← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090113.24

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 13 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090113.24 Rolnummer: 2005AR2709 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2013-10-02 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-07-02 18:57 Fiche Slechts de betwistingen uitgedrukt in of voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen overeenkomstig artikel 1218 van het Gerechtelijk Wetboek in het proces-verbaal van de boedelnotaris, worden immers door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal bij de rechtbank aanhangig gemaakt. Er kunnen voor de rechtbank geen nieuwe betwistingen aangevoerd worden dan deze opgenomen in het proces-verbaal. De notaris heeft overigens geen advies uitgebracht over andere betwistingen. Het behoort de debatten te heropenen nu partijen andere geschilpunten voor de rechtbank aanvoerden en thans nog handhaven en dat het hof de vraag naar de ontvankelijkheid van deze vorderingen dient te stellen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Onverdeelde goederen - Gerechtelijke verdeling Vrije woorden: Vereffening-verdeling na echtrscheiding. Procesverbaal van beweringen en zwarigheden. Voorlegging van nog andere zwarigheen aan de rechtbank. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2005/AR/2709 INZAKE VAN : Mevrouw C.V., appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 5 april 2005, vertegenwoordigd door Meester Tom MICHAUX loco Meester José DEVOS, advocaat te 3001 HEVERLEE, Sint-Lambertusstraat 16, 1ste kamer TEGEN : De heer M. M., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Kris CROONEN, advocaat te 1500 HALLE, Bergensesteenweg 54, __________________________________ Slechts de betwistingen uitgedrukt in of voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen overeenkomstig artikel 1218 van het Gerechtelijk Wetboek in het proces-verbaal van de boedelnotaris, worden immers door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal bij de rechtbank aanhangig gemaakt. Er kunnen voor de rechtbank geen nieuwe betwistingen aangevoerd worden dan deze opgenomen in het proces-verbaal. De notaris heeft overigens geen advies uitgebracht over andere betwistingen. Het behoort de debatten te heropenen nu partijen andere geschilpunten voor de rechtbank aanvoerden en thans nog handhaven en dat het hof de vraag naar de ontvankelijkheid van deze vorderingen dient te stellen. Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (7de kamer) na tegenspraak uitgesproken op 5 april 2005, waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep, op 21 oktober 2005 ter griffie van het hof neergelegd; - de conclusie en syntheseconclusie van appellant; - de conclusie en tweede (samenvattende) conclusie van geïntimeerde. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 2 december 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Procedure in eerste aanleg

  1. Bij exploot van 5 september 2002 heeft de heer M. een vordering tot vereffening en verdeling ingesteld tegen mevrouw V. bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Partijen hadden jarenlang feitelijk samengewoond op het adres ...te T... waar zij onder de vorm van een BVBA, de BVBA C., een horecazaak (taverne - restaurant) hadden uitgebaat onder de benaming "T....". Beide partijen waren op gelijke voet aandeelhouders in deze vennootschap. Partijen waren op 1 april 2001 uit elkaar gegaan. De heer M. vorderde de vereffening en verdeling te bevelen van de onroerende goederen in onverdeeldheid, gelegen te ..., zijnde: - twee aanpalende woningen op en met grond, Neringe 144 en 145, aangekocht bij akte van 14 februari 1995; - een perceel grond, Neringe met een oppervlakte van 34 aren, 30 centiaren, aangekocht bij akte van 22 november 1995; - een perceel grond, Neringe, met een oppervlakte van 18 aren, 35 centiaren, aangekocht bij akte van 29 mei 1996; - een perceel grond, Neringe met een oppervlakte van 17 aren, 40 centiaren, aangekocht bij akte van 29 mei 1996; - een perceel landbouwgrond, Den Keeskorf met een oppervlakte van 1 hectare, 22 aren, 25 centiaren, aangekocht bij akte van 22 augustus 1996; - een perceel landbouwgrond, Neeringe met een oppervlakte van 69 aren, 75 centiaren, aangekocht bij dezelfde akte als bovenvermelde perceel;
  2. Mevrouw V. verklaarde zich naar de wijsheid van de rechtbank te gedragen m.b.t. de vordering tot vereffening en verdeling en aanstelling van notarissen en stelde een tegeneis in teneinde voor recht te doen zeggen dat bij de omschrijving van de opdracht van de notaris met volgende vorderingen dient rekening te worden gehouden:
  3. "te horen zeggen voor recht dat notaris X de verdeling in natura dient na te streven van de onroerende goederen;
  4. de preferentiële toewijzing van de twee aanpalende woningen en van al hetgeen noodzakelijk zou blijken voor de uitbating van de horecazaak (zoals mogelijke opritten, doorgangen,...) te horen toekennen aan (mevrouw V.)". De heer M. besloot tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van deze tegenvordering.
  5. Bij tussenvonnis van 21 november 2002 heeft de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond verklaard en notarissen B. en D., notarissen te Z., aangesteld en de kosten ten laste van de massa gelegd.
  6. Notaris B. legde op 18 juni 2004 de expeditie van volgende akten ter griffie van de rechtbank neer: - akte nr. 85 van 4 maart 2003 inhoudende opening van werkzaamheden; - akte nr. 199 van 29 maart 2004 houdende tussenstaat van vereffening; - akte nr. 284 van 10 mei 2004 inhoudende p.v. van zwarigheden geformuleerd op de tussenstaat van vereffening; - akte nr. 371 van 8 juni 2004 inhoudende p.v. advies op de gemaakte zwarigheden.
  7. De zwarigheden van appellante over de tussenstaat van vereffening en deling betroffen

(1)de terugbetaling aan mevrouw V. van de door haar voorgeschoten gelden (de door appellante aangehaalde schuldvordering wordt door de notaris afgewezen bij gebrek aan afdoend bewijs) en
(2)de woonstvergoeding te betalen door appellante (de notaris acht de aanstelling van een deskundige noodzakelijk om de woonstvergoeding beperkt tot het private woongedeelte te schatten).
  1. Huidige appellante concludeerde daarna in hoofdorde tot de preferentiële toewijzing van de twee aanpalende woningen en omliggende gronden aan 50.000 euro , op basis van de schatting van 5 augustus 2003 en, ondergeschikt, dat zij een voorkooprecht heeft op de twee aanpalende woningen en al hetgeen afhangt van de onverdeeldheid tussen partijen en al hetgeen noodzakelijk blijkt voor de uitbating van de horecazaak, eveneens aan 50.000 euro . Mevrouw V. maakte bovendien aanspraak op de terugbetaling van 166.844,64 euro (6.730.496 BEF) ten laste van de heer M., uit hoofde van door haar voorgeschoten gelden, met veroordeling van de heer M. tot terugbetaling van deze gelden te vermeerderen met een moratoire interest aan de wettelijke interestvoet vanaf de respectievelijke betalingsdata tot aan de dagvaarding en vanaf dan de gerechtelijke interesten. Mevrouw V. betwistte tenslotte de gevorderde woonstvergoeding. In meer ondergeschikte orde, in het geval dat de rechtbank zou oordelen dat de waarde van de kwestieuze onroerende goederen niet afdoend zou blijken uit de waardeschatting van 5 augustus 2003, vroeg mevrouw V. een deskundige aan te stellen teneinde "een bindende schatting te maken van de onroerende goederen gelegen te ...".
  2. De heer M. vorderde de (verdere) vereffening en verdeling te bevelen van de onroerende goederen en aan mevrouw V. te bevelen om binnen de maand na de betekening van het uit te spreken vonnis de onroerende goederen te regulariseren, na voorafgaandelijk akkoord van hem, en onder verbeurte van een dwangsom van 1.250 euro per dag vertraging. Hij vroeg m.b.t. de gevorderde woonstvergoeding de aanstelling van een deskundige met als opdracht
(1)te bepalen welke delen van het eigendom nog verder als handelszaak worden uitgebaat door de BVBA C. en welke delen als privaat woongedeelte worden gebruikt door mevrouw V. en
(2)de gebruikelijke huurwaarde te bepalen van het eigendom vanaf 1 april 2001 voor beide delen afzonderlijk. De heer M. besloot tot de afwijzing van de vordering tot preferentiële toewijzing van de onroerende goederen en tot terugbetaling van voorgeschoten gelden.
  1. Bij het bestreden vonnis wees de eerste rechter de vordering tot preferentiële overname af "bij gebreke aan enige rechtsgrond". Ten andere is mevrouw V. wel gerechtigd het conventioneel voorkooprecht uit te oefenen maar niet op basis van een schattingsprijs maar wel bij de onderhandse verkoop, dan wel bij de openbare verkoop (art. 48, 1 respectievelijk 48, 2 van de pachtwet). De rechtbank machtigde notaris B. om onder de voorwaarden van het voorkooprecht van mevrouw V. op de wijze voorzien bij artikel 48.2 van de pachtwet van 4 november 1969 over te gaan tot de openbaren verkoop van de aan partijen in onverdeeldheid toebehorende onroerende goederen. De rechtbank zegde verder voor recht dat de heer M. recht heeft op een woonstvergoeding vanaf 1 april 2001 betreffende het privatief gedeelte van de eigendom gelegen te T.. De heer Overstyns wordt als deskundige aangesteld om te bepalen welk deel van het eigendom als handelszaak wordt uitgebaat en welke delen gebruikt worden als privaat woongedeelte door mevrouw V. en de huurwaarde te schatten van beide delen afzonderlijk op 1 april 2001, eventueel aangepast tot de datum van het verslag indien, een aanpassing zich opdringt. Partijen werden van het anders en meer gevorderd afgewezen, meer bepaald i.v.m. de verrekeningen tussen hen en de zaak werd terug verwezen naar notaris Brandhof "om na de openbare verkoop en het deskundig onderzoek zijn staat van vereffening - deling verder op te stellen". Tenslotte stelde de rechtbank vast dat partijen geen bijkomende kosten hebben gemaakt. II. Procedure voor het hof
  2. Voor het hof vraagt appellante het bestreden vonnis te hervormen en herneemt zij volledig de stelling die zij in eerste aanleg verdedigde met veroordeling van geïntimeerde tot betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.
  3. Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Hij stelt incidenteel beroep in strekkende tot de hervorming van de bestreden beslissing "op de gevatte punten en, opnieuw recht te spreken over de grond van de zaak en alzo te bevelen dat appellante binnen de maand na de betekening van onderhavig vonnis het nodige doet om de hoger vermelde onroerende goederen te regulariseren na voorafgaandelijk akkoord van (de heer M.), en bij gebreke hieraan te voldoen, appellante te veroordelen tot betaling aan (hem) van de dwangsom van 1.250,00 euro per begonnen dag vertraging; te bevelen dat appellante alle kosten die verbonden zijn aan die regularisatie dient voor te schieten". Voor het overige vraagt geïntimeerde het bestreden vonnis te bevestigen. III. Bespreking 1°. Geschilpunten
  4. Op 10 mei 2004 heeft notaris B. een proces-verbaal van beweringen en zwarigheden opgesteld. Op dezelfde dag heeft de raadsman van mevrouw V. zijn opmerkingen betreffende de tussenstaat van vereffening van 29 maart 2004 per brief aan de notaris meegedeeld. De opmerkingen van appellante waren beperkt tot
(1)de terugbetaling van de door haar voorgeschoten gelden (punt C) en
(2)de toekenning aan geïntimeerde van woonstvergoeding vanaf de feitelijke scheiding (punt E). De raadsman van geïntimeerde had geen opmerkingen over de staat van vereffening en betwistte deze van appellante. Dit heeft voor gevolg dat het geschil thans principieel beperkt is tot de twee hierboven aangehaalde geschilpunten. Slechts de betwistingen uitgedrukt in of voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen overeenkomstig artikel 1218 van het Gerechtelijk Wetboek in het proces-verbaal van de boedelnotaris, worden immers door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal bij de rechtbank aanhangig gemaakt . Er kunnen voor de rechtbank geen nieuwe betwistingen aangevoerd worden dan deze opgenomen in het proces-verbaal. De notaris heeft overigens geen advies uitgebracht over andere betwistingen. Het behoort de debatten te heropenen nu partijen andere geschilpunten voor de rechtbank aanvoerden en thans nog handhaven en dat het hof de vraag naar de ontvankelijkheid van deze vorderingen dient te stellen. 2°. De terugbetaling aan appellante van door haar voorgeschoten gelden
  1. Notaris B. bepaalde, op grond van de overeenkomst d.d. 22 februari 1999 tussen partijen afgesloten, dat mevrouw V. bij de verkoop van de onroerende goederen een bedrag van 4.354.825 BEF, hetzij 107.953,29 euro , te vermeerderen met de wettelijke interesten vanaf 22 februari 1999 mag voorafnemen na eerbiediging van de rechten van de hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers. De terugvorderingen van appellante m.b.t. andere bedragen worden door de notaris afgewezen gelet op de vermelding in de overeenkomst van 22 februari 1999 dat de verbintenis van geïntimeerde wordt aangegaan "rekening houdende met verrekeningen tussen partijen van andere sommen". Het betreft voor een deel aankopen van onroerende goederen (96.600 BEF + 61.800 BEF + 96.000 en 238.500 BEF) of verkoop van effecten (592.498 + 1.125.813 BEF) die vóór het opstellen van de overeenkomst gebeurden zodat de notaris van oordeel was dat partijen hiermee rekening hielden in de afrekening van 22 februari
  2. Voorts gaat het om de aankoop van een Oostenrijkse kachel op naam van de BVBA C., waarvoor "partijen het niet nodig gevonden hebben om hiervoor een speciale overeenkomst op te stellen, zodat bij gebrek aan blijvende bewijzen mag verondersteld worden dat dit wordt gecompenseerd "... rekening houdende met verrekening tussen partijen van andere sommen ..." waarvan hiervoor sprake". Tenslotte vordert appellante 40.000 BEF terug, zijnde een lening "op 14 juni 1999 toegestaan aan de gezamenlijke rekening" die bij gebrek aan bijkomende bewijzen door de notaris afgewezen wordt.
  3. Het is logisch dat de notaris de vraag stelde of vroeger door appellante betaalde gelden al dan niet in de overeengekomen som van 4.354.825 BEF met de uitdrukkelijke melding "rekening houdende met verrekeningen tussen partijen van andere sommen" werden overgenomen.
  4. Mevrouw V. had na de verkoop van een eigen onroerend goed op 22 februari 1999 (voor de prijs van 5.500.000 BEF) een persoonlijke schuld afgelost (1.145.175 BEF). De overeenkomst van 22 februari 1999 vermeldt uitdrukkelijk dat het saldo van 4.354.825 BEF "volledig zal aangewend worden" voor de aflossing van verscheidene gemeenschappelijke kredieten van partijen. Bovendien bepaalt de overeenkomst: "de huidige overeenkomst doet geen afbreuk aan eventuele andere verrekeningen die zouden moeten gebeuren tussen partijen mits voorlegging van het bewijs hiervan". Hieruit moet besloten worden dat appellante bij de hoger vermelde overeenkomst van 22 februari 1999 geen afstand deed van andere verrekeningen voor zover zij deze zou kunnen staven. Geïntimeerde was overigens zelf even gerechtigd om eigen investeringen terug te vorderen mits voorlegging van het bewijs hiervan. Appellante brengt duidelijke bewijzen naar voren van door haar gedane investeringen van eigen gelden in aankopen van gemeenschappelijke goederen. De terugvorderingen van de sommen van 96.600 BEF + 61.800 BEF + 96.000 en 238.500 BEF + 592.498 BEF + 1.125.813 BEF zijn voldoende bewezen aan de hand van de door appellante aan de notaris overgemaakte stukken (cheques, rekeninguittreksels, overschrijvingen op de gezamenlijke rekening van partijen, zie bijlagen aan de tussenstaat van vereffening). De totale aan mevrouw V. terug te betalen investeringen bedragen bijgevolg 4.354.825 BEF + 96.600 BEF + 61.800 BEF + 96.000 BEF + 238.500 BEF + 592.498 BEF + 1.125.813 BEF = 6.566.036 BEF.
  5. Het voorschot van 125.000 BEF dat appellante op 14 juni 1999 heeft betaald diende voor de aankoop van de kachel. Deze kachel werd echter door de BVBA C. aangekocht zodat er geen aanleiding is tot enige terugbetaling door geïntimeerde. Tenslotte wordt het bezwaar m.b.t. de betaling van een "lening" van 40.000 BEF afgewezen. De notaris stelde immers terecht vast dat appellante hiervan geen bewijs leverde. Op dit punt is het hoger beroep deels gegrond. 3°. Woonstvergoeding
  6. Appellante betwist niet dat zij, na de feitelijke scheiding, alleen het pand is blijven betrekken, evenwel mits het ten laste nemen van de lasten verbonden aan het goed, nl. de onroerende voorheffing, de brandverzekering, de nutsvoorzieningen alsook de lening voor de handelszaak. Het staat dus vast dat een van de mede-eigenaars van het onverdeeld onroerend goed, te dezen appellante, het exclusieve genot heeft gehad van het goed. Deze partij dient in het kader van de beheersrekening een bedrag aan de onverdeeldheid te betalen dat overeenstemt met de huurwaarde van het onroerend goed, en dit overeenkomstig de regels van de mede-eigendom (artikel 577-2, § 5, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek) . Volledig logischerwijze heeft de notaris, gelet op de betwisting hierover, voorgesteld een deskundige aan te stellen met het oog op de begroting van de huurwaarde van de privatieve gedeelten van het goed waarover appellante het exclusieve genot had , respectievelijk de gedeelten van het onroerend goed die voor de uitbating van de handelszaak dienen. De eerste rechter heeft terecht een onderzoeksmaatregel bevolen en de heer P. Overstyns als deskundige aangesteld.
  7. De omstandigheid dat appellante bijzondere kosten ten laste nam sluit de betaling van een woonstvergoeding niet uit. Wel is appellante eventueel gerechtigd kosten m.b.t. het goed in rekening te brengen. Appellante bewijst ten andere niet dat geïntimeerde bepaalde voordelen zou gehaald hebben uit het feit dat zij uitsluitend het goed bewoonde. Dit onderdeel van het hoger beroep is ongegrond.
  8. Gelet op de heropening van de debatten zal de beslissing over de gerechtskosten, worden aangehouden. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende na tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en vooralsnog als volgt gegrond. Zegt dat de totale aan mevrouw V. terug te betalen gelden 162.767,78 euro (6.566.036 BEF) bedraagt. Verklaart het hoger beroep met betrekking tot de woonstvergoeding ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk. Vooraleer over het overige recht te doen, heropent de debatten en nodigt de partijen te concluderen over de ontvankelijkheid van de door hen opgeworpen geschilpunten die niet behandeld worden in het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden d.d. 10 mei 2004 van notaris Brandhof. Zegt dat partijen over het voorwerp van de heropening der debatten zullen concluderen en hun conclusie mededelen en ter griffie van het hof zullen neerleggen ten laatste op: - 6 februari 2009 voor appellante; - 6 maart 2009 voor geïntimeerde. Stelt de zaak vast voor verdere behandeling vast op de zitting van maandag 6 april 2009 om 9.30 uur. Houdt de beslissing over de gerechtskosten aan. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.