id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 13 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090113.1 Rolnummer: 2008KR296 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-01-20 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-02 18:57 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Voorzitter rechtbank - Bijzondere gevallen STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoeksdaden - Bedreigde getuigen Vrije woorden: Getuigenbescherming: art. 102 en volgende W. Sv. - Wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van de bedreigde getuigen. Artikel 107 W. Sv. : betekenis van de term 'overhandiging'. Bevoegdheid van de getuigenbeschermingscommissie. Het Hof beveelt in casu, met toepassing van artikel 877 Ger. W., de Belgische Staat een reeks stukken (beslissingen van de getuigenbescherminscommissie) voor te leggen. De verdere behandeling in rechte zal in raadkamer geschieden gelet op het gevaar voor de orde, met toepassing van art. 148 Gw. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Art. 102 e.v. Wetboek van Strafvordering - Art. 104 Wetboek van Strafvordering - Art. 107 Gerechtelijk Wetboek - Art. 877 Grondwet 1994 - Art. 148 Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 2008/KR/296 Kort geding - getuigenbescherming INZAKE VAN : De heer X. Y., woontkiezende op het kantoor van zijn raadsman Meester Walter VAN STEENBRUGGE, advocaat te 9820 MERELBEKE, Jozef Hebbelynckstraat 2, appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 3 oktober 2008, vertegenwoordigd door Meester Walter VAN STEENBRUGGE, advocaat te 9820 MERELBEKE, Jozef Hebbelynckstraat 2, 1ste kamer TEGEN : De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Bernard DERVEAUX, advocaat te 3078 EVERBERG, Veldstraat 5
- De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 3 oktober
- De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Appellant heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 6 oktober
- Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
- De feiten De eerste rechter heeft de feiten correct en volledig weergegeven als volgt: " Eiser is thans gedetineerde in de gevangenis van AB. in uitvoering van een gevangenisstraf van 15 jaar, waartoe hij werd veroordeeld op 17 maart 2006 door het hof van assisen te Z.. Volgens zijn gevangenisfiche werd hij ook veroordeeld door het Amtsgericht te P. (Duitsland). Een van de veroordelingen in Duitsland werd opgeslorpt door voormelde veroordeling van het hof van assisen. Eiser werd door het Parket-Generaal te Z. opgeroepen om eerstdaags als getuige te verschijnen in het kader van een proces voor het hof van assisen van Z.. In dat kader, werd hij opgenomen in het getuigenbeschermingsprogramma, waarbij hem beschermingsmaatregelen bedoeld in artikel 104 van het wetboek van strafvordering werden toegekend. Volgens eiser werd hem een aantal zaken beloofd. - Er werd hem voor het assisenproces waarin hijzelf terechtstond, beloofd dat het Openbaar ministerie 10 jaar opsluiting zou vorderen. Op de zitting werd er 15 jaar gevorderd. Na het proces zou hem 5 jaar gratie beloofd zijn geweest. - Er werd hem beloofd dat zijn echtgenote alsook zijn vriendin verblijfspapieren zouden krijgen, die na drie vernieuwingen tot definitieve vestigingspapieren zouden leiden. Definitieve papieren zijn tot nu toe niet afgeleverd. - Er werd hem beloofd hem elektronisch toezicht toe te kennen van zodra hij hiertoe in de tijdsvoorwaarden zou verkeren. Hieraan werd evenmin toegekomen. Er werd hem een bedrag van 20.000 EUR overhandigd in het kader van het getuigenbeschermingsprogramma. De raadsman van eiser richtte een schrijven naar de Federaal Procureur, tevens voorzitter bij de Commissie Getuigenbescherming, op 24 januari 2008, waarin hij dit alles uiteenzette, en om een oplossing verzocht. Bij gebrek aan oplossing, zou hij in opdracht van eiser onmiddellijk starten met een procedure in kort geding. De raadsman van eiser stuurde een gelijkaardige brief op 25 juli 2008, na een vergadering van 22 april
- "
- Het onderwerp van de vordering 3.
- Voor de eerste rechter vorderde appellant de veroordeling van geïntimeerde tot : " - de onmiddellijke schriftelijke bevestiging aan verzoeker (binnen de 24 uur na betekening van de te verlenen beschikking) en vervolgens tot uitvoering, (binnen de twee weken vanaf de betekening van de te verlenen beschikking) van alle maatregelen die hem werden toegezegd, volgens de [...] brief van de raadsman van verzoeker van 24 januari 2008, op straffe van verbeurte van een dwangsom van 50.000 EUR per dag vertraging; - minstens te horen bevelen dat de feitelijke detentietoestand van verzoeker binnen de twee weken na betekening van de te verlenen beschikking in overeenstemming moet worden gebracht met de voorwaarden en beloften die aan verzoeker werden voorgehouden, voorwaarden zoals bevestigd in de [...] brief van de raadsman van verzoeker van 24 januari 2008; - uiterst ondergeschikt, minstens te horen zeggen dat het statuut en het dossier van verzoeker met onmiddellijke ingang aldus moeten worden aangepast dat verzoeker niet langer benadeeld is ten opzichte van andere gedetineerden, en te horen bevelen dat verzoeker met onmiddellijke ingang moet kunnen toegang krijgen tot alle faciliteiten, zoals uitgangspermissie, beperkte detentie of elektronisch toezicht, alsmede voorwaardelijke invrijheidstelling, die voor verzoeker ook zouden hebben opengestaan indien er geen getuigenbeschermingsprogramma zou zijn geweest." De BELGISCHE STAAT concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. 3.
- De eerste rechter verklaarde de vordering van appellant ongegrond. 3.
- In hoger beroep herneemt appellant zijn vordering; de BELGISCHE STAAT concludeert tot de tot de ongegrondheid van het hoger beroep.
- De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen De eerste rechter oordeelde in substantie als volgt. Het is niet betwist dat appellant als getuige geniet van een aantal beschermings- en financiële maatregelen. Appellant bewijst echter niet dat hem de beloften zijn gedaan die hij vermeldt en die betrekking hebben op strafuitvoering, modaliteiten van strafuitvoering en verblijfsdocumenten. Hij beschikt prima facie niet over de ingeroepen subjectieve rechten. Het klopt dat appellant geen stukken voorlegt waaruit blijkt welke maatregelen hem zijn toegezegd; ook de reactie van de federale procureur, voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, op de brief van de raadsman van appellant van 24 januari 2008 vormt geen bewijs. Dat is echter net het eerste deel van zijn vordering: op papier bevestigd krijgen wat hem is toegezegd. Overigens legt ook de BELGISCHE STAAT geen stukken voor waaruit kan blijken wat aan appellant is beloofd. Ook uit de brief van de federale procureur aan de raadsman van de BELGISCHE STAAT van 29 september 2008 blijkt niet wat de omvang is van de bescherming. Appellant put zijn beweerde subjectieve rechten uit een overeenkomst. Hij laat gelden dat hij zich heeft verbonden om te getuigen, in ruil voor de door de getuigenbeschermingscommissie opgenomen verbintenissen. Boek I, hoofdstuk VII ter (artikel 102 en volgende) van het Wetboek van Strafvordering (ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen) heeft het niet met zoveel woorden over een overeenkomst. Volgens de wet kent de getuigenbeschermingscommissie maatregelen toe, of kent de voorzitter van de commissie maatregelen toe bij voorlopige beslissing (artikel 105). De getuige van zijn kant verbindt zich ertoe verklaringen af te leggen (artikel 107). Het lijkt echter evident dat de getuige die zich ertoe verbindt verklaringen af te leggen en de commissie die maatregelen toekent, een en ander percipiëren als een overeenkomst. Dat vindt in casu bevestiging in de brief van de federale procureur aan de raadsman van appellant van 14 februari 2008, die het heeft over voorwaarden "afgesproken" bij de intrede van appellant in het programma. Uit de wet mag ook afgeleid worden dat de verbintenissen van de partijen in de overeenkomst schriftelijk worden vastgelegd. De getuige verbindt zich volgens artikel 107 van het Wetboek van Strafvordering in een "schriftelijk memorandum". Artikel 105 § 7 bepaalt dat de beslissing van de getuigenbeschermingscommissie met redenen is omkleed, en precieze opgave inhoudt van de beschermingsmaatregelen die worden toegekend; artikel 105 § 3 bepaalt het zelfde voor de voorlopige beslissing van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie. Het zelfde geldt voor een beslissing tot wijziging of intrekking (artikel 109, §5). Ten slotte bepaalt artikel 8.8.
- van het huishoudelijk reglement van de getuigenbeschermingscommissie dat van elke vergadering een verslag wordt opgemaakt en ter goedkeuring voorgelegd aan de leden . In zijn brief aan de raadsman van de BELGISCHE STAAT van 29 september 2008 laat de federale procureur gelden dat het schriftelijk memorandum bedoeld in artikel 107 de classificatie "zeer geheim" draagt met toepassing van artikel 4 van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. Dat lijkt inderdaad in overeenstemming met artikel 3 van de wet van 11 december 1998 (zoals gewijzigd door artikel 7 tot en met 9 van de wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen). De inhoud van het memorandum van artikel 107 van het Wetboek van Strafvordering is in deze nochtans niet relevant, maar wel de inhoud van de beslissing van de commissie of van haar voorzitter, houdende de precieze opgave van de maatregelen. Appellant voert aan dat hij niet beschikt over de beslissing die de maatregelen omschrijft die hem volgens zijn zeggen zijn toegekend (en ook niet over het memorandum), zodat de procedure niet is gevolgd. Uit de verklaringen van zijn raadsman op de zitting begrijpt het hof dat appellant zelfs stelt dat hij niet beschikt over enige beslissing met betrekking tot toegekende maatregelen. Het hof stelt anderzijds vast dat appellant kennis heeft van toegezegde maatregelen waarover geen betwisting bestaat (bijvoorbeeld dat hem 20.000 EUR is beloofd). Ook de raadsman van de BELGISCHE STAAT bleek op de zitting niet op de hoogte van een beslissing. Uit de tekst van artikel 107 van het Wetboek van Strafvordering blijkt nochtans dat de beslissing in beginsel aan de bedreigde getuige wordt "overhandigd". Het is uit de tekst van de wet niet duidelijk of elke beslissing wordt "overhandigd", dan wel dat alleen voorafgaand aan de ondertekening van het schriftelijk memorandum door de getuigen een overhandiging gebeurt. De wet bepaalt ook niet onder welke vorm die overhandiging gebeurt, en of van die overhandiging een ontvangstmelding wordt opgesteld, of een proces-verbaal van degene die afgeeft. Naar luid van artikel 11.4 van het huishoudelijk reglement van de getuigenbeschermingscommissie wordt de beslissing van de getuigenbeschermingscommissie schriftelijk door de getuigen-beschermingsdienst binnen de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie aan de bedreigde getuige tegen ontvangstbewijs meegedeeld. De beweringen van appellant met betrekking tot het ontbreken van een meegedeelde beslissing en dus een niet correcte toepassing van de wet vinden geen weerlegging in de conclusie en de stukken van de BELGISCHE STAAT. Het hof verlangt daarom kennisname van de beslissingen. Het lijkt niet onmogelijk dat de BELGISCHE STAAT zich wenst te beroepen op de vertrouwelijkheid van de beslissing van de commissie of van haar voorzitter houdende de precieze opgave van de maatregelen, met toepassing van artikel 3 van de wet van 11 december 1998 (in haar conclusie doet hij dat enkel met betrekking tot het schriftelijk memorandum). De gevolgen van de classificatie naar luid van artikel 8 en 10 van die wet gelden echter "onverminderd de eigen bevoegdheden van de gerechtelijke overheden". Bovendien lijkt het niet onredelijk dat aan appellant kennis wordt gegeven van de beslissing of beslissingen die hem normaal met toepassing van artikel 107 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 11.4 van het huishoudelijk reglement worden meegedeeld. Verder behoort het elke gedingvoerende partij te goeder trouw mee te werken aan de bewijsvoering. Ten slotte mag de geheimhouding van de maatregelen niet de aanspraak beletten van de begunstigde van de maatregelen, en zijn recht op de erkenning van zijn subjectief recht. De toekenning van maatregelen lijkt, op grond van de lezing van Boek I, hoofdstuk VII ter (artikel 102 en volgende) van het Wetboek van Strafvordering op zich immers geen subjectief recht, maar de uitvoering van de toegekende en niet gewijzigde of ingetrokken maatregelen lijkt dat wel, en prima facie zijn aan appellant maatregelen toegekend waarvan de omvang onduidelijk is. De BELGISCHE STAAT beklemtoont (zoals de federale procureur in zijn brief van 29 september 2008) dat de getuigenbeschermingscommissie alleen bevoegd is voor veiligheids- en beschermingsmaatregelen, en dat de door appellant bedoelde maatregelen daarbuiten vallen. De eerste vraag is echter welke de maatregelen zijn die de facto zijn toegekend of overeengekomen. Of die maatregelen een toepassing vormen van artikel 102 en volgende van het Wetboek van Strafvordering of niet, en wat daaruit volgt, zal nadien moeten blijken. Gelet op het bovenstaande beveelt het hof met toepassing van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek aan de BELGISCHE STAAT de hieronder omschreven stukken neer te leggen. Het mag aangenomen worden dat de BELGISCHE STAAT hieraan zal meewerken, zodat het vooralsnog onnodig lijkt een dwangsom op te leggen. Gelet op de aard van de zaak, en met verwijzing naar de toepassing van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, is het hof van oordeel dat de openbaarheid van de zitting gevaar kan opleveren voor de orde, en beveelt het dat de zitting in raadkamer zal gehouden worden (artikel 148 van de Grondwet). OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk. Alvorens verder recht te spreken beveelt het hof aan de BELGISCHE STAAT de neerlegging op de griffie van het hof en de mededeling aan appellant van al de beslissingen van de getuigenbeschermingscommissie en haar voorzitter met betrekking tot de toepassing van Boek I, hoofdstuk VII ter van het Wetboek van Strafvordering in verband met appellant, en van de ontvangstbewijzen van al deze beslissingen, dat alles in eenvormig verklaarde kopie, ten laatste op 2 februari
- Het hof stelt de zaak vast voor verdere behandeling op de zitting van 16 februari 2009 om 14.00 uur, in raadkamer. Het houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div