← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20081202.38

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 02 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20081202.38 Rolnummer: 2004AR2038 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2013-10-02 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-07-02 18:26 Fiche I. Wat het niet-betalen van provisies door zijn ciënt betreft dient een advocaat een bijzondere voorzichtigheid aan de dag te leggen. Hij dient immers zijn cliënt uitdrukkelijk te verwittigen dat zolang de gevraagde provisie niet is betaald, hij verdere initiatieven en werkzaamheden zal schorsen, indien dit effectief zijn bedoeling is. II. Verwarringstichtende mededelingen van een advocaat aan een cliënt m.b.t. het aantekenen van een hoger beroep maken een onzorgvuldigheid uit. Een advocaat is aan het gemeen aansprakelijkheidsrecht onderworpen en het toepasselijk aansprakelijkheidscriterium is deze van de culpa levis in abstracto. III. Een advocaat mag niet tekort komen aan zijn resultaatsverbintenis om hoger beroep aan te tekenen zoals hem gevraagd werd door zijn cliënt. IV. Wanneer een advocaat na het tussengekomen vonnis verneemt dat zijn cliënt hoger beroep wenst aan te tekenen, dient hij dit aan zijn tegenstrevers mede te delen teneinde de kosten van betekening te vermijden. V. Om het nadeel te evalueren, verbonden aan het verlies van de kans om in hoger beroep een gunstiger resultaat te verkrijgen dan in eerste aanleg behoort het niet aan de rechter, die de aansprakelijkheidsvordering tegen een advocaat beoordeelt, zich te buigen over de niet-bestreden beslissing zoals tijdens de gemiste appelprocedure zou zijn gebeurd. Hij dient enkel de slaagkansen van het hoger beroep marginaal te toetsen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Rechten en plichten advocaten GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Rechten en plichten advocaten - Vertegenwoordiging GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Rechten en plichten advocaten - Ereloon GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Aansprakelijkheid advocaat Vrije woorden: Advocaat. Rechten en plichten. Inspannings- of resultaatsverbintenis. Aansprakelijkheid. Niet-tijdig instellen van een hoger beroep. Verlies van een kans: waardering van de schade. Ereloon Provisie. Gevolgen van het niet betalen van de provisie. Informatieplicht van de advocaat. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2004/AR/2038 INZAKE VAN : 1) De heer C. H., bestuurder van vennootschappen, wonende te ... 2) De B.V.B.A. BOUW EN IMMO SERVICE, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 90 DIEST, Hasseltsestraat 72, ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder het nummer 72469, appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 7 mei 2004 vertegenwoordigd door Meester Ignace VERMEERSCH, advocaat te 3500 HASSELT, Molenpoort 10/5, 1ste kamer TEGEN : De heer H. T., advocaat te geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Walter BOSMANS, advocaat te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 39-41, I. Wat het niet-betalen van provisies door zijn ciënt betreft dient een advocaat een bijzondere voorzichtigheid aan de dag te leggen. Hij dient immers zijn cliënt uitdrukkelijk te verwittigen dat zolang de gevraagde provisie niet is betaald, hij verdere initiatieven en werkzaamheden zal schorsen, indien dit effectief zijn bedoeling is. II. Verwarringstichtende mededelingen van een advocaat aan een cliënt m.b.t. het aantekenen van een hoger beroep maken een onzorgvuldigheid uit. Een advocaat is aan het gemeen aansprakelijkheidsrecht onderworpen en het toepasselijk aansprakelijkheidscriterium is deze van de culpa levis in abstracto. III. Een advocaat mag niet tekort komen aan zijn resultaatsverbintenis om hoger beroep aan te tekenen zoals hem gevraagd werd door zijn cliënt. IV. Wanneer een advocaat na het tussengekomen vonnis verneemt dat zijn cliënt hoger beroep wenst aan te tekenen, dient hij dit aan zijn tegenstrevers mede te delen teneinde de kosten van betekening te vermijden. V. Om het nadeel te evalueren, verbonden aan het verlies van de kans om in hoger beroep een gunstiger resultaat te verkrijgen dan in eerste aanleg behoort het niet aan de rechter, die de aansprakelijkheidsvordering tegen een advocaat beoordeelt, zich te buigen over de niet-bestreden beslissing zoals tijdens de gemiste appelprocedure zou zijn gebeurd. Hij dient enkel de slaagkansen van het hoger beroep marginaal te toetsen. __________________________________________________________ Gelet op de procedurestukken: • het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 7 mei 2004, beslissing die betekend werd op 4 oktober 2004; • het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 4 augustus 2004; • de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 20 september 2004; • de conclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 19 april 2005. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 28 oktober 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van appellanten - ingeleid bij P.V. van vrijwillige verschijning neergelegd op 5 september 2002 - strekte ertoe geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 8.000 euro , bij conclusie uitgebreid tot 10.000 euro , plus de gerechtelijke intresten vanaf 27 juli 2001, datum van de ingebrekestelling. 1.2. Geïntimeerde stelde een tegeneis in en vroeg de veroordeling tot betaling

(1)door eerste appellant van een bedrag van 2.120,48 euro en
(2)door tweede appellante van een bedrag van 1.358,21 euro , telkens plus de intresten vanaf 7 september 1998, datum van het beëindigen van het dossier. 1.3. De eerste rechter heeft
(1)de hoofdeis ontvankelijk doch ongegrond verklaard,
(2)de tegeneis ontvankelijk en (gedeeltelijk) gegrond verklaard en
(3)dienvolgens eerste appellant veroordeeld tot betaling van een bedrag van 2.120,48 euro en tweede appellante tot betaling van een bedrag van 1.358,21 euro , weliswaar zonder intresten. 1.4. Het hoger beroep van appellanten beoogt
(1)in hoofdorde, de toekenning te horen bekomen van hun aanvankelijke vordering en
(2)in ondergeschikte orde, alvorens recht te doen, een deskundige accountant te horen aanstellen met een wel omschreven opdracht. 1.5.Bij incidenteel beroep vordert geïntimeerde op de hem in eerste aanleg toegekende bedragen vergoedende intresten toe te kennen vanaf 7 september 1998, minstens vanaf 20 augustus 2003, datum van het instellen van de vordering in huidige procedure. II. De Feiten. 2.
  1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
  2. Samengevat komt het hierop neer dat geïntimeerde optrad als raadsman voor appellanten in een dossier HUBO SAS, waarbij zij voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 28 november 1995 gedagvaard werden wegens rouwkoop. Bij schrijven van 27 juli 2001 werd geïntimeerde door de nieuwe raadsman van appellanten geïnterpelleerd omwille van beroepsfouten die hij zou begaan hebben in voornoemd dossier en werd hij in gebreke gesteld zijn regelingsinzichten kenbaar te maken. III. Beoordeling. 3.
  3. Wat de oorspronkelijke hoofdeis betreft: 3.1.
  4. Appellanten verwijten geïntimeerde beroepsfouten te hebben begaan bij de behandeling van hun zaak, met name
(1)geen hoger beroep te hebben aangetekend niettegenstaande hun uitdrukkelijk verzoek hiertoe,
(2)hen niet ingelicht te hebben over de gevolgen van een betekening van het vonnis waartegen beroep had moeten ingesteld worden en tenslotte
(3)de instrumenterende notaris in die zaak niet in vrijwaring te hebben opgeroepen. 3.1.
  1. M.b.t. de eerste twee ingeroepen tekortkomingen (= geen hoger beroep hebben aangetekend en gebrek aan informatieplicht m.b.t. de gevolgen van een betekening van een vonnis) is het relevant de chronologie van de feiten uiteen te zetten. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 28 oktober 1997 werd eerste appellant veroordeeld tot betaling van een bedrag van 3.148,25 euro , plus de intresten en tweede appellante tot betaling van een bedrag van 4.586,03 euro , plus de intresten aan de N.V. Hubo België. Geïntimeerde ontving op 6 november 1997 een schrijven van de raadsman van Hubo houdende de afrekening overeenkomstig het tussengekomen vonnis. Hierbij werd gevraagd de verschuldigde bedragen te betalen uiterlijk op 15 november 1997 bij gebreke waarvan tot betekening en gedwongen tenuitvoerlegging zou worden overgegaan. Bij schrijven van 13 november 1997 deelde geïntimeerde het vonnis en de afrekening mede aan appellanten alsmede zijn commentaar aangaande het tussengekomen vonnis. Hij stelde o.a. in deze brief dat het tussengekomen vonnis volgens hem foutief was omdat meer toegekend werd dan gevorderd, het tussengekomen vonnis niet - uitvoerbaar was, ingeval van berusting de fondsen dienden gestort te worden op zijn rekening, vroeg hij of hij tot betekening moest overgaan van het vonnis opzichtens Sas en verzocht hij om de betaling van een aanvullende provisie van 20.000 BEF. M.b.t. die provisie vermeldt voornoemde brief tekstueel het volgende: " Mag ik u verzoeken mij in dit dossier een aanvullende provisie tbv. 20.000 Fr ter beschikking te stellen. Volledigheidshalve herinner ik eraan dat de aanvankelijke provisie van 20.000 Fr (schrijven van 10/1/96) tot op heden ook nog niet voldaan werd. Kan U in dit verband thans het nodige doen voor de regeling? " Hierop gaf eerste appellant bij fax van 21 november 1997 opdracht aan geïntimeerde om hoger beroep aan te tekenen, om eventueel - indien mogelijk of wenselijk - het vonnis te laten betekenen aan Sas en vroeg hij om een afspraak. Op 21 november 1997 werd ook een bedrag van 20.000 BEF gestort op de rekening van geïntimeerde. In een schrijven van 20 januari 1998 deelde geïntimeerde aan appellanten een kopie van de reactie van de tegenpartij mede met de herwerkte afrekening en meldde hij dat het vonnis eerstdaags zou betekend worden. In deze brief staat verder te lezen : " Ik verwijs naar mijn laatste schrijven van 13 november
  2. Vooraleer hoger beroep aan te tekenen zou ik u dank weten mij de provisie van 20.000 BEF (zie schrijven van 10/1/96) te regelen. U zal er wel rekening mee willen houden dat de rolrechten in hoger beroep de som van 7.500 Fr zullen belopen. " Het vonnis werd aan appellanten betekend op 24 februari 1998 en een bevel tot betaling volgde op 28 april
  3. Op 4 mei 1998 maakte eerste appellant het bevel tot betaling over aan geïntimeerde met de mededeling dat in deze zaak hoger beroep diende aangetekend te worden zoals gevraagd in de fax van 21 november 1997 en dit blijkbaar, volgens de deurwaarder, niet was gebeurd. Bij schrijven van 6 mei 1998 deelde geïntimeerde aan appellanten mede dat de beroepstermijn verstreken was en herinnerde hij appellanten aan zijn schrijven van 20 januari 1998 waarin om een provisie werd gevraagd van 20.000 BEF vooraleer hoger beroep werd aangetekend. 3.1.
  4. Geïntimeerde betwist een beroepsfout te hebben begaan door in deze omstandigheden geen hoger beroep te hebben aangetekend. Hij werpt desbetreffend op dat hij vooreerst de gevraagde provisie niet ontving en vervolgens dat appellanten hem niet verwittigden wanneer het vonnis hen betekend werd. Volgens geïntimeerde werd het bedrag van 20.000 BEF, door appellanten betaald op 21 november 1997, aangerekend op de oudste schuld, zijnde de provisie gevraagd bij brief van 10 januari 1996 en werd er op 13 november 1997 om de betaling van een bijkomende provisie gevraagd vooraleer hoger beroep zou worden aangetekend, provisie die echter nooit betaald werd. Deze redenering werd ook gevolgd door de eerste rechter die omtrent dit punt van oordeel was dat " waar eisers stellen dat verweerder op een cruciaal moment zijn tussenkomst staakte, de rechtbank vaststelt dat eisers eveneens op een cruciaal moment in gebreke bleven de gevraagde provisie te betalen, die immers diende om de kosten van het hoger beroep te betalen ". De eerste rechter leidde hieruit af dat geïntimeerde, in de gegeven omstandigheden, geen fout beging door geen hoger beroep aan te tekenen. Door de eerste rechter werd wel als beroepsfout aangenomen dat geïntimeerde zijn cliënten niet naar behoren had geïnformeerd over de te volgen handelwijze ingeval van betekening. 3.1.
  5. Wat het niet-betalen van provisies betreft dient een advocaat een bijzondere voorzichtigheid aan de dag te leggen. Hij dient immers zijn cliënt uitdrukkelijk te verwittigen dat zolang de gevraagde provisie niet is betaald, hij verdere initiatieven en werkzaamheden zal schorsen, indien dit effectief zijn bedoeling is. In zijn brief van 13 november 1997 staat dit nergens vermeld. Bovendien is deze brief verwarrend gezien tweemaal sprake is van een provisie van 20.000 BEF en het bijgevolg aannemelijk is dat appellanten van oordeel waren dat het om één en dezelfde provisie ging. Zij maakten overigens op 21 november 1997 wel degelijk een bedrag van 20.000 BEF over aan geïntimeerde. Na ontvangst van deze provisie en na uitdrukkelijk opdracht te hebben gekregen om hoger beroep aan te tekenen, telkens op 21 november 1997, kwam geen enkele reactie vanwege geïntimeerde. Eerst op 20 januari 1998 - d.i. 2 maanden later - kondigt geïntimeerde aan dat het vonnis eerstdaags betekend zal worden en dat vooraleer hoger beroep aan te tekenen hij hen dank zou weten hem de provisie te regelen van 20.000 BEF waarbij enkel verwezen wordt naar een schrijven van 10 januari 1996 waarin blijkbaar ook die provisie gevraagd werd (dit stuk wordt echter niet medegedeeld). Die provisie was inmiddels reeds betaald sedert november
  6. Naar de brief van 13 november 1997 wordt niet meer verwezen. Dergelijke verwarringstichtende mededelingen aan een cliënt m.b.t. het aantekenen van een hoger beroep maken een onzorgvuldigheid uit. Een advocaat is aan het gemeen aansprakelijkheidsrecht onderworpen en het toepasselijk aansprakelijkheidscriterium is deze van de culpa levis in abstracto. Geïntimeerde is derhalve tekortgekomen aan zijn resultaatsverbintenis om hoger beroep aan te tekenen zoals hem gevraagd werd door zijn cliënten. Het bestreden vonnis wordt op dit punt hervormd. 3.1.
  7. Over de gevolgen van een betekening van het bestreden vonnis staat in de onderscheiden brieven niets vermeld. Evenmin wordt de vraag gesteld om onmiddellijk verwittigd te worden ingeval van betekening. Aan de informatieplicht van de cliënt gaat een voorlichtingsplicht van de advocaat vooraf, tenzij deze laatste op grond van de bijzondere hoedanigheid van de cliënt kan aantonen dat deze als voldoende voorgelicht kan beschouwd worden. In deze zaak blijkt nergens uit dat appellanten konden of moesten weten welke de gevolgen waren van de betekening van het bestreden vonnis. Terloops wordt hieraan toegevoegd dat wanneer een advocaat na het tussengekomen vonnis verneemt dat zijn cliënt hoger beroep wenst aan te tekenen hij dit aan zijn tegenstrevers dient mede te delen teneinde de kosten van betekening te vermijden. Geïntimeerde reageerde niet eens onmiddellijk op de vraag van appellanten om hoger beroep aan te tekenen en liet de zaak op zijn beloop. In zijn brief van 20 januari 1998 - 2 maanden na zijn opdracht om hoger beroep aan te tekenen - beperkt geïntimeerde zich tot het aankondigen dat het tussengekomen vonnis eerstdaags zal betekend worden zonder meer. De eerste rechter heeft dan ook terecht beslist dat geïntimeerden tekortgekomen is aan zijn raadgevingsplicht. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd. 3.1.
  8. Wat het niet betrekken van de instrumenterende notaris in het geding betreft is niet duidelijk wat tussen partijen overeengekomen werd. Bij schrijven van 8 augustus 1996 raadde geïntimeerde weliswaar zijn cliënten aan de commandogevers en de notaris te dagvaarden in gedwongen tussenkomst en maakte hij een ontwerp van dagvaarding in die zin over. Geïntimeerde ging ook effectief over tot het dagvaarden in gedwongen tussenkomst van de commandogevers maar niet van de notaris. Uit de medegedeelde stukken blijkt niet dat appellanten uitdrukkelijk opdracht gaven ook de notaris te dagvaarden. Er bestaat derhalve onduidelijkheid over de opdracht van geïntimeerde na zijn schrijven van 8 augustus
  9. De eerste rechter merkte overigens in dit verband op dat niettegenstaande volgens hem geïntimeerde een fout beging door de notaris niet in het geding te betrekken hierdoor voor appellanten geen schade ontstond gezien een aansprakelijkheidsvordering tegen de instrumenterende notaris ook afzonderlijk kan gebeuren. Uit een schrijven van 17 juli 1998 uitgaande van de advocaat die geïntimeerde opvolgde, blijkt overigens dat dit overwogen werd. Op dit punt komt geen concrete fout voor in hoofde van geïntimeerde en het bestreden vonnis wordt op dit punt hervormd. 3.1.
  10. Om het nadeel te evalueren, verbonden aan het verlies van de kans om in hoger beroep een gunstiger resultaat te verkrijgen dan in eerste aanleg behoort het niet aan de rechter, die de aansprakelijkheidsvordering beoordeelt, zich te buigen over de niet-bestreden beslissing zoals tijdens de gemiste appelprocedure zou zijn gebeurd. Hij dient enkel de slaagkansen van het hoger beroep marginaal te toetsen. Op het eerste gezicht werden in het bewuste vonnis alleen enkele maanden meer intresten toegekend dan gevraagd. Verder werd hierin een derde partij veroordeeld om appellanten te vrijwaren. Uit de conclusie van appellanten blijkt dat deze derde partij het vonnis tevens aanvaardde en de bedragen, die inmiddels door appellanten werden betaald aan de tegenpartij conform het vonnis, renteloos aan het terugbetalen is. De schade veroorzaakt door het niet (tijdig) instellen van een hoger beroep is derhalve miniem en wordt ex aequo et bono geraamd op 1.500 euro . Een deskundigenonderzoek zou geen concrete raming opleveren, en is bijgevolg niet dienstig. Het bestreden vonnis wordt op dit punt hervormd. 3.2.Wat de oorspronkelijke tegeneis betreft (= vordering tot betaling van achterstallige erelonen): 3.2.
  11. Appellanten werpen op dat deze vordering verjaard zou zijn bij toepassing van artikel 2276 bis B.W. (= 5 jaar). Geïntimeerde maakte zijn dossier aan zijn opvolger over op 7 september 1998, wat niet betwist wordt. Op die datum beëindigde hij dan ook zijn opdracht. De vordering tot betaling van achterstallige erelonen werd ingediend bij conclusie neergelegd op 20 augustus 2003, wat tijdig is. 3.2.
  12. Het feit dat appellanten niet eerst in verzoening werden opgeroepen en niet om de toestemming van de Stafhouder werd gevraagd, beïnvloedt niet de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering. 3.2.
  13. De door geïntimeerde gevorderde bedragen worden verder niet betwist. Op deze bedragen worden moratoire intresten toegekend vanaf 20 augustus 2003 zoals hierna bepaald Het bestreden vonnis wordt dan ook enkel hervormd in zoverre op de toegekende bedragen geen intresten werden toegekend. 3.
  14. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft: 3.3.
  15. Appellanten vragen om de toekenning van het minimumbedrag omdat er geen nieuwe argumenten en/of nieuwe stukken in hoger beroep ingeroepen worden terwijl geïntimeerde de toekenning van het basisbedrag vraagt. 3.3.2.De redenen die appellanten aanhalen voor de toekenning van het minimumtarief komen niet voor in de wet van 21 april
  16. Gelet op het door appellanten gevorderde bedrag in hun laatste conclusie, zijnde 10.000 euro in hoofdsom, bedraagt het basistarief 1.100 euro . Dit bedrag komt ten belope van 2/3 toe aan appellanten als gedeeltelijk in het gelijk gestelde partijen. 3.3.3.Geïntimeerde stelde tevens een tegeneis in die zowel in eerste aanleg als in hoger beroep integraal werd toegekend in hoofdsom. In hoger beroep worden er bovendien op de toegekende bedragen tevens intresten toegekend. Gelet op de omvang van de door geïntimeerde ingestelde tegenvordering bedraagt de rechtsplegingsvergoeding in zijnen hoofde 650 euro die hem integraal toekomt. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Hervormt het bestreden vonnis, behoudens inzoverre hierin de hoofd- en tegenvordering ontvankelijk worden verklaard en de kosten begroot worden. Opnieuw recht sprekende voor het overige, Verklaart de hoofdvordering gedeeltelijk gegrond en de tegenvordering gegrond zoals hierna bepaald, Veroordeelt geïntimeerde tot betaling aan appellanten van een bedrag van DUIZEND VIJFHONDERD EURO (1.500 euro ), plus de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 5 september 2002 tot de datum van huidig arrest, waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet. Veroordeelt eerste appellant tot betaling aan geïntimeerde van een bedrag van TWEEDUIZEND HONDERD TWINTIG EURO ACHTENVEERTIG CENT (2.120,48 euro ) en tweede appellante tot betaling van een bedrag van DUIZEND DRIEHONDERD ACHTENVIJFTIG EURO EENENTWINTIG CENT (1.358,21 euro ), euro , telkens plus de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 20 augustus 2003 tot de datum van huidig arrest, waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet. Veroordeelt geïntimeerde tot 2/3 van de kosten in beide aanleggen in hoofde van appellanten en appellanten in de kosten van beide aanleggen in hoofde van geïntimeerde. Begroot de kosten van het hoger beroep, in hun geheel, - in hoofde van appellanten op 1.286 (186 rolrecht + 1.100 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 650 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 02/12/2008 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.