id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 08 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20081208.7 Rolnummer: 2003AR1965 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-23 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 18:28 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Zaken BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Gebouwen BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur - Huur onroerende goederen - Rechten en plichten huurder BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur - Huur onroerende goederen - Schade en brand Vrije woorden: Huurcontract - Brand ingevolge een ontploffing - Art. 1732 en 1735 B.W. - Art. 1733 B.W. inzake brand: geldt louter in verhouding tussen verhuurder en huurder - Art. 1733 B.W. is ook toepasselijk bij brand ingevolge een ontploffing. Lekkende gasleidingen (art. 1384, eerste lid BW. Concentionele afstand door de huurder aan diens verhaalsrechten die hij heeft op basis van de artikelen 1386, 1721 en 1724 B.W.: geldige clausule, maar restrictieve interpretatie ervan. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2003/AR/1965 INZAKE VAN : 1) Mevrouw F. H., 2) De naamloze vennootschap AXA BELGIUM, verzekeringsmaatschappij, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1060 BRUSSEL, Guldenvlieslaan 87, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 2882, appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 10 maart 1994 vertegenwoordigd door Meester Klaar MELLEN loco Meester Walter DE BRAKELEER, advocaat te 1950 KRAAINEM, Koningin Astridlaan 323, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer F. J., in zijn hoedanigheid van wettige erfgenaam van wijlen zijn vader A. J., overleden, 2) De naamloze vennootschap ALLIANZ BELGIUM, huidige benaming van de voorheen genoemde N.V. AGF BELGIUM INSURANCE, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Lakensestraat 35, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 574, voordien DE SCHELDE verzekeringsmaatschappij, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2000 ANTWERPEN, Borzestraat 10, geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Peter VANHAMEL loco Meester Marc VALVEKENS, advocaat te 1170 BRUSSEL, E. Vanbecelaerelaan 28 bus 8, 3) De heer D. V., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Geert COENE, advocaat te 1040 ETTERBEEK, Jachtlaan 132, Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (23ste kamer) na tegenspraak uitgesproken op 10 maart 1994, waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - de akte van hoger beroep bij exploten d.d. 10 en 13 juni 1994; - de conclusie van appellanten; - de conclusie, tweede aanvullende conclusie, syntheseconclusie, vervangende syntheseconclusie en nota gerechtskosten van geïntimeerden J. en N.V. Allianz Belgium; - de conclusie en syntheseconclusie van geïntimeerde V.. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 4 november 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Procedure in eerste aanleg
- De vorderingen in eerste aanleg betroffen de schadelijke gevolgen van een brand ingevolge gasontploffing die zich op 8 juli 1988 heeft voorgedaan te J. in het appartement bewoond door F. H. en verhuurd door de heer J., verzekerd bij N.V. Allianz Belgium, voorheen N.V. AGF Belgium, gelegen O.L.V. van Lourdeslaan
- Bij het schadegeval werd schade aangericht aan het gebouw, eigendom van de heer J., en aan het voertuig van de heer V. dat voor het gebouw geparkeerd stond.
- De oorspronkelijke vordering, in betaling van 66.946 BEF, plus interesten en kosten, werd ingesteld door de heer V. tegen de heer J., op grond van artikelen 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek, enerzijds, en tegen mevrouw H., op grond van art. 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, anderzijds.
- De N.V. De Schelde, thans N.V. Allianz Belgium, verzekeraar van de heer J., kwam vrijwillig tussen en vorderde, lastens mevrouw H., terugbetaling van haar uitgaven (toen 623.167 BEF) plus interesten en kosten. De heer J. stelde een tussenvordering in tegen mevrouw H. m.b.t. zijn eigen schade (296.113 BEF plus interesten en kosten).
- De N.V. AXA Belgium kwam ook vrijwillig tussen in haar hoedanigheid van verzekeraar van mevrouw H. en zij vorderde de veroordeling van de heer J. en van zijn verzekeraar tot terugbetaling van haar uitgaven (774.680 BEF in hoofdsom plus interesten en kosten).
- Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank: - de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond verklaard, in zoverre gericht tegen H., en ongegrond in zoverre gericht tegen J.; - H. veroordeeld tot betaling van 66.946 BEF + interesten en gerechtskosten aan V.; - de incidentele vordering van J. en zijn verzekeraar De Schelde ontvankelijk en gegrond verklaard; - dienvolgens H. veroordeeld tot betaling aan J. van 296.113 BEF + BTW + interesten en gerechtskosten en aan de N.V. De Schelde van 623.167 BEF + interesten en gerechtskosten; - de incidentele vordering van de N.V. Axa Belgium ontvankelijk doch ongegrond verklaard en Axa veroordeeld tot de kosten van haar vordering. II. Procedure voor het hof
- Voor het hof vragen H. en N.V. Axa Belgium het bestreden vonnis te hervormen en, opnieuw rechtsprekende, de oorspronkelijke vorderingen van V., J. en N.V. De Schelde, thans Allianz, ongegrond te verklaren en de incidentele vordering van N.V. Axa Belgium in te willigen, met veroordeling van J. en diens verzekeraar N.V. Allianz tot betaling van 774.680 BEF, plus interesten en de gerechtskosten van beide aanleggen. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.
- Geïntimeerden J. en de N.V. Allianz Belgium besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep.
- De heer V. stelt incidenteel beroep in waarbij hij vordert appellanten (H. en Axa Belgium) én geïntimeerden (J. en N.V. Allianz) in solidum te veroordelen tot betaling van het in eerste aanleg gevorderd bedrag. Het incidenteel beroep is ook ontvankelijk, wat niet betwist wordt. III. Relevante feitelijke gegevens
- De heer M. J., in wiens rechten eerste geïntimeerde, zijn zoon, thans getreden is, was eigenaar van een appartementsgebouw te J., aan de hoek van de O.L.V. van Lourdeslaan 38 en de Van Swaestraat. Het gebouw telt drie verdiepingen. Bij huurovereenkomst geregistreerd op 16 januari 1989 verhuurde hij een appartement op de eerste verdieping, vanaf 1 februari 1985; als huurder werd de heer M. K. vermeld maar de overeenkomst werd ondertekend door mevrouw F. H., echtgenote van de heer K., onder de eigenhandige melding dat zij zich akkoord verklaarde met de inhoud van het contract.
- Op 8 juli 1988, rond 00 uur 35' deed zich een ontploffing in het appartement voor, gevolgd door een brand. Op de dag der feiten was mevrouw H. niet ter plaatse aanwezig. Zij verbleef sinds een tweetal weken in het buitenland. Haar schoonzuster, mevrouw F. E., beschikte over de sleutels en kwam af en toe langs, de laatste maal op 7 juli 1988 rond 11 uur 30'. Zij had toen niets abnormaals vastgesteld. Deze dame verklaarde dat zij dacht dat haar schoonzuster gas en elektriciteit wel afgesloten had.
- Mevrouw H. verklaarde dat, voor haar vertrek, zij de gas- en de elektriciteitsaansluiting had afgesloten. Om de gas af te sluiten zou zij de kraan, achter het gasfornuis in de keuken hebben dichtgedraaid; er zou geen gas in de eerste kamer aangesloten zijn; in de derde kamer, naast de W.C., verklaarde mevrouw H. eveneens de gaskraan te hebben dichtgedraaid. In de keuken bestond een ontkoppelde waterboiler die dus buiten gebruik was. Zij gaf aan de gasteller in de kelder niet te hebben afgesloten. Mevrouw H. veronderstelde dat de ontploffing veroorzaakt kon worden door een gaslek in het naastgelegen appartement, dit is juist naast de eerste kamer die de ergst beschadigde is. Volgens mevrouw H. waren de elektriciteit- en gasinstallatie uiterst verouderd. Zij zou al meermaals maar tevergeefs hebben aangedrongen bij haar verhuurder op de uitvoering van herstelwerken (N.B. m.b.t. waterlekken).
- De heer R., huurder van het andere appartement op de eerste verdieping, bevestigde dat hij problemen had ontmoet met de gasinstallatie in zijn keuken, gelegen tegen het appartement H.. De namiddag voor de feiten had hij een gasgeur waargenomen in zijn appartement. Hij reageerde door de gaskraan van zijn appartement dicht te draaien. Volgens de betrokkene was de gasinstallatie verouderd, althans wat de gasleidingen en -aansluitingen betreft. Na de feiten zou de gasmaatschappij een lek hebben gevonden in de keuken, bij de aansluiting van de radiator. De heer R. verklaarde niet te weten of de gaslek die de ontploffing zou kunnen hebben veroorzaakt zijn oorsprong vond in zijn installatie.
- De brandweer kwam onmiddellijk na de feiten ter plaatse en het parket vorderde de heer De Herdt als deskundige. Hij stelde op 8 september 1998 zijn verslag op waarin hij de volgende vaststellingen vermeldt: · de eerste twee kamers in het appartement werden het zwaarst door de brand geteisterd; · in de eerste kamer bevindt zich geen gasradiator; · in de tweede kamer bevindt zich een gasradiator maar die is niet op het distributienet aangesloten; · de derde kamer (de living) en de gang werden minder beschadigd; · de keuken, rechts op het einde van de gang, vertoont ook schade maar in mindere mate; · de gasinstallatie in de keuken vertoont ernstige gebreken: een kraan bevindt zich aan de ingang van de keuken (was gesloten bij de aankomst van de brandweer); de leiding wordt verder ontdubbeld naar het gasfornuis en een boiler toe; de boiler was echter gedemonteerd; er bestaat wel een kraan op de leiding naar het fornuis toe (was open bij de aankomst van de brandweer) maar geen stop op de aftakkingbuis naar de boiler; · elders in het gebouw heeft de maatschappij Sibelgas een lek gevonden op de tweede verdieping en één op de eerste verdieping (appartement naast dit van H.); · de deskundige besluit dat twee ontploffingen zich praktisch gelijktijdig hebben voorgedaan, één in de eerste kamer en één in de tweede kamer; · de oorsprong van het ontploffend mengsel is volgens de deskundige niet te vinden in de keukeninstallatie: enerzijds zou er zich een ontploffing in de keuken zelf hebben voorgedaan en zou zij, anderzijds, veel vroeger zijn ontstaan; · de oorsprong zou dan te vinden zijn in de accumulatie van aardgas afkomende uit de lekken op de gasinstallaties op de verdiepingen, waarbij het gas de eerste twee kamers van het appartement H. zou bereikt hebben via de doorboringen in de wanden voor de elektrische kabels; dit leidt deskundige De Herdt af uit de identieke beschadiging ter hoogte van de doorboringen voor de elektrische leidingen, de beschadiging van de plafonds en de twee praktisch gelijktijdige ontploffingen.
- Expert Gorremans stelde in een brief van 10 september 1988 dat het schadegeval te wijten was aan een onvoorzichtigheid van mevrouw F. E., die "de gaskraan van de kookplaten bij vergissing geopend (heeft). De ontploffing volgde enige tijd na het vertrek van deze kuisvrouw en wel wegens een vonk aan de frigo." Volgens deze expert nog: "De brand is ontstaan als gevolg van een gasontploffing die zich voordeed in de keuken van kwestieuze appartement" (brief 8 oktober1988). IV. Bespreking 1°. Aansprakelijkheid van appellante
- De eerste rechter oordeelde dat appellante aansprakelijk is voor de schade op grond van artikel 1732 van het Burgerlijk Wetboek nu zij niet het bewijs levert dat de brand buiten haar schuld is ontstaan en dat zij krachtens artikel 1735 van het Burgerlijk Wetboek tevens aansprakelijk is voor de beschadigingen en verliezen die ontstaan zijn door toedoen van haar huisgenoten, in de ruimste zin van het woord.
- De eerste rechter heeft zich alleszins vergist bij de overweging dat de schoonzuster van appellante het appartement "circa 30 minuten voor het ontstaan van de ontploffing en de brand" heeft verlaten. Mevrouw F. E. heeft immers verklaard het appartement te hebben verlaten op 7 juli 1988 rond 11 uur 30' terwijl de ontploffing zich pas op 8 juli 1988 om 00 uur 35 heeft voorgedaan, anders gezegd ongeveer 13 uur (en niet 30 minuten) na het vertrek van mevrouw E.. Het wordt niet aangetoond en zelfs niet beweerd dat mevrouw E. op dit punt een valse verklaring zou hebben afgelegd.
- Geïntimeerde partijen steunen zich voornamelijk op artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens deze bepaling is de huurder aansprakelijk voor brand tenzij hij bewijst dat de brand buiten zijn schuld is ontstaan.
- Het moet vooreerst worden vastgesteld dat deze wetsbepaling geen rechtsgrond is voor het verhaal van derde geïntimeerde V.. Artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek, dat zijn grondslag vindt in de verplichting tot teruggave van het verhuurde goed, geldt immers uitsluitend in de contractuele relatie tussen verhuurder (en andere in de rechten van de verhuurder in de plaats gestelde personen) en de huurder . Derde geïntimeerde is eigenaar van een voertuig dat op de openbare weg geparkeerd stond en dat naar aanleiding van de brand beschadigd werd. Als derde schadelijder kan de heer V. zich enkel op artikel 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek steunen.
- Appellante stelt dat artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is. De schade zou immers niet door brand maar door een ontploffing zijn veroorzaakt. Uit de gegevens van het strafdossier en o.m. de verslagen van de brandweer en van deskundige De Herdt moet immers worden afgeleid dat de schade aan het appartement en de bouw het gevolg is van de brand in het appartement (en van de daaropvolgende blusoperaties). Dat de brand zelf uitgebroken is ten gevolge van een (gas)ontploffing, sluit de toepassing van artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek niet uit.
- Appellante dient dan ook te bewijzen dat de brand buiten haar schuld is ontstaan. Geïntimeerden halen ten onrechte de gebreken aan de gasinstallatie in de keuken van het appartement verhuurd aan appellante aan. Deskundige De Herdt heeft inderdaad op overtuigende wijze aangetoond dat de brand vreemd is aan dit gebrek, nl. de bijzonder gevaarlijke aansluiting van de intussen gedemonteerde waterboiler. Indien de oorsprong van de accumulatie van gas in deze gasleiding gelegen was, dan zou de ontploffing zich niet in de eerste twee kamers hebben voorgedaan maar wel in de keuken zelf, en veel vroeger na het vertrek van mevrouw E.. De stelling van expert Gorremans kan niet gevolgd worden. Deskundige De Herdt schrijft daarentegen de ontploffing toe aan de accumulatie van gas afkomstig uit de lekken op de gasinstallaties op de verdiepingen, waarbij het gas de eerste twee kamers van het appartement H. zou bereikt hebben via de doorboringen in de wanden voor de elektrische kabels. Zoals hierboven uiteengezet heeft de gasmaatschappij in het appartement van appellante zelf geen lek gevonden doch wel in het naastgelegen appartement op de eerste verdieping en op de tweede verdieping. Mevrouw H. levert in deze omstandigheden het bewijs dat de brand buiten haar schuld is ontstaan. Haar aansprakelijkheid wordt niet in het gedrang gebracht, noch wegens de gaslekken buiten haar appartement, noch wegens de infiltratie van het gas in haar appartement via de doorboringen in de wanden voor de elektrische kabels. De omstandigheid dat appellante niet zelf het appartement bewoonde op de dag van de feiten impliceert geen fout in haar hoofde. Zij had overigens de sleutels van het appartement aan haar schoonzuster toevertrouwd zodat het appartement niet onbewaakt bleef. Het verlaten van een gehuurd appartement tijdens een tweetal weken gedurende de vakantieperiode is op zich geen foutieve handelwijze in hoofde van de huurder. Een eigen fout van de schoonzuster (huisgenote) wordt niet aangetoond.
- Geïntimeerden J. en NV Allianz Belgium beroepen zich weliswaar op het beding van afstand van verhaal door de huurder tegenover de eigenaar (J.) i.v.m. de toepassing van artikelen 1386, 1721 en 1724 van het Burgerlijk Wetboek (huurcontract, artikel 7). Deze afstand betekent echter niet dat appellante niet zou kunnen aantonen dat de brand buiten haar schuld is ontstaan maar te wijten is aan een gebrek eigen aan het gebouw.
- Derde geïntimeerde stelt ten onrechte dat de schade veroorzaakt werd door een gebrek aan de gasinstallatie die appellante onder haar bewaring zou hebben. Uit wat hierboven werd uiteengezet blijkt dat de gasinstallatie in het appartement van appellante niet aan de oorsprong ligt van de schade. De oorspronkelijke vorderingen van geïntimeerden tegen appellante werden ten onrechte gegrond verklaard. Het hoger beroep is in die mate gegrond. 2° Aansprakelijkheid van de eigenaar J.
- De vordering van derde geïntimeerde tegen de heer J. en de N.V. Allianz Belgium op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, is te dezen gegrond. Het blijkt immers dat de gasinstallatie in het gebouw, meer bepaald op de eerste en de tweede verdieping, lekken vertoonde die aan de oorsprong van de schade liggen. Het gas kon doorheen de wanden naar de eerste twee kamers in het appartement van appellante terechtkomen en zich aldaar ophopen totdat het gasmengsel ontplofte. Lekkende gasleidingen in een gebouw vertonen zonder twijfel een abnormaal kenmerk waardoor schade kan worden veroorzaakt. Ze waren dus aangetast door een gebrek in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Partijen J. en AXA doen ten onrechte gelden dat de gasmaatschappij na de brand de gastellers "heropend heeft zonder enig bezwaar". Sibelgas had immers eerst de gaslekken ontdekt en hersteld. Als eigenaar van het gebouw, die zelf instond voor alle herstelwerken aan de leidingen, zoals uit de verklaringen van de inwoners blijkt, had de eigenaar de effectieve leiding en toezicht over de installatie en over de gebrekkige lekkende gasleidingen. Hij was minstens medebewaarder van de zaak die met een gebrek behept was en is op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek jegens derde geïntimeerde aansprakelijk. De oorspronkelijke vordering van de heer V. is in zover tegen de heer J. gericht gegrond. De door deze partij gevorderde schade wordt op zich niet betwist en is afdoende bewezen.
- Mevrouw H. heeft harerzijds een huurovereenkomst afgesloten waarbij zij afstand heeft gedaan van elk verhaal op grond van artikelen 1386, 1721 en 1724 van het Burgerlijk Wetboek (huurcontract, artikel 7). Het huurcontract is haar kennelijk tegenstelbaar nu zij (en niet de heer K.) het ondertekend heeft en haar handtekening heeft laten voorafgaan door de uitdrukkelijke melding dat zij zich akkoord verklaarde met de inhoud ervan. Op het ogenblik van de feiten was zij overigens met haar kinderen de enige inwoner van het appartement: de heer K. wordt niet meer als inwoner vermeld (zie strafdossier).
- Het beding vervat in artikel 7 van het huurcontract is op zich rechtsgeldig, al dient het op restrictieve wijze geïnterpreteerd te worden . N.V. AXA, die gesubrogeerd is in de rechten van mevrouw H., bewijst niet dat de heer J. het beding van afstand te kwader trouw ondertekend heeft, dit is op een ogenblik dat hij op de hoogte was van de gaslekken in het gebouw of van het feit dat het gebouw concreet een gevaar inhield. Het wordt overigens niet bewezen dat de gaslekken die aan de oorsprong van de schade liggen al ten tijde van het afsluiten van de huurovereenkomst met mevrouw H. bestonden. Verder wordt geen "erkenning van aansprakelijkheid" in hoofde van de heer J., voor zover mogelijk, door appellanten aangetoond. Zulke erkenning wordt immers niet bewezen aan de hand van de enkele brief van de maatschappij De Schelde d.d. 21 februari 1989 aan de makelaar van de heer J.. Dat de heer J. ook inwoner was in het gebouw staat geenszins vast.
- N.V. AXA beroept zich dan ten onrechte op artikelen 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek. Zij is immers gesubrogeerd in de rechten van mevrouw H. die zelf geen derde is t.a.v. de heer J. maar een partij verbonden met een huurcontract. De afstand tegen de verhuurder werd, zoals blijkt uit wat voorafgaat, op geldige wijze contractueel uitgesloten. Het hoger beroep van de N.V. AXA is ongegrond. 3°. Nopens de gerechtskosten
- Alle partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingsvergoeding te begroten op het basistarief zoals vastgesteld bij het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. De rechtsplegingsvergoeding wordt hierna begroot in functie van de in de laatste conclusie gevorderde hoofdsom en vergoedende interesten. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende na tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van eerste appellante H. ontvankelijk en in de volgende mate gegrond. Hervormt het bestreden vonnis in zover het de oorspronkelijke vorderingen tegen mevrouw H. gegrond heeft verklaard en eerste appellante veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan de heer V., aan de heer J. en aan de NV De Schelde, thans N.V. Allianz Belgium, te vermeerderen met de interesten en de gerechtskosten. Opnieuw rechtsprekend, verklaart deze vorderingen ongegrond. Verklaart het hoger beroep van tweede appellante N.V. Axa Belgium ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van de heer V. ontvankelijk en in de volgende mate gegrond. Hervormt het bestreden vonnis in zover het de vordering van de heer V. ongegrond verklaart tegen de heer J. en de N.V. De Schelde en, opnieuw recht sprekend, verklaart deze vordering gegrond. Veroordeelt de heer J. en de N.V. Allianz Belgium in solidum tot betaling aan de heer V. van DUIZEND ZESHONDERD NEGENENVIJFTIG EURO VIJFENVIJFTIG CENT (1.659,55 euro of 66.946 BEF), te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 8 juli 1988 tot 13 juni 1994 en vanaf dan met de gerechtelijke interesten, telkens aan de wettelijke intrestvoet. Veroordeelt partijen J. en N.V. Allianz in de gerechtskosten van beide aanleggen in hoofde van partijen H. en V.. Veroordeelt N.V. Axa tot haar eigen gerechtskosten. Begroot de gerechtskosten, deze van eerste aanleg zoals begroot in het vonnis a quo, en deze van het hoger beroep, - in hoofde van H. en AXA BELGIUM op euro 2.754,38 (145,56 + 136,17 + 117,08 dagvaardingen + 168,57 rolrecht 1994/AR/2114 + 186 rolrecht 2003/AR/1965 + 2.000 rechtsplegingsvergoeding), - in hoofde van J. en ALLIANZ op euro 2.000 rechtsplegingsvergoeding, - in hoofde van V. op euro 400 rechtsplegingsvergoeding; Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div