← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20081216.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 16 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20081216.5 Rolnummer: 2006AR2573 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-07 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-02 18:33 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Dieren Vrije woorden: Artikel 1385 B.W. Aansprakelijkheid voor dier. Paard. Ruitersport. Jumping. Paard bereden door ruiter X. Slag van het paard op heer Y, met fysische schade. Vordering van Y tegen ruiter X. Bewering van X dat Y zich verkeerd zou opgesteld hebben in de paddock. Weerleggingsmogelijkheden van de bewaarder van het dier inzake diens aansprakelijkheid op basis van artikel 1385 B.W.. Quid de theorie van de risico-aanvaarding? Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2006/AR/2573 Onrechtmatige daad - dier INZAKE VAN : De heer M., , appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 28 april 2006, vertegenwoordigd door Meester Caroline VANDERHOYDONCK loco Meester Bernard MAGREZ, advocaat te 1180 BRUSSEL, Winston Churchilllaan 149, 1ste kamer TEGEN : De heer U., , geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Arnaut DE SCHREYE loco Meester Nicolas VANDEBROEK, advocaat te 3000 LEUVEN, C. Meunierstraat 111,

  1. De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 28 april
  2. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. M. heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 20 oktober
  3. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
  4. De feiten en de vordering Geïntimeerde U. was op 23 mei 1999 te Kampenhout slachtoffer van een incident met een paard, bereden door appellant M.. Tijdens een jumping van de rijvereniging N. kreeg U. een slag van het paard, met een fractuur aan de linkervoet tot gevolg. Voor de eerste rechter vorderde U. de veroordeling van M. tot de betaling aan hem van 4.796,71 euro , plus de vergoedende intresten vanaf de gemiddelde datum en de gerechtelijke intresten en de kosten. M. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. De eerste rechter verklaarde de vordering van U. gedeeltelijk gegrond en veroordeelde M. tot betaling aan U. van 4.178,96 EUR, plus de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet op 52,06 EUR 42,50 EUR en 65 EUR vanaf 10 augustus 1999, de vergoedende intresten aan 5% per jaar op 2.500 EUR vanaf 15 juni 1999, 981,25 EUR vanaf 28 juli 1999, 243,77 EUR en 294,38 EUR vanaf 12 augustus 1999 tot op de datum van het tussengekomen vonnis, waarna de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet op 4.178,96 EUR. In hoger beroep herneemt M. zijn verweer tegen de oorspronkelijke vordering. Hij vraagt U. te veroordelen tot terugbetaling van het gekantonneerde, plus de kosten en de intresten. Ondergeschikt vraagt hij de vordering met betrekking tot het inkomensverlies, het economisch verlies en de morele schade niet ontvankelijk te verklaren. M. concludeert tot de niet-ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep. U. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep herneemt hij ongeveer zijn oorspronkelijke vordering, nu voor in hoofdsom 4.678,96 EUR.
  5. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 3.
  6. De ontvankelijkheid van het hoger beroep M. concludeert tot de niet-ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep, maar ontwikkelt geen middel dat daartoe strekt. Het hof ziet er geen dat ambtshalve aan te voeren is. 3.
  7. De grond van het hoger beroep 3.2.
  8. De ontvankelijkheid van de vordering M. vraagt de vordering van U. met betrekking tot het inkomensverlies, het economisch verlies en de morele schade niet ontvankelijk te verklaren. Hij voert aan dat U. die posten niet bewijst. Dat middel heeft niet betrekking op de ontvankelijkheid, maar op de grond van de vordering. 3.2.
  9. De grond van de vordering U. steunt zijn vordering op artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek. Dat bepaalt dat de eigenaar van een dier, of, terwijl hij het in gebruik heeft, degene die zich ervan bedient, aansprakelijk is voor de schade die door het dier is veroorzaakt, hetzij het onder zijn bewaring stond, dan wel verdwaald of ontsnapt was. U. betwist niet dat hij de bewaarder was van het paard op het ogenblik van het ongeval. Het vermoeden van schuld aan de schade door het dier uit artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek is onweerlegbaar. De bewaarder van het dier kan zich echter van zijn aansprakelijkheid bevrijden bij gebrek aan oorzakelijk verband, dat wil zeggen als het gedrag van het dier niet abnormaal of onvoorzienbaar is en de schade veroorzaakt werd door het slachtoffer, waardoor elke fout van de eigenaar of de bewaarder als oorzaak van de zaak wordt uitgesloten, of wanneer een derde een fout heeft begaan die aanleiding gaf tot de gedraging van het dier en waardoor niet de gedraging, maar elke fout van de eigenaar of de bewaarder als oorzaak van de schade wordt uitgeschakeld. M. verwijt U., het slachtoffer, een fout te hebben begaan door zich verkeerd te hebben opgesteld in de paddock. U. zou te dicht bij de inloopcirkel hebben gestaan waarin hijzelf zich aan het opwarmen was, en zou daardoor de reactie van het paard van M. hebben uitgelokt. M. levert nochtans niet het bewijs dat U. een plaats had ingenomen of zelf met zijn paard had gemanoeuvreerd op een wijze die niet verzoenbaar is met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon in dezelfde omstandigheden. Dat blijkt ook niet uit de verklaring van de getuige, mevrouw Artois. Het blijkt ook niet dat U. een inbreuk heeft gemaakt op de reglementen van de jumping die golden op het ogenblik van het ongeval. M. verwijst nog naar de aanvaarding van risico door U., maar risicoaanvaarding is naar geldend recht geen zelfstandige rechtsfiguur die het verband tussen de gedraging van het dier en de schade verbreekt. Ten overvloede: het deelnemen aan ruitersport is op zich niet een fout in de zin van artikel 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek. De eerste rechter heeft de schadeposten correct beoordeeld, en het hof verwijst naar zijn motivering, die het beschouwt als hier herhaald. U. is zelfstandig hoefsmid, en zijn inkomstenverlies kan niet anders dan in billijkheid bepaald worden (wat hij zou hebben verdiend zonder het ongeval kan niet met zekerheid vastgesteld worden); de eerste rechter heeft dit terecht geschat op 2.500,00 EUR. M. verwerpt de vordering met betrekking tot morele schade op grond van de overweging dat U. al na een week een loopgips kreeg. Dat is geen ernstig antwoord op het uitdrukkelijke en precieze attest van Dr. Aertgeerts, wiens percentages met betrekking tot arbeidsongeschiktheid U. zonder meer overneemt. Het vereist weinig inzicht in de paardensportsector om te begrijpen dat een hoefsmid met een loopgips niet geheel arbeidsgeschikt is. Anders dan M. verdedigt, dekt de vergoeding economisch verlies huishouden niet dezelfde schade als de vergoeding inkomstenverlies.
  10. De kosten Partijen verklaren ter zitting dat zij voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing vragen van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering 900,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van M. en het incidenteel hoger beroep van U. ontvankelijk maar ongegrond. Veroordeelt M. tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van appellant op euro 1.086 (186 rolrecht + 900 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 900 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.