id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 17 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20081217.2 Rolnummer: 2008PF3 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2008-12-30 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-07-02 18:33 Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Algemeen (bevoegdheid - rechtspleging - rechtsmiddelen strafgerechten) STRAFRECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (STRAFZAKEN) - Voorrecht rechtsmacht Vrije woorden: Artikel 479 Sv. Plaatsvervangende rechter in de arbeidsrechtbank. Inbreuken op de wetgeving inzake de politie van het wegverkeer. Voorrecht van rechtsmacht. Wie mag de strafvervolging instellen. Quid de slachtoffers? Tekst van de beslissing Nr. van het arrest: 25.11.08 vu.17.12.08 CORR. Folio: Nr. van het parket: 3PF 08 Nr. der griffie: 2008 BC 1275 A R R E S T Het hof van beroep te Brussel, eerste kamer, zitting houdend in strafzaken, wijst het volgende arrest : In zake van het openbaar ministerie tegen: beklaagde, vertegenwoordigd door mr. Luc Breways, advocaat bij de balie van Brussel, beschuldigd van: A. te Groot-Bijgaarden op 02/11/07, op een openbare plaats een voertuig te hebben bestuurd of een rijdier te hebben geleid, of een bestuurder te hebben begeleid met het oog op de scholing, terwijl de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 gram per liter uitgeademde alveolaire lucht heeft gemeten of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van tenminste 0,8 gram per liter bloed heeft aangegeven, terwijl het misdrijf aan zijn persoonlijk toedoen te wijten is (art. 34 par 3.1°, art. 38 par 1.1° van de wet betreffende de politie over het wegverkeer KB tot coördinatie van 16/03/68 gewijzigd bij wet van 18/07/90), nl. 0,90 mg/liter; B. te Anderlecht op 06/02/08, op een openbare plaats een voertuig te hebben bestuurd of een rijdier te hebben geleid, of een bestuurder te hebben begeleid met het oog op de scholing, terwijl hij in staat van dronkenschap verkeerde of in een soortgelijke staat onder meer ten gevolge van het gebruik van drugs of geneesmiddelen (art. 35 en art. 38 par 1.1 Wet betreffende de politie over het wegverkeer - K.B. 16/03/68); C. te Dilbeek op 01/04/08 op een openbare plaats een voertuig te hebben bestuurd of een rijdier te hebben geleid, of een bestuurder te hebben begeleid met het oog op de scholing, terwijl de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 gram per liter uitgeademde alveolaire lucht heeft gemeten of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van tenminste 0,8 gram per liter bloed heeft aangegeven, terwijl het misdrijf aan zijn persoonlijk toedoen te wijten is (art. 34 par 3.1°, art. 38 par 1.1° van de wet betreffende de politie over het wegverkeer KB tot coördinatie van 16/03/68 gewijzigd bij wet van 18/07/90), nl. 1,03 mg/liter; D. te Dilbeek op 01/04/08, op een openbare plaats een voertuig te hebben bestuurd of een rijdier te hebben geleid, of een bestuurder te hebben begeleid met het oog op de scholing, terwijl hij in staat van dronkenschap verkeerde of in een soortgelijke staat onder meer ten gevolge van het gebruik van drugs of geneesmiddelen (art. 35 en art. 38 par 1.1 Wet betreffende de politie over het wegverkeer - K.B. 16/03/68); * Gezien de stukken van de vervolging. Gehoord het verslag van de voorzitter. Gehoord de vordering van het openbaar ministerie. Gehoord de beklaagde voor wie pleitte mr. Luc Breways, advocaat bij de balie van Brussel. * Beklaagde was op het ogenblik van de feiten plaatsvervangend rechter in de .... te Brussel. Plaatsvervangende rechters hebben hetzelfde voorrecht van rechtsmacht als de magistraten opgesomd in voormeld artikel 479 Sv. Artikel 479 Sv. voorziet dat, wanneer een van de geviseerde magistraten ervan beschuldigd wordt buiten zijn ambt een misdrijf te hebben gepleegd dat een correctionele straf meebrengt, de procureur-generaal bij het hof van beroep hem laat dagvaarden voor dat hof, dat uitspraak doet, zonder dat beroep kan worden ingesteld. Uit deze bepaling wordt afgeleid dat uitsluitend de procureur-generaal het recht heeft om de strafvordering in te stellen ten aanzien van personen die een voorrecht van rechtsmacht genieten (zie over dit alles: Strafrecht voor rechtspractici IV, R. VERSTRAETEN, Voorrecht van rechtsmacht, p.110; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, ed. 2007, n° 1296 e.v., inzonderheid nr. 1300; Cass. 1 april 1996, Pas., 1996, I, nr. 108, met conclusie van advocaat generaal LIEKENDAEL). In een arrest van 9 januari 1991 (R.D.P. 1991, p. 399) heeft het Hof van Cassatie duidelijk gesteld dat het recht om de publieke vordering in te stellen ontnomen is aan de slachtoffers en aan elke andere gerechtelijke of administratieve overheid dan de procureur-generaal. Te dezen moet worden vastgesteld dat geen, op initiatief van de procureur-generaal, regelmatig betekende dagvaarding voorligt en dat de beklaagde ter zitting van het hof vrijwillig is verschenen "om zijn verdediging voor te dragen nopens de tenlasteleggingen opgenomen in het ontwerp van dagvaarding van 23 oktober 2008". Dergelijke vrijwillige verschijning van een beklaagde moet worden beschouwd als een vorm van aanhangig maken van de zaak. Gelet op de zeer strikte regeling voor het aanhangig maken van de strafvordering lastens personen die genieten van het voorrecht van rechtsmacht is het niet voor de hand liggend dat het probleem van het ontbreken van een rechtsgeldig betekende dagvaarding te dezen kan/mag worden ondervangen door een vrijwillige verschijning van de beklaagde nu dergelijke beklaagde onder meer geen keuzerecht heeft betreffende het al dan niet instellen van de strafvordering door de procureur-generaal en evenmin de rechtsmacht kan kiezen die hij zijn probleem wil zien behandelen. Gezien het hof eventueel gehouden is ambtshalve een middel van onontvankelijkheid van de strafvordering aan te voeren behoort het, met het oog op een goede rechtsbedeling, de heropening van de debatten te bevelen teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen. OM DEZE REDENEN, HET HOF, RECHTSPREKEND NA TEGENSPRAAK: Gezien de hierna aangehaalde wetsbepalingen, namelijk de artikelen: 479 en 483 van het Strafwetboek; 147.185.190.195.210.211 van het Wetboek van Strafvordering; 11, 12, 16, 24, 31 tot 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; 15 van de Wet van 1 juni 1849. Alvorens verder recht te doen: Heropent de debatten. Stelt de zaak voor verdere behandeling uit op de zitting van 24 februari 2009 teneinde partijen de mogelijkheid te geven standpunt in te nemen nopens het hiervoor gestelde probleem. De kosten worden aangehouden. Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting op 17 december 2008, waar aanwezig waren de heren: A. Boyen raadsheer dd. voorzitter G. De Coninck en P. Hartoch raadsheren R. Ruys advocaat-generaal D. De Coster griffier ( goedgekeurd de doorhaling van lijn(en) en woord(en) D. De Coster P. Hartoch G. De Coninck A. Boyen Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.