id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour d'appel de Bruxelles Avis du 23 juin 2008 No ECLI: ECLI:BE:CABRL:2008:AVIS.20080623.12 No Rôle: 2006AR448 Domaine juridique: Autres - Droit constitutionnel - Droit administratif Date d'introduction: 2009-01-22 Consultations: 100 - dernière vue 2026-07-02 17:42 Fiche De wet motivering bestuurshandelingen van 29 juli 1991 definieert de besturen wier bestuurshandelingen moeten gemotiveerd worden op de voorgeschreven wijze als 'de administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State'. De Wet is dus niet van toepassing op de organen van de uitvoerende macht wanneer zij meewerken aan de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten. In dat geval kunnen zij immers niet beschouwd worden als een administratieve overheid. Thésaurus UTU: DROIT JUDICIAIRE - RÉFÉRÉ - Généralités (référé) DROIT PUBLIC ET ADMINISTRATIF - DROIT CONSTITUTIONNEL - Pouvoirs constitutionnels - Pouvoir judiciaire - art. 144-159 - Droits civils et politiques - art. 144-145 DROIT PUBLIC ET ADMINISTRATIF - DROIT ADMINISTRATIF - Motivation des actes administratifs - Champ d'application DROIT PUBLIC ET ADMINISTRATIF - DROIT ADMINISTRATIF - Motivation des actes administratifs - Devoir de motivation Mots libres: Strafrecht Strafuitvoering. Weigering van een electronisch toezicht. Kortgedeling tegen deze beslissing. Betreft het een subjectief recht (art. 144-145 Gw.)? Is de wet motivering bestuurshandelingen van toepassing (wet van 29 juli 1991)? Texte de la décision ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2006/KR/281 Kort geding - rechtsmacht burgerlijke rechter - subjectief recht - gezag van gewijsde - wet motivering bestuurshandelingen INZAKE VAN : De heer W. R., appellant tegen een beschikking uitgesproken door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 11 april 2006, vertegenwoordigd door Meester Annick GARMYN, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1, 5de verdieping, 1ste kamer TEGEN : 1) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, FEDERALE OVERHEIDSDIENST, afgekort F.O.D., JUSTITIE, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115, 2) De heer Eric X., in zijn hoedanigheid van dienstdoend directeur van de gevangenis te 2300 TURNHOUT, Wezenstraat 1, woonstkiezende op het kantoor van Gerechtsdeurwaarder Paul Eyskens, met standplaats te 2300 TURNHOUT, Zegeplein 9/1, geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Carl RAYMAEKERS, advocaat te 2600 ANTWERPEN, Deken de Winterstraat 26,
- De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis dat na tegenspraak is gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel in kort geding op 11 april 2006 (AR 06/05/C). De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis werd betekend op 6 juni
- W. R. heeft hoger beroep ingesteld bij exploot betekend op 19 juni
- Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
- Het onderwerp van de vordering 2.
- Voor de eerste rechter vorderde R. te zeggen voor recht: "- dat de gevangenisstraf van 2 jaar, zoals opgelegd door het Hof van Beroep van Antwerpen bij arrest van 29 juni 2004, niet dient uitgevoerd te worden; - er geen gevolg wordt gegeven aan de beslissing van 5 april 2005 van [Eric X.] tot er een uitspraak ten gronde is bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. " De BELGISCHE STAAT en de heer X. vroegen dat de voorzitter zich zonder rechtsmacht zou verklaren om van de vordering kennis te nemen, ondergeschikt de vordering niet ontvankelijk zou verklaren, nog meer ondergeschikt ongegrond. 2.
- De eerste rechter verklaarde zich zonder rechtsmacht met betrekking tot de vordering tot niet-uitvoering van de gevangenisstraf, en verklaarde de vordering met betrekking tot het buiten toepassing laten van de beslissing van 5 april 2005 van X. ontvankelijk maar ongegrond. 2.
- In hoger beroep herneemt R. zijn oorspronkelijke vordering, zij het dat hij de beslissing van 5 april 2005 nu een beslissing noemt van de FOD Justitie. De BELGISCHE STAAT en X. concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep vragen zij te zeggen dat de kort geding rechter zonder rechtsmacht was om kennis te nemen van de vordering.
- De feiten De eerste rechter heeft de feiten correct en volledig weergegeven als volgt: " 1.
- - Bij arrest op 19 juni 2004 uitgesproken door het Hof van Beroep van Antwerpen wordt de heer R. veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van twee jaar. De heer R. verklaart dat hij tegen dit arrest een voorziening in cassatie heeft ingesteld, die door het Hof van Cassatie ongegrond zou zijn verklaard, maar de stukkenbundel die hij neerlegt op het ogenblik waarop de zaak in beraad wordt genomen, bevat het cassatiearrest niet. In de loop van de maand maart 2005 wordt de heer R. opgeroepen om zijn straf te ondergaan. Wanneer hij zich in de gevangenis te Turnhout aanbiedt, wordt hem een voorstel gedaan, zo zet hij uiteen, om te onderzoeken of hij mogelijkerwijs in aanmerking komt om zijn straf te ondergaan in het kader van de maatregel van elektronisch toezicht. De heer R. aanvaardt het voorstel en de Federale Overheidsdienst Justitie start de uitvoering van een externe enquête. Op 5 april 2005 neemt de Gevangenisdirecteur te Turnhout de beslissing tot weigering van het elektronisch toezicht, waarbij hij zijn beslissing als volgt motiveert: "Ondergetekende, X., Eric, dd., directeur van de gevangenis te TURNHOUT, besluit inzake de veroordeelde R. W., geboren te Turnhout op 13 maart 1950, tot de niet-toepassing van de maatregel van elektronisch toezicht. ... De directie motiveert de beslissing tot weigering van elektronisch toezicht om de volgende reden : - Betrokkene ontkent de feiten volledig, kan zich niets meer herinneren. - Er zijn blijkbaar nog altijd contacten met medeveroordeelden. - De levensstijl van betrokkene is niet in overeenstemming met zijn inkomsten. - De tewerkstelling situeert zich in het milieu waar de feiten werden gepleegd en is `op maat' gemaakt. - Het relaas van betrokkene komt niet waarheidsgetrouw over en er is geen zekerheid omtrent de echtheid van zijn reclassering en bezigheden. " 1.
- - De heer R. legt op 24 juni 2005 een verzoekschrift neer bij de Raad van State teneinde bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te horen bevelen van de tenuitvoerlegging van de beslissing genomen op 5 april 2005 door de waarnemend directeur van de gevangenis van Turnhout waarbij het elektronisch toezicht geweigerd wordt. Op dezelfde dag legt hij een verzoekschrift neer gericht op de vernietiging van de genoemde beslissing. Bij arrest uitgesproken op 28 juni 2005 verwerpt de Raad van State de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. 1.
- - Op 1 juli 2005 legt de heer R. een verzoekschrift neer bij de Raad van State gericht op de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing genomen op 5 april 2005 door de waarnemend directeur van de gevangenis van Turnhout waarbij het elektronisch toezicht geweigerd wordt. Op 4 juli 2005 legt hij een verzoekschrift neer gericht op de vernietiging van de genoemde beslissing. Bij arrest uitgesproken op 24 oktober 2005 verwerpt de Raad van State de vordering tot schorsing . 1.
- - Op 12 juli 2005 dagvaardt de heer R. zowel de BELGISCHE STAAT als de heer X. om voor de kort gedingrechter te verschijnen. Zijn vordering is erop gericht te horen zeggen voor recht dat de gevangenisstraf van 2 jaar, zoals opgelegd door het Hof van Beroep van Antwerpen bij arrest van 29 juni 2004, niet zal worden uitgevoerd en er geen gevolg zal worden gegeven aan de beslissing van 5 april 2005 van de Federale Overheidsdienst Justitie, om het elektronisch toezicht te weigeren en dit tot er uitspraak is door de Raad van State in de procedure tot schorsing van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing van 5 april 2005 waarbij het elektronisch toezicht wordt geweigerd. Bij beschikking uitgesproken op 9 september 2005 verklaart de voorzitter zetelend in kort geding zich zonder rechtsmacht om van de vordering kennis te nemen. 1.
- - Op 29 december 2005 dagvaardt de heer R. opnieuw [dat is huidige vordering]. [...] 1.
- - Ter zitting van 21 maart 2006 verklaren partijen dat de heer R. in de loop van januari 2006 zowel de BELGISCHE STAAT als de heer X. ten gronde voor deze rechtbank zou hebben gedagvaard waarbij zijn vordering ertoe strekte te horen zeggen voor recht dat de beslissing van 5 april 2005 door een onwettigheid is aangetast en buiten toepassing dient te worden gelaten. "
- De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
- De eerste rechter De eerste rechter besliste in substantie op grond van volgende overwegingen. De bevoegdheid om straffen uit te voeren ligt bij de uitvoerende macht, die een discretionaire bevoegdheid heeft. Het blijkt niet dat de uitvoerende macht haar bevoegdheid op onwettige of onredelijke wijze uitoefent, zodat er geen subjectief recht aan de orde is; de burgerlijke rechter is dus zonder rechtsmacht. De burgerlijke rechter heeft wel rechtsmacht met betrekking tot het tweede deel van de vordering, omdat R. zich steunt op het subjectief recht op het krijgen van een motivering van een bestuurshandeling. De beslissing van 5 april 2005 is niet aangetast door onwettigheden, zodat er geen spoedeisendheid is; de vordering is dus niet gegrond. 4.
- De rechtsmacht van de burgerlijke rechter De BELGISCHE STAAT en X. voeren aan dat de eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld dat hij rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het tweede onderdeel van de vordering van R.. R. is veroordeeld tot een gevangenisstraf, en de uitvoering van straffen behoort tot de bevoegdheid van de uitvoerende macht (artikel 40, 2de lid van de Grondwet). De uitvoering van de straf kan gebeuren op verschillende wijzen, waarvan het elektronisch toezicht er één is. De eerste rechter overweegt terecht dat dit een discretionaire bevoegdheid is. Dat neemt niet weg, zoals ook de eerste rechter stelt, dat de burgerlijke rechter kan oordelen over onrechtmatigheden die de overheid beweerdelijk zou begaan bij de uitoefening van haar bevoegdheid. De rechter mag zich daarbij alleen niet in de plaats stellen van de overheid, of, preciezer, hij mag zijn oordeel niet in de plaats stellen van de overheid waar die overheid zelf beschikt over een marge van beoordeling. Anders dan de eerste rechter oordeelt, voert R. wel aan dat de overheid haar bevoegdheid op onwettige wijze uitoefent. R. stelt immers dat de overheid zijn vraag om elektronisch toezicht op niet of onregelmatig gemotiveerde wijze heeft verworpen, terwijl hij recht heeft op een regelmatig gemotiveerde beslissing. Anders dan de BELGISCHE STAAT en X. verdedigen, kan de rechtzoekende aan de regel van objectief recht uit de wet motivering bestuurshandelingen van 29 juli 1991 wel een subjectief recht putten tot motivering van een beslissing. R. maakt aanspraak op herstel voor de bodemrechter door middel van het buiten toepassing laten van de beslissing van 5 april
- Voor de kort geding rechter vraagt hij ondertussen de schorsing van de uitvoering van de gevangenisstraf (dit is dus onder welke modaliteit ook), en de schorsing van de uitvoering van de beslissing van 5 april
- De twee onderdelen van de vordering van R. in kort geding steunen dus op de beweerde schending van een burgerlijk subjectief recht. De twee onderdelen behoren tot de rechtsmacht van de burgerlijke rechter (artikel 144 van de Grondwet), en dus ook van de kort geding rechter. 4.
- Het gezag van gewijsde van de beschikking van 9 september 2005 De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat het gezag van gewijsde van de beschikking van 9 september 2005 er niet aan in de weg staat dat R. huidige vordering instelt. Het gezag van gewijsde vereist dat de gevorderde zaak dezelfde is (artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek), en dat is hier niet het geval. Weliswaar vraagt R. opnieuw een zelfde schorsing, maar in het vorige burgerlijk kort geding was dit een voorlopige maatregel bij een procedure voor de Raad van State; hier is het in afwachting van een vonnis van de burgerlijke rechter. Dat bij de beoordeling van die verschillende vorderingen tussen dezelfde partijen dezelfde rechtsvragen worden beantwoord, doet daaraan niets af. 4.
- De spoedeisendheid R. laat gelden dat de vordering spoedeisend is, omdat hij iedere dag kan opgepakt worden voor de uitvoering van zijn straf. De BELGISCHE STAAT en X. antwoorden daarop met overwegingen met betrekking tot de tijd die R. heeft laten verstrijken tussen de beslissing van 5 april 2005 en de dagvaarding in deze zaak, maar dat is niet de spoedeisendheid die R. bedoelt. R. stelt dat hij zonder de opschorting van de uitvoering van de straf en de beslissing van 5 april 2005 elk ogenblik kan opgesloten worden. Dat laatste wordt niet betwist door de BELGISCHE STAAT en X., die zelf verhalen dat R. geseind staat sinds 14 april 2005 en als voortvluchtig wordt beschouwd (conclusie p. 3), en dat de bewering dat R. kan worden opgepakt correct is (conclusie p. 15). De vordering is dus spoedeisend. 4.
- De grond R. legt twee middelen voor met betrekking tot de onrechtmatigheid van de beslissing van 5 april
- Ten eerste houdt hij voor dat de beslissing van 5 april 2005 niet in overeenstemming is met de wet motivering bestuurshandelingen van 29 juli
- De wet motivering bestuurshandelingen van 29 juli 1991 definieert de besturen wier bestuurshandelingen moeten gemotiveerd worden op de voorgeschreven wijze als "de administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State". De Wet is dus niet van toepassing op de organen van de uitvoerende macht wanneer zij meewerken aan de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten. In dat geval kunnen zij immers niet beschouwd worden als een administratieve overheid (zie I. OPDEBEEK en A. COOLSAET, Formele motivering van bestuurshandelingen, Brugge, Die Keure, 1999, nr. 25 en 27). De wijziging van artikel 14 §1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State door de wet van 25 mei 1999 doet daaraan niets af (vgl. X. DELGRANGE en B. LOMBAERT, "La loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs: questions d'actualité" in La motivation formelle des actes administratifs, Brugge, Die Keure, p. 16-23) . Dat was overigens ook de reden waarom de Raad van State zich niet bevoegd achtte en meende dat wellicht het toezicht van de gewone rechter onverkort bleef, in zijn arrest van 24 oktober 2005 tot afwijzing van de vordering tot schorsing van R.. R. beroept zich uitdrukkelijk op dat arrest, en in het bijzonder op dat onderdeel van de motivering. Ten tweede stelt R. dat X. niet bevoegd was. R. stelt in conclusie eerst dat X. manifest niet bevoegd was om de beslissing te nemen, "zie verder in deze conclusie" (p. 12). De ontwikkeling van dit middel verderop in de conclusie is echter beperkt tot: "voor concluderende partij is het niet mogelijk, noch aan de hand van de beslissing waarbij hem het elektronisch toezicht wordt geweigerd, noch aan de hand van inzage in het dossier, uit te maken of de heer X., tweede verweerder, wel bevoegd is om deze beslissing te nemen". Dit middel, afgezwakt tot een balletje opgooien, overtuigt niet. Volgens R. moet de beslissing genomen worden door de directie, en de bestreden beslissing vermeldt inderdaad dat X. dienstdoend directeur is van de gevangenis te Turnhout. R. beweert niet, laat staan bewijst, dat X. zich ten onrechte dienstdoend directeur noemt. Evenmin voert hij aan dat een dienstdoend directeur niet de bevoegdheid zou hebben van een directeur. Dat laatste zou ook wel vreemd zijn; een dienstdoend (Belgisch Nederlands voor waarnemend) directeur neemt tijdelijk de functie waar van de directeur, en oefent dus tijdelijk diens bevoegdheden uit. De beslissing van 5 april 2005 is dus niet prima facie onrechtmatig, en de vordering van R. is ongegrond. Geheel ten overvloede: R. werkt ook het verband niet uit tussen de beweerde gebreken van de beslissing en de gevraagde schorsing van uitvoering. Een recht op motivering van de beslissing van de bevoegde directeur met betrekking tot een modaliteit van de straf leidt er niet toe dat de uitvoering van de straf geheel (in elke modaliteit) moet geschorst worden. Een dergelijke beslissing zou bovendien net een ontoelaatbare inmenging van de rechter zijn in de bevoegdheid van de uitvoerende macht, bedoeld hierboven (onder 4.2.).
- De kosten De partijen verklaren ter zitting dat zij voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing vragen van het basisbedrag van toepassing op niet in geld waardeerbare vorderingen, dit is 1.200,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van R. ontvankelijk en zeer gedeeltelijk gegrond. Het hof verklaart het incidenteel hoger beroep van de BELGISCHE STAAT en X. ontvankelijk maar ongegrond. Hervormt het vonnis voor zover de eerste rechter zich zonder rechtsmacht verklaart voor het eerste onderdeel van de vordering van R., en spreekt opnieuw recht als volgt: verklaart de vordering van R. ontvankelijk maar ongegrond. Het veroordeelt R. tot de betaling van de kosten van het hoger beroep - in hoofde van hemzelf begroot op euro 1.682,76 ( 173,79 + 169,97 dagvaardingen + 139 rolrecht + 1.200 rechtsplegingsvergoeding, en - in hoofde van geïntimeerden samen op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding; Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 23/06/08 waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet <div