id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 22 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20081222.2 Rolnummer: 2006AR1805 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-12-30 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-02 18:36 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Uitvoerend beslag - Uitvoerend beslag op onroerend goed - Algemeen BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Vruchtgebruik - Einde BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling - Uit onverdeeldheidtreding Vrije woorden: Artikel 617 B.W. Einde van een medevruchtgebruik ingevolge overlijden van een medevruchtgebruiker. Lot van een medevruchtgebruik? Aanwas bij de langstlevende der beide medevruchtgebruikers, of aangroei t.v.v. de blote eigenaar. Hypothese van aankoop van vruchtgebruik door A en B, en van blote eigendom door C. Overlijden van A. Schuldeiser van C wil beslag leggen. Onroerend beslag. Quid toepassing van artikel 1561 Ger. W.? Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2006/AR/1805 Onverdeeldheid - onverdeeld vruchtgebruik - overlijden vruchtgebruiker INZAKE VAN : Mevrouw V H, wonende te , appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 4 april 2006, vertegenwoordigd door Meester Anja BUEKENHOUDT loco Meester Brigitta VERHAEREN, advocaat te 1820 STEENOKKERZEEL, Braambos 4, 1ste kamer TEGEN : De naamloze vennootschap P.S., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Alexis LEFEVRE loco Meester Yves NELISSEN GRADE, advocaat te 3001 HEVERLEE, Ubicenter, Philipssite 5, 2de verdieping,
- De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 4 april
- De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Appellante heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 30 juni
- Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
- De feiten Het hof verwijst naar de correcte en volledige uiteenzetting van de feiten door de eerste rechter.
- Het onderwerp van de vordering De eerste rechter verklaarde de vordering van geïntimeerde gedeeltelijk gegrond en beval de verdeling van de eigendom van het onroerend goed te X. gekadastreerd als sectie D nr. 29 E2 voor 2are, verwees partijen naar notaris Dubaere te 1090 Brussel en wees notaris Depuyt te 1080 Brussel aan als tweede notaris, en zegde dat het deel dat M B. toebehoort of de sommen die hem zouden worden uitbetaald zullen aangewend worden tot betaling van de schuldvordering van geïntimeerde, volgens de rang der schuldvorderingen op het ogenblik van de verdeling. In hoger beroep vraagt appellante de vordering tot uit onverdeeldheid treding ongegrond te verklaren bij gebrek aan onverdeeldheid. Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.
- De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
- De ontvankelijkheid van het hoger beroep Wanneer het geding onsplitsbaar is, moet het hoger beroep gericht worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep (artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek). Huidig geding kan mogelijk beschouwd worden als onsplitsbaar, want de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding kan geven, kan materieel onmogelijk zijn (artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek). Het onroerend goed kan immers niet tegelijk verdeeld worden en onverdeeld blijven. Het hoger beroep is dan dus in beginsel niet ontvankelijk. De rechter moet de heropening van de debatten bevelen alvorens de vordering af te wijzen op grond van een ambtshalve opgeworpen exceptie (artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek). Het hof doet dit in huidig geval niet, omdat het hoger beroep ook manifest ongegrond is, en de niet-ontvankelijkheidsexceptie dus zonder belang is. 4.
- De grond van het hoger beroep De eerste rechter besloot tot toepassing van artikel 1561 van het Gerechtelijk Wetboek op grond van de overweging dat appellante en haar echtgenoot het onroerend goed hebben aangekocht als vruchtgebruiker en hun zoon, M B., als naakte eigenaar, en dat bij het overlijden van de echtgenoot van appellante diens vruchtgebruik is geëindigd, waardoor M B. volle eigenaar is geworden voor de helft, en naakte eigenaar van de andere helft, waarop appellante haar recht van vruchtgebruik heeft behouden. Appellante bestrijdt die stelling met verwijzing naar rechtsleer die stelt dat het vruchtgebruik tegelijk of onverdeeld kan gevestigd worden ten voordele van verscheidene personen, waarbij bij het overlijden van een vruchtgebruiker diens recht overgaat op de andere vruchtgebruiker(s). Dat is inderdaad mogelijk, ingeval het vruchtgebruik van bij de vestiging ervan onverdeeld is, maar het moet dan wel zo bedongen worden. In huidig geval is het vruchtgebruik wel onverdeeld gevestigd, maar er is niet bedongen dat de overlevende van de vruchtgebruikers de vruchtgebruiker wordt over het geheel. Er is geen beding van aanwas of enige uiting van de wil van de contractspartijen in die zin in de aankoopakte. Derhalve geldt het gemeen recht van artikel 617 van het Burgerlijk Wetboek: het vruchtgebruik eindigt door de dood van de vruchtgebruiker . Een beding van aanwas van vruchtgebruik zit ook niet vervat in de huwelijksovereenkomst van appellante en wijlen haar echtgenoot. Hun beding over de rechten van de langstlevende op de eigendom van de eerst stervende heeft niet de aanwas van het vruchtgebruik tot gevolg, nog los van de vraag naar de tegenwerpbaarheid van een eventuele overeenkomst tussen (enkel) de vruchtgebruikers aan de naakte eigenaar en diens schuldeisers. Appellante is dus slechts vruchtgebruiker over de helft, en zij is in onverdeeldheid met B. wat het vruchtgebruik betreft . De eerste rechter heeft dus terecht de verdeling bevolen.
- De kosten De partijen verklaren ter zitting dat zij voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing vragen van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet waardeerbaarheid van de vordering 1.200,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk maar ongegrond. Veroordeelt appellante tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van appellante op euro 1.386 (186 rolrecht + 1.200 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div