← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090120.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 20 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090120.15 Rolnummer: 2008AR952 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2013-10-03 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-07-02 19:00 Fiche Overeenkomstig artikel 764, 5° Ger.W. zijn vorderingen tot betichting van valsheid in burgerlijke zaken, op straffe van nietigheid, mededeelbaar aan het openbaar ministerie. Het gaat om een nietigheid die de openbare orde raakt . Burgerlijke vorderingen allerlei, zoals in deze een valsheidsvordering die bij wijze van hoofdvordering wordt ingesteld, kunnen nooit ad personam tegen een zetelende magistraat worden ingesteld. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Mededeling aan openbaar ministerie GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Valsheidsprocedure Vrije woorden: Valsheidsprocedure. Hoofdvordering. Mededeelbaarheid aan het openbaar ministerie. Openbare orde. Sanctie. Valsheid toegeschreven aan een magistraat. Preocedure al of niet ad personam? bArtikelen 764, 5° en 895 e.v. Ger. W. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2008/AR/952 INZAKE VAN : 1) Mevrouw M. S., en 2) De heer D. V., woonstkiezende op het kantoor van hun raadsman Meester Antoon DUBOIS, advocaat te 3090 OVERIJSE, Brusselsesteenweg 426, appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 6 februari 2008, beiden in persoon verschijnende, bijgestaan door Meester Antoon DUBOIS, advocaat te 3090 OVERIJSE, Brusselsesteenweg 426 1ste kamer TEGEN : Mevrouw E. D., , geïntimeerde, in persoon verschijnende, bijgestaan door Meester Jean-Emmanuel BEERNAERT, advocaat te 1200 BRUSSEL, de Broquevillelaan 116/10, MEDEDEELBAARHEID AAN HET OPNBAAR MINISTERIE, VAN VORDERINGEN TOT BETICHTING VAN VALSHEID IN BURGERLIJKE ZAKEN. SANCTIE. ART. 764,5° Ger. W. RAAKT DE OPENBARE ORDE. Overeenkomstig artikel 764, 5° Ger.W. zijn vorderingen tot betichting van valsheid in burgerlijke zaken, op straffe van nietigheid, mededeelbaar aan het openbaar ministerie. Het gaat om een nietigheid die de openbare orde raakt . Burgerlijke vorderingen allerlei, zoals in deze een valsheidsvordering die bij wijze van hoofdvordering wordt ingesteld, kunnen nooit ad personam tegen een zetelende magistraat worden ingesteld. ______________________________________________________________ Gelet op de procedurestukken: • het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 6 februari 2008, beslissing die betekend werd op 12 maart 2008; • het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 7 april 2008; • de conclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 2 juni 2008; • de samenvattende conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 25 juni 2008; • het schriftelijk advies van het openbaar ministerie neergelegd ter zitting van 2 december 2008. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 2 december 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van appellanten strekte ertoe

(1)hun vordering ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en
(2)te zeggen voor recht dat de uitvoering van het vonnis van 12 juni 2006 (A.R. 128/06/13B) geschorst diende te worden,
(3)de rechtbank te zien handelen overeenkomstig de artikelen 900 e.v. Ger.W. en
(4)huidige geïntimeerde te veroordelen in de kosten. Appellanten werpen desbetreffend op dat in een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel - jeugdkamer - op 12 juni 2006 alvorens recht te doen de heer Urbain Erickx als deskundige werd aangesteld met als opdracht een psychologisch onderzoek uit te voeren op grond van de overweging dat uit de debatten ter zitting gebleken was dat beide partijen (= dus ook huidige appellanten) zich akkoord verklaarden met een dergelijk onderzoek. Appellanten betwisten echter ooit hun akkoord te hebben gegeven voor een psychologisch onderzoek en menen dat de overweging die de jeugdrechter ertoe bracht een dergelijk onderzoek te gelasten een intellectuele valsheid uitmaakt. Zij wensen desbetreffend dan ook een valsheidprocedure in te stellen conform de artikelen 895 e.v. Ger.W. 1.2. Bij conclusie vroeg huidige geïntimeerde, bij wijze van tegeneis, de betaling van een bedrag van 1.500 euro uit hoofde van een tergend procesmisbruik. 1.3. Hierop volgend breidden appellanten hun oorspronkelijke vordering uit en vroegen de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een bedrag van 2.000 euro wegens het instellen van een tergende en roekeloze tegeneis. 1.4. De eerste rechter heeft
(1)de hoofdvordering niet ontvankelijk verklaard omdat de hoofdvordering gericht is tegen een gerechtelijke akte, zijnde een vonnis gewezen door een orgaan van de Belgische Staat, en bijgevolg een dergelijke vordering ingesteld diende te worden tegen de Belgische Staat
(2)de tegeneis ontvankelijk doch ongegrond verklaard gelet op de specifieke voorgaande in dat dossier en
(3)appellanten veroordeeld in de kosten waaronder een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.200 euro . Over de vordering ingesteld door appellanten wegens het instellen van een tergende en roekeloze tegeneis wordt door de eerste rechter niet expliciet uitspraak gedaan. 1.5. In hoger beroep hernemen appellanten hun vorderingen zoals ingesteld en uitgebreid voor de eerste rechter. 1.6. Geïntimeerde vraagt
(1)het hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren bij gebrek aan persoonlijk en actueel belang,
(2)subsidiair het hoger beroep ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te willen bevestigen en
(3)nog meer subsidiair de oorspronkelijke vordering van appellanten ongegrond te verklaren. Bij wijze van " incidenteel beroep " vraagt geïntimeerde bovendien de betaling van een bedrag van 1.500 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep . II. De feiten. 2.
  1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
  2. Het komt hierop neer dat geïntimeerde de moeder is van eerste appellante. Uit het tweede huwelijk van eerste appellante met tweede appellant is een dochter geboren, Valérie Marlette, geboren op 16 september
  3. Volgens geïntimeerde besloot zij, na het overlijden van haar echtgenoot, haar woning in het zuiden van Frankrijk te verkopen en terug te gaan wonen in België om dichter bij haar familie te zijn. Nog steeds volgens geïntimeerde aanvaardden appellanten die keuze niet en verboden zij vanaf dan elk contact tussen Valerie en haar grootmoeder. Bij verzoekschrift neergelegd op 27 januari 2006 heeft geïntimeerde dan ook een procedure ingeleid voor de jeugdrechtbank teneinde haar een omgangsrecht toe te kennen. Tegen het tussenvonnis - voorwerp van huidig geschil - werd hoger beroep aangetekend. In de procedure in hoger beroep hebben appellanten hetzelfde middel opgeworpen als thans wordt ingeroepen. Bij arrest gewezen op 12 december 2006 verklaarde het hof zich onbevoegd om kennis te nemen van deze vordering gezien het om een nieuwe vordering ging die ingesteld moest worden voor de rechtbank van eerste aanleg. Inmiddels heeft de jeugdrechtbank bij vonnis van 21 januari 2008 de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard en haar een omgangsrecht toegekend van één zondag per trimester. Aan de ouders wordt opgelegd Valerie te brengen en op te halen onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro per vastgestelde inbreuk. Tegen dit vonnis hebben appellanten tevens hoger beroep aangetekend. III. Wat de ontvankelijkheid betreft van het hoger beroep: 3.1.Geïntimeerde is de mening toegedaan dat appellanten geen belang meer hebben bij het door hen ingestelde hoger beroep, nu dit, conform het beschikkend gedeelte van hun verzoekschrift in hoger beroep, tot (hoofd)doel heeft de uitvoering van het (tussen)vonnis van 12 juni 2006 te schorsen, wat achterhaald is gelet op het inmiddels tussengekomen eindvonnis van 21 januari 2008, waartegen appellanten eveneens hoger beroep hebben aangetekend. De vordering van appellanten heeft als voorwerp het tussenvonnis van 12 juni 2006 vals te horen verklaren in zoverre hierin geacteerd werd dat " beide partijen " zich akkoord verklaarden met een psychologisch onderzoek. Deze vordering werd als zodanig afgewezen door de eerste rechter en appellanten beschikken wel degelijk over een actueel en rechtstreeks belang om deze beslissing aan te vechten gezien van het van valsheid beticht stuk in verdere procedures nog steeds gebruik kan gemaakt worden 3.
  4. Het hoger beroep, dat bovendien tijdig werd ingesteld, is derhalve ontvankelijk. IV. Beoordeling. 4.
  5. Appellanten stellen bij wijze van hoofdvordering een valsheidprocedure in bij toepassing van artikel 895 e.v. Ger.W. Overeenkomstig artikel 764, 5° Ger.W. zijn vorderingen tot betichting van valsheid in burgerlijke zaken, op straffe van nietigheid, mededeelbaar aan het openbaar ministerie. Het gaat om een nietigheid die de openbare orde raakt . Uit het zittingsblad van 9 januari 2008 blijkt dat de debatten in eerste aanleg gevoerd werden in aanwezigheid van het Openbaar Ministerie en dat deze (mondeling) zijn advies heeft gegeven. De procedure werd in eerste aanleg derhalve regelmatig gevoerd. 4.
  6. De partijen waren allen aanwezig ter zitting van 2 december 2008 voor het hof. Appellanten hebben alsdan bevestigd dat in het tussenvonnis van 12 juni 2006 door de jeugdrechter valselijk werd vastgesteld dat de betrokken partijen instemden met het houden van een psychologisch onderzoek. De jeugdrechter stelde meer bepaald vast: " Uit de debatten ter zitting is gebleken dat beide partijen zich akkoord kunnen verklaren met een psychologisch onderzoek. " Desbetreffend vonnis - zoals medegedeeld - werd alsdan neergelegd ter griffie van het hof overeenkomstig artikel 901 Ger.W. 4.
  7. Appellanten verwijten aan de jeugdrechter, zijnde een orgaan van de Belgische Staat, een vonnis valselijk te hebben opgesteld minstens hierin vermeldingen te hebben opgenomen die niet met de werkelijkheid overeenstemmen en derhalve vals zijn. Een hoofdvordering in burgerlijke valsheid gericht tegen een magistraat, orgaan van de Belgische Staat, moet derhalve gericht worden tegen de Belgische Staat. Geïntimeerde kan in dit verband niets verweten worden omdat zij geen uitstaans heeft met valsheden die al dan niet gepleegd werden door een magistraat. Burgerlijke vorderingen allerlei, zoals in deze een valsheidsvordering die bij wijze van hoofdvordering wordt ingesteld, kunnen nooit ad personam tegen een zetelende magistraat worden ingesteld. 4.
  8. In tegenstelling met wat de eerste rechter besliste is de vordering van appellanten echter ongegrond. De vraag of een vordering gericht is tegen een juiste tegenpartij is een beslissing ten gronde en betreft niet de ontvankelijkheid van de ingestelde vordering. 4.
  9. Geïntimeerde vraagt bij wijze van incidenteel hoger beroep haar een schadevergoeding toe te kennen van 1.500 euro plus de gerechtelijke intresten wegens het instellen van een tergend en roekeloos " hoger beroep ". Een dergelijke vordering is een vordering die eigen is aan de beroepsprocedure en derhalve het voorwerp niet kan uitmaken van een "incidenteel" hoger beroep al was het maar omdat over een dergelijke vordering geen uitspraak kan gedaan worden door de eerste rechter. Het betreft hier een loutere incidentele vordering. In eerste aanleg stelde geïntimeerde een vordering in wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding doch deze vordering wordt in hoger beroep niet gehandhaafd. Desbetreffend vraagt geïntimeerde bijgevolg impliciet de bevestiging van het bestreden vonnis. Geïntimeerde moet bewijzen dat appellanten bij de uitoefening van hun recht om hoger beroep in te stellen een fout hebben begaan omdat zij dat recht misbruikt hebben of beroep aangetekend hebben met een schuldige lichtzinnigheid. Dit bewijs wordt niet geleverd door geïntimeerde. De (incidentele) vordering tot het bekomen van schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep wordt derhalve afgewezen als ongegrond. 4.
  10. Appellanten vragen op hun beurt geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van 2.000 euro wegens het instellen van een tergende en roekeloze tegeneis. De "tegeneis" waarnaar appellanten refereren is de vordering tot schadevergoeding ingesteld door geïntimeerde in eerste aanleg wegens het instellen van een tergende en roekeloze vordering/procesvoering. Deze "tegeneis" - die in eerste aanleg werd afgewezen - wordt in hoger beroep niet gehandhaafd (zie punt 4.
  11. van huidig arrest). Er is dan ook geen enkele rechtsgrond voorhanden die aanleiding zou kunnen geven tot een veroordeling tot schadeloosstelling van geïntimeerde. Volledigheidshalve wordt hieraan toegevoegd dat noch de incidentele vordering ingesteld door geïntimeerde noch het door geïntimeerde gevoerde verweer een tergend en roekeloos karakter vertonen. 4.
  12. Partijen vragen een rechtsplegingsvergoeding van 1.200 euro , zijnde deze die verschuldigd is (= basisbedrag) voor niet in geld waardeerbare vorderingen. Deze rechtsplegingsvergoeding komt toe aan geïntimeerde als de in het gelijk gestelde partij. De oorspronkelijke hoofdvordering wordt immers integraal afgewezen. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, neergelegd ter openbare terechtzitting van 2 december
  13. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de hierna volgende mate. Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijzigingen dat de vorderingen van appellanten, zoals oorspronkelijk ingesteld en uitgebreid, ontvankelijk doch ongegrond worden verklaard. Verklaart het incidenteel beroep zonder voorwerp. Verklaart de vordering (= incidentele vordering) tot het bekomen van schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt appellanten in de kosten van hoger beroep, begroot - in hoofde van henzelf op 1.386 (186 rolrecht + 1.200 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Roland DEBRUYNE, Advocaat-Generaal, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.