het geactualiseerde schadebedrag. 3.1.8.
  27. Appellante werpt op dat door toedoen van geïntimeerden de Deposito - en Consignatiekas pas overging tot betaling van de verschuldigde provisie op 9 januari
  28. De Stad vraagt bijgevolg de door haar betaalde intresten t.b.v. 1.104,10 euro te verrekenen met het aan geïntimeerden uiteindelijk toekomende bedrag. Nergens blijkt echter uit dat de houding van geïntimeerden enig uitstaans heeft met het feit dat de Deposito - en Consignatiekas eerst op 9 januari 2008 kon overgehaald worden tot uitbetaling over te gaan. Er is dan ook geen reden om tot enige verrekening over te gaan. 3.1.
  29. Vergoeding kosten bijstand - rechtsplegingsvergoeding - overige gerechtskosten: 3.1.9.
  30. Geïntimeerden vragen een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen van 14.000 euro , zijnde het maximumbedrag gelet op de complexiteit van de zaak, de negen jaren durende procedure die zij hebben moeten ondergaan en de financiële draagkracht van de tegenpartij. De Stad vraagt een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 3.000 euro wat voor haar het basisbedrag is dat bepaald moet worden in functie van de uiteindelijk aan geïntimeerden toegekende vergoeding. Het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding hangt echter af van het in de laatste conclusie gevorderde bedrag wat in deze zaak 284.263,03 euro in hoofdsom bedraagt. Het basisbedrag bedraagt derhalve 7.000 euro . De rechtsplegingsvergoeding wordt, in het licht van de wet van 21 april 2007, geacht een vergoeding te zijn voor de advocatenkosten van de in het gelijk gestelde partij. 3.1.9.2.Er kan niet ontkend worden dat huidige zaak een complex karakter vertoont alleen reeds omwille van het feit dat de onteigeningsbeslissing uiteindelijk onwettig diende verklaard te worden en dit nadat eerst alle fases van een onteigeningsprocedure moesten doorlopen worden. Het maximum van 14.000 euro komt in een dergelijke zaak als redelijk voor dat toekomt aan geïntimeerden als de in het gelijk gestelde partij. 3.1.9.
  31. Geïntimeerden menen dat hier bovenop appellante ook moet veroordeeld worden in de (advocaten)kosten voor de procedure gevoerd voor de Raad van State. Zij begroten deze post op 1.105,36 euro . De procedure voor de Raad van State werd niet verder gezet gezien dit volgens geïntimeerden geen nut meer had gezien ingevolge de procedure ingeleid voor de vrederechter de Raad van State verder niet meer bevoegd was. Er is dan ook geen aanleiding om deze kosten (die blijkbaar beperkt bleven tot het neerleggen van een verzoekschrift tot nietigverklaring) ten laste te leggen van appellante. 3.1.9.
  32. De kosten van betekening van het tussenarrest in deze zaak zijn wel degelijk ten laste van appellante gezien zij aanvankelijk niet berustte in deze beslissing noch tot vrijwillige uitvoering ervan wou overgaan. Geïntimeerden zijn dan ook in die omstandigheden verplicht geweest tot betekening over te gaan. 3.1.
  33. Recapitulatie: 3.1.10.
  34. De uiteindelijk aan geïntimeerden toekomende bedragen zijn de volgende: - venale waarde grond: 76.428 euro - minderwaarde: 40.000 euro - morele schade: 2.500 euro - culturen en opstanden: 4.000 euro - ontsluiting overblijvende delen: 1.700 euro ----------------------------- Totaal: 124.628,00 euro Reeds toegekende provisie: - 55.032,36 euro ----------------------------- Saldo: 69.595,64 euro 3.1.10.
  35. Op dit bedrag zijn intresten verschuldigd zoals uiteengezet in punt 3.1.
  36. van huidig arrest. 3.1.10.3.Alle overige ter zake door partijen aangevoerde middelen zijn niet dienend in het licht van wat voorafgaat. 3.
  37. Wat het recht van doorgang betreft: 3.2.
  38. Geïntimeerden vragen de Stad te veroordelen tot het verlenen van de toegang die zij hadden tot de naast gelegen percelen via een metalen poort. Zij menen dat het herstel van deze schade (= het wegnemen van deze toegang) het best kan hersteld worden via een nieuwe toegangsmogelijkheid, zijnde via de westzijde van hun perceel op de lijn E - F van het plan gevoegd bij het deskundigenverslag van landmeter Van Damme. 3.2.
  39. Desbetreffend wordt door de Stad opgeworpen - naast het middel dat het hof inzake onbevoegd is - dat de doorgang enkel gedogen werd en de doorgang plaatsvond op een eigendom van het OCMW dat bouwgrond is en waarvan de eigenaar geen partij is in het geding. Hierbij moet nog worden opgemerkt dat geïntimeerden bovendien vragen de hun destijds verleende doorgang/uitweg te verplaatsen naar een ander punt (zie hier voren). 3.2.
  40. Een dergelijke vordering komt neer op het vorderen van een recht van uitweg wat tot de exclusieve bevoegdheid behoort van de Vrederechter. Het hof is derhalve niet bevoegd rationae materiae om over een dergelijke aangelegenheid uitspraak te doen. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; De tussenarresten van 19 december 2006 en 10 september hierbij volledig hernemend en verder uitwerkend, Hervormt het bestreden vonnis behoudens in zoverre hierin de kosten begroot worden. Verklaart de vordering van geïntimeerden ontvankelijk en in hierna bepaalde mate gegrond. Verklaart het onteigeningsbesluit van 4 juni 1998 onwettig. Veroordeelt de Stad Scherpenheuvel - Zichem tot betaling van een bedrag van NEGENENZESTIGDUIZEND VIJFHONDERD VIJFENNEGENTIG EURO VIERENZESTIG CENT (69.595,64 euro ), plus de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet op het bedrag van 121.128 euro vanaf 26 januari 2000 tot de datum van huidig arrest, waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet op het bedrag van 124.628 euro , onder aftrek van de kredietintresten vanaf de betaling van de reeds toegekende provisie van 55.032,36 euro . Wijst geïntimeerden af van het meergevorderde. Veroordeelt de Stad Scherpenheuvel - Zichem in de kosten van beide aanleggen, in hoger beroep begroot - in hoofde van haarzelf op euro 14.186 (186 rolrecht + 14.000 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerden op euro 14.000 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 02/12/2008 waar aanwezig waren en zitting hielden : A. DE PREESTER, Raadsheer, E. JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, B. VERHAEREN, Plaatsvervangend Raadsheer, V. DE VIS, Griffier. V. DE VIS B. VERHAEREN E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.