id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 23 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20081223.1 Rolnummer: 2008/MR/22-23-24 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-01-06 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 18:36 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Inrichting en dienst hoven GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Inrichting en dienst hoven - Hof van beroep Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, 18 KAMER, Nr.: na beraad, wijst volgend arrest : A.R. Nr. 2008/MR/22 - 2008/MR/23 - 2008/MR/24 Rep.nr.: 2008/ Zaak I : 2008/MR/22 IN ZAKE VAN :
- ........vertegenwoordigd door SUSSFELD Alain en DURA Jean-Marie, eiseres, vertegenwoordigd door Johan VERBIST en Mr. YSEWYN Johan, advocaten te 1000 BRUSSEL, Brederodestraat 13 IN AANWEZIGHEID VAN : Kamer 18
- K G N.V., , tussenkomende partij, vertegenwoordigd door Mr. VAN DER POTTEN en Mr. WYTINCK Peter, advocaten te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat 25
- F., tussenkomende partij, vertegenwoordigd door Mr. VAN LIEDEKERKE Dirk en Mr. Mien GILLIS, advocaten te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 326 b26; Zaak II : 2008/MR/23 IN ZAKE VAN :
- F, eiseres; vertegenwoordigd door Mr. VAN LIEDEKERKE Dirk en Mr. Mien GILLIS, advocaten te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 326 b26; IN AANWEZIGHEID VAN :
- K.G N.V., Tussenkomende partij, vertegenwoordigd door Mr. VAN DER POTTEN en Mr. WYTINCK Peter, advocaten te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat 25;
- M.P., ... tussenkomende partij, vertegenwoordigd door Mr. An BEAUCOURT loco Mr. DE LANGHE Frank, advocaat te 8790 WAREGEM, Henri Lebbestraat 109 ;
- I. NV, tussenkomende partij, vertegenwoordigd door Mr. An BEAUCOURT loco Mr. DE LANGHE Frank, advocaat te 8790 WAREGEM, Henri Lebbestraat 109 ;
- L. NV, tussenkomende, vertegenwoordigd door Mr. An BEAUCOURT loco Mr. DE LANGHE Frank, advocaat te 8790 WAREGEM, Henri Lebbestraat 109 ;
- I. T. NV, ... tussenkomende partij, vertegenwoordigd door Mr. An BEAUCOURT loco Mr. DE LANGHE Frank, advocaat te 8790 WAREGEM, Henri Lebbestraat 109 Zaak III : 2008/MR/24 IN ZAKE VAN :
- M P,
- eiseres; vertegenwoordigd door Mr. An BEAUCOURT loco Mr. DE LANGHE Frank, advocaat te 8790 WAREGEM, Henri Lebbestraat 109 ;
- I. NV, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. An BEAUCOURT loco Mr. DE LANGHE Frank, advocaat te 8790 WAREGEM, Henri Lebbestraat 109 ;
- L. NV, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. An BEAUCOURT loco Mr. DE LANGHE Frank, advocaat te 8790 WAREGEM, Henri Lebbestraat 109 ;
- I. T. NV, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. An BEAUCOURT loco Mr. DE LANGHE Frank, advocaat te 8790 WAREGEM, Henri Lebbestraat 109 IN AANWEZIGHEID VAN :
- K G. N.V., tussenkomende partij, vertegenwoordigd door Mr. VAN DER POTTEN en Mr. WYTINCK Peter, advocaten te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat 25;
- F, tussenkomende partij; vertegenwoordigd door Mr. VAN LIEDEKERKE Dirk en Mr. Mien GILLIS, advocaten te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 326 b26; I. Over de voor het hof gevoerde rechtspleging.
- Verzoekster U. heeft op 31 oktober 2008 een verzoekschrift ingediend op de griffie van het hof bij toepassing van artikel 76 van de WBEM, gericht tegen de beslissing van de Raad voor de Mededinging van 01 oktober 2008 in de zaak 2008-C/C-
- Verzoekster Vzw F.C.B. heeft op 03 november 2008 eveneens een verzoekschrift ingediend op de griffie van het hof bij toepassing van artikel 76 WBEM tegen dezelfde beslissing van de Raad voor de Mededinging.
- De partijen Nv M-P, Nv I., Nv L. en Nv I. T. hebben op 03 november 2008 ook een verzoekschrift ingediend bij toepassing van dezelfde wetsbepaling en gericht tegen dezelfde beslissing van de Raad voor de Mededinging (verder ook geciteerd als ‘de Raad').
- Partij F. heeft op 18 november 2008 een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend in elk van de twee boven vermelde rechtsplegingen waarin ze nog geen partij was.
- De drie vermelde rechtsplegingen betreffen eenzelfde bestreden beslissing, vertonen samenhang en dienen te worden gevoegd.
- Partij K.G heeft een ‘conclusie nopens een verdelingsincident' ingediend. De advocaten van de partijen U. en M.P. hebben hierover een conclusie ingediend en de advocaat van de partijen M.P. heeft zich tijdens de openbare terechtzitting aangesloten bij de standpunten van de voormelde partijen.
- De advocaten van de partijen werden op de openbare terechtzitting van 25 november 2008 gehoord over het opgeworpen ‘verdelingsincident' en de drie zaken werden enkel op dit punt door het hof in beraad gesteld. II. Het ‘verdelingsincident' en de standpunten.
- De bestreden beslissing oordeelt over de opheffing van de voorwaarden die bij een eerdere beslissing van de Raad voor de Mededinging op 17 november 1997 werd genomen in de zaak waarbij de concentratie tussen de Groep Bert en de groep Claeys werd behandeld en die gekend is onder het nummer 97-C/C-
- Bij een arrest van 18 maart 2008 heeft het hof een beslissing vernietigd van 16 april 2007 van de Raad voor de Mededinging waarbij eveneens werd beslist over de opheffing van die voorwaarden, en de zaak vervolgens verwezen naar de Raad. De thans bestreden beslissing van 01 oktober 2008 is gewezen door de Raad als gevolg van de vermelde verwijzing.
- Tussenkomende partij K.G werpt een verdelingsincident op zoals bedoeld in de artikelen 109 jo. 88 §2 Gerechtelijk Wetboek dat door de Eerste Voorzitter van het hof zou dienen te worden beslecht en ze voert hierover het volgende aan.
- Vooreerst stelt ze dat de toewijzingsregeling van de zaak aan een bevoegde kamer werd miskend. Ze wijst er op dat de voorliggende zaak rechtstreeks werd ingeleid voor de achttiende kamer, terwijl volgens de beschikking die door de Eerste Voorzitter van het hof werd uitgevaardigd voor het gerechtelijk jaar 2008-2009 de inleiding diende te geschieden voor de eerste kamer bis. Aldus ligt er volgens haar een probleem voor in verband met de verdeling van de voorliggende zaak.
- Een tweede probleem kwalificeert ze als een toepassing van het beginsel ‘non bis in idem'. Ze betoogt in dit verband dat de achttiende kamer al heeft geoordeeld over het geschil aangezien ze op 18 maart 2008 een arrest heeft gewezen over de opheffing van de voorwaarden opgelegd bij de Raadsbeslissing van 17 november 1997 en nu door verzoeksters wordt betoogd dat de bestreden beslissing van 01 oktober 2008 het vermelde arrest miskent. Haar conclusie hieruit luidt dat verzoeksters vragen dat de achttiende kamer zich opnieuw zou uitspreken over een zaak die ze al heeft beoordeeld, hetgeen zou strijden met de objectieve onpartijdigheid. Ze verwijst in dit verband naar de artikelen 828, 8° en 9° Gerechtelijk Wetboek.
- De partijen F. en U. geven te kennen dat hetgeen als een ‘verdelingsincident' wordt voorgesteld in wezen niet de toebedeling van een zaak aan een kamer betreft, maar integendeel beoogt uit te lokken dat de zaak zou worden voorgelegd aan andere magistraten dan diegene die gewoonlijk zitting houden in deze kamer. Verder wijzen ze er op dat de tweede grief van K.G in wezen een wrakingsprocedure betreft, maar die niet wordt gevoerd volgens de desbetreffende voorschriften. III. Beoordeling.
- Vooreerst dient te worden overwogen dat het K.G vrijwillig tussenkomt in een rechtspleging waarin ze evenwel niet als tegenpartij fungeert van de verzoekers en tegen wie laatstgenoemden ook geen enkele veroordeling kunnen vorderen. Het staat haar vrij haar belangen en een standpunt te verdedigen, maar in regel dient ze in de geschetste omstandigheden aan het geding deel te nemen in de staat waarin het zich bevindt. Ze heeft in regel dan ook geen incidenten op te werpen waar de verzoekers zelf geen problemen zien.
- Het door K.G als ‘verdelingsincident' voorgesteld probleem betreft naar haar eigen zeggen slechts de omstandigheid dat de voorliggende zaken niet werden ingeleid voor de eerste kamer bis van het hof. Het voorschrift in artikel 88 §2 Gerechtelijk Wetboek beoogt de oplossing van problemen die kunnen rijzen betreffende de inhoudelijke werkverdeling tussen afdelingen, kamers of rechters in eenzelfde gerecht. Een verdelingsincident veronderstelt zodoende dat er redenen zijn om aan te nemen dat de rechter, kamer of afdeling aan wie de zaak werd toebedeeld, niet diegene is die kan geroepen zijn om de zaak ten gronde te beoordelen.
- In het voorliggende geval nu betoogt K.G niet dat de achttiende kamer mogelijk niet de kamer is waar de zaak zou dienen te worden behandeld. Ze stelt enkel dat de zaak onterecht niet werd ingeleid voor de eerste kamer bis, zoals bepaald is in de beschikking betreffende de dienstregeling van de Eerste Voorzitter van het hof.
- Het geschil betreft een beroep tegen een beslissing van de Raad voor de Mededinging en het behoort als zodanig tot een materie waarvoor uitsluitend het hof van beroep te Brussel als bevoegde rechter is aangewezen door de wetgever. Zulks wordt door partij K.G niet betwist. Binnen het hof van beroep is de achttiende kamer als enige aangewezen om kennis te nemen van de beslissingen van de verschillende regulatoren, waartoe de Raad voor de Mededinging behoort. Ook dit gegeven wordt door partij K.G niet in vraag gesteld.
- De zaak werd zodoende ingeleid voor de kamer die krachtens de vigerende werkverdeling tussen de kamers de zaak dient te behandelen. Het lijdt dus geen enkele twijfel dat krachtens de toepasselijke dienstregeling de achttiende kamer geroepen is om te oordelen over de grond van het geschil. Terzake is niet dienend of het geschil al dan niet rechtstreeks werd ingeleid voor de achttiende kamer, in afwijking van de gangbare procesgang die verloopt via de inleidings- en voortgangskamer. Overigens is deze afwijkende procesgang door objectieve redenen verantwoord: de voortgang van de rechtspleging wordt niet beheerst door de gewone regelen inzake gerechtelijk privaatrecht, maar door in de WBEM voorgeschreven afwijkende bepalingen.
- Bijgevolg kan er geen verdelingsincident voorhanden zijn zoals bedoeld in artikel 88 §2 Gerechtelijk Wetboek en kan er evenmin reden bestaan om zulk incident voor te leggen aan de Eerste Voorzitter van het hof.
- In zoverre partij K.G gewag maakt van toepassing van het beginsel ‘non bis in idem' en hierbij aansluitend van een mogelijke schending van de objectieve onpartijdigheid, strekt het verzoek er kennelijk toe aan te geven dat er mogelijk een grond tot wraking kan bestaan.
- Voor zulk geval schrijft artikel 835 Gerechtelijk Wetboek evenwel voor op welke wijze de vordering tot wraking op straffe van nietigheid dient te worden ingeleid. Hieromtrent kan het hof alleen maar vaststellen dat de voorgeschreven vormen niet werden nageleefd, zodat de vordering niet kan worden ontvangen. OM DEZE REDENEN HET HOF, Rechtsprekende na tegenspraak, In acht genomen de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, Voegt de zaken met de algemene rolnummers 2008/MR/22, 2008/MR/23 en 2008/MR/24; Verwerpt het verzoek ten gronde in zoverre het toepassing beoogt van artikel 88 §2 Gerechtelijk Wetboek. Verwerpt het verzoek als niet ontvankelijk in zoverre het wraking beoogt van rechters. Stelt de zaak voor verdere behandeling met het oog op de nadere instaatstelling van de zaken vast op de terechtzitting van 6 januari 2009 om 9.00 uur van de 18e kamer. Houdt elke andere beslissing aan. .... 23 december 2008 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div