id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 20 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090120.2 Rolnummer: 2003AR2408 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-20 Raadplegingen: 132 - laatst gezien 2026-07-02 19:00 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Fout - de daad - Zorgvuldigheid Vrije woorden: Psychiatrische kliniek. Open afdeling. 'Vrije' patiënt met suïcidale neigingen. Verlating door de patiënt van de instelling zonder de gebruikelijke uitgangskaart, gevolgd door zelfmoord van de patiënt. Contractuele verplichtingen t.o.v. de partiënt. Inschattingsfout. Inbreuk op de contractuele verplichting tegenover de patiënt met suïcidale neigingen om passend toezicht op hem uit te oefenen. Inbreuk op de zorguldigheidsplicht vervat in artikel 1382 B.W., ten aanzien van de naasten van de patiënt. vaststelling van de diverse schadeposten (Morele schade, materiële schade, begrafeniskosten). Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2003/AR/2408 INZAKE VAN : 1) Mevrouw K. C., handelend in haar hoedanigheid van wettige voogdes over de minderjarige kinderen X. V. EN Y. V., 2) Mevrouw N. V., appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 6 februari 2003, vertegenwoordigd door Meester Christian RASSCHAERT, advocaat te 9230 WETTEREN, Begijneweidestraat 17, 1ste kamer TEGEN : De V.Z.W. UNIVERSITAIR CENTRUM SINT-JOZEF, gevestigd te 3070 KORTENBERG, Leuvensesteenweg 517, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Kristiane HUBRECHTS, advocaat te 3010 KESSEL-LO, Tiensesteenweg 305, Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het tussenarrest van deze kamer d.d. 5 februari 2008; - de syntheseconclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 16 juni 2008; - de syntheseconclusie van geïntimeerde, ter griffie neergelegd op 19 november 2008, andermaal op 25 november
- Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 25 november 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden.
- Het hof verwijst naar de uiteenzetting in het tussenarrest m.b.t. het voorwerp van de vordering en de procedureantecedenten. Het hoger beroep werd al ontvankelijk verklaard. Het volledig medisch dossier werd in uitvoering van het arrest door geïntimeerde neergelegd. 1°. Relevante feitelijke gegevens
- De heer P. V., geboren op 16 juli 1959, echtgenoot van eerste appellante en vader van tweede appellante, werd op 18 september 1996 als vrije patiënt opgenomen in de psychiatrische afdeling Sint-Lodewijk van de VZW Sint-Jozef Universitair Centrum te Kortenberg. Hij werd naar deze instelling doorverwezen door het A.Z. Sint-Jozef te Turnhout, alwaar hij op 20 augustus 1996 opgenomen was geworden (na een zelfmoordpoging) "omwille van een depressie met psychotische kenmerken en waar men dacht aan de diagnose van een schizo-affectieve stoornis, doch ook bedacht was op mogelijks meer ingewikkelde psychopathologie" . Hij werd doorverwezen "voor oppuntstelling van de diagnose en met het oog op een aangepaste behandeling" . Op (zaterdag) 21 september 1996 kreeg P. V. bezoek van zijn broer F.. Op deze gelegenheid kreeg hij op zijn aanvraag de toelating om naar buiten te gaan in gezelschap van zijn broer. Hij kreeg daarvoor op zijn afdeling een "gele uitgangskaart" die hij na zijn terugkomst in zijn bezit hield. s' Anderendaags (zondag 22 september 1996), tussen 8 en 9 uur, maakte hij gebruik van deze kaart en kon hij zonder begeleiding buitengaan. Hij pleegde op diezelfde dag, om 9uur 13', zelfmoord onder de trein.
- Naar aanleiding van het ongeval werd een strafonderzoek geopend. In de verklaring van F. V. d.d. 8 januari 1998 staat te lezen: " Iemand van het verplegend personeel stelde voor om met P. buiten te gaan. Het was toen redelijk goed weer. Zij ging naar haar bureeltje en gaf een kaartje af aan mijn broer. Ik was niet op de hoogte van de regels die daar gelden, maar ik vermoedde dat het kaartje diende om buiten te kunnen. Aan de uitgang aldaar is er een soort loket. Mijn broer P. wou het kaartje laten zien, doch de vrouw die in het loket zat reageerde niet. Zij was bezig met andere zaken. Wij hebben daar enkele minuten gestaan. Mijn broer toonde voortdurend zijn kaartje, doch er werd niet op gereageerd. Ik had gemerkt dat de buitendeur half open stond. Het was toen juist bezoekuur, waardoor er waarschijnlijk wel wat verloop was. Ik heb toen tegen mijn broer gezegd om zo langs de deur buiten te gaan. Wij zijn dan samen buiten gegaan. Wij zijn ongeveer twee uur samen buiten geweest (...). Ik ben dan samen met mijn broer terug naar de instelling gewandeld. Ik heb hem begeleid tot aan de deur en er op gelet dat hij effectief binnenging. Ik heb niet kunnen zien dat hij het loket voorbij is gegaan, en weet dan ook niet dat toen naar het bewuste kaartje is gevraagd."
- Mevrouw B., verantwoordelijke nursing en personeel (elders in het dossier gekwalificeerd als "directrice personeel"), bevestigde op 24 februari 1998 dat P. V. de toestemming had gekregen om in gezelschap van familie de instelling te verlaten. "Hij (P. V.) heeft een uitgangskaart gekregen dewelke hij aan de uitgang (receptie) moest afgeven. Uit het intern onderzoek is echter gebleken dat hij zijn uitgangskaart niet afgegeven heeft aan de uitgangscontrole". Zij verklaarde verder: "Gezien er familie bij hem was die de verantwoordelijkheid over hem droeg mocht hij de instelling verlaten. Een patiënt mag de instelling verlaten in de volgende gevallen: - of met zijn gele uitgangskaart; - of in aanwezigheid van familie; - of door telefonische melding door de verpleging naar de receptie. Zelfs in aanwezigheid van de familie is het mogelijk dat hij ook een gele uitgangskaart heeft. Van het moment dat er familie bij de patiënt is wordt verondersteld dat de familie alle verantwoordelijkheid draagt. Op 22 juni 1996 omstreeks 9 uur heeft P. V. het ziekenhuis verlaten via de receptie en dit met zijn uitgangskaart die hij op zaterdag 21 juni 1996 niet had afgegeven aan de receptie. Hij was alleen op dat moment. De verpleging was er niet van op de hoogte dat hij weg was. Hij heeft zonder toestemming van de verpleging de afdeling verlaten. Aan de receptie heeft hij nog gevraagd of het zo in orde was om naar buiten te gaan. Gezien hij een gele kaart had werd hem bevestigd dat het in orde was. Op de gele kaart staat de naam van de patiënt vermeld, de afdeling waarop hij verblijft en de handtekening van de verpleegkundige. De kaarten dienen afgegeven te worden aan de receptie door de patiënt zelf en worden door de receptie 's avonds terug op de afdeling van de patiënt bezorgd. Door het personeel belast met de uitgangscontrole werd geen enkele fout begaan. Op de kaart stond in geen geval vermeld dat de patiënt enkel buiten mocht met de familie. Dit wordt nooit op de kaart vermeld (...)." De verbalisanten hadden kennelijk twijfels over bepaalde zwakheden in de procedure, meer bepaald over de afgifte van een gele kaart aan een patiënt die de instelling met familie verlaat en over het ontbreken van datum op de kaart, met dan het risico dat psychiatrische patiënten het centrum ongewenst verlaten. Volgens de wachtmeesters van de gerechtelijke politie had mevrouw Bostyn hierover "ontwijkende antwoorden".
- Mevrouw C, sedert 1979 werkzaam in de instelling als telefoniste / receptioniste, werd op haar beurt op 18 maart 1998 ondervraagd. Zij verklaarde dat P. V. op 22 september 1996 zijn kaart spontaan afgegeven heeft en dat zij de kaart controleerde die in orde was. Zij heeft hem dan laten buitengaan.
- Mevrouw S., verpleegkundige in de instelling sinds juli 1995, bevestigde dat zij op 21 september 1996 een gele uitgangskaart aan P. V. had overhandigd met de vraag om de kaart aan de receptie af te geven. Betreffende het kaartensysteem verklaarde zij: " Voorafgaandelijk wordt op de afdeling uitgemaakt wie ja dan nee buiten mag en onder wiens begeleiding. P. V. mocht gaan wandelen met bezoek, en dit tussen de maaltijden. Het was de eerste maal dat P. V. buiten ging. Zodoende heb ik hem een uitgangskaart ingevuld. Deze kaart dient afgegeven te worden aan de receptie op het ogenblik dat men het gebouw verlaat. De kaarten komen dan van de receptie terug naar de afdeling. Een volgende keer bij het uitgaan wordt de patiënt dan terug in het bezit gesteld van hetzelfde kaartje. De gangbare procedure was dat er niemand van de patiënten alleen naar buiten mocht. Ofwel waren zij vergezeld van hun bezoek en in het bezit van een gele uitgangskaart, ofwel na toestemming van het team, doch vergezeld van een ander patiënt. Deze verworvenheden en toestemmingen van ieder patiënt werden op de afdeling bijgehouden."
- Uit zijn huwelijk met eerste appellante (ontbonden bij EOT) liet P. V. drie kinderen na: N., thans 19 jaar, X. en Y. (tweeling 17 jaar). III. Bespreking 1°. De aansprakelijkheden
- Het staat vast dat, bij zijn opname, het personeel van geïntimeerde kennis kreeg van het feit dat P. V. "al enkele (zelfmoord)pogingen (had) gedaan: polsen, verdrinking, vergiftiging" . Dit blijkt duidelijk uit zowel het eigenhandig verslag bij opname als uit het "informatieblad voor de verpleging". In het verslag d.d. 25 september 1996 van Dr. V. is er zelfs sprake van een suïcidepoging in de afdeling, terwijl hij opgenomen was in Zoersel in de tweede helft van
- Al één uur na het overlijden van P. V., kon mevrouw B., verantwoordelijke hoofd van de psychiatrische kliniek, aan de verbalisanten verklaren dat de betrokkene "reeds voordien voor de opname bij ons enkele zelfmoordpogingen heeft ondernomen". Wanneer de politiediensten telefonisch met geïntimeerde contact opnam werd er al verklaard "dat het inderdaad een patiënt van hun is welke sedert 18 september 1996 is opgenomen en reeds een viertal zelfmoordpogingen heeft ondernomen". Kennelijk was het personeel van geïntimeerde dus wel op de hoogte van de suïcidale neigingen van de betrokkene en van een recent voorval. Geïntimeerde ontkent ten onrechte het suïcidegevaar.
- Bij de opname van P. V. als patiënt heeft geïntimeerde contractuele verplichtingen op zich genomen die concreet inhielden dat de instelling een inspanningsverbintenis had om verzorging te verstrekken aan de patiënt en, vooral bij geesteszieken, om hem te bewaken. Dit geldt zowel voor de vrije patiënten als voor de gecolloqueerde patiënten. De omstandigheid dat psychiatrische patiënten zich in een open afdeling laten opnemen impliceert dat zij zelf om verzorging, toezicht en bewaking vragen en dat zij vrij een einde kunnen stellen aan hun opname, zij het dat het dan de instelling behoort desgevallend een beroep te doen op de overheden ter bescherming van de betrokkene. Daarentegen houdt het principe van de open instelling niet dat de patiënt onvoorwaardelijk ("wanneer hij wil") de instelling mag verlaten.
- Een passend toezicht op geesteszieken, en vooral deze die suïcidale neigingen koesteren, veronderstelt een doeltreffende controle op hun aanwezigheid in de instelling en op hun uitgang buiten de instelling. Dit is overigens de reden waarom geïntimeerde een systeem van "uitgangskaarten" had uitgedacht en in werking gesteld.
- Welnu, het bewakingsysteem dat bij geïntimeerde toepasselijk was, vertoonde kennelijk gebreken zowel in zijn concept als in zijn toepassing. Het feit dat een uitgangskaart aan een patiënt werd bezorgd wanneer hij, zoals te dezen op 21 september 1996, met een familielid mocht uitgaan terwijl de regeling, zoals door mevrouw Bostyn uiteengezet, de patiënt toeliet om vergezeld zonder uitgangskaart de instelling te kunnen verlaten was duidelijk van die aard dat zij problemen moest veroorzaken. Nu de vergezelde patiënt de instelling zonder kaart mocht vertrekken, rees immers vanzelfsprekend het gevaar dat de hem afgegeven uitgangskaart in zijn bezit zou blijven en dat hij er later ongewenst gebruik zou maken. Het risico was des te groter omdat de uitgangskaarten geen datum droegen en dus onbeperkt geldig bleven. Er bestond bovendien geen ernstig systeem van controle op de ingeleverde kaarten, noch aan de receptie, noch op de afdeling. Een uitgangskaart werd aan P. V. op 21 september 1996 afgegeven maar niemand heeft vastgesteld dat de kaart niet terug naar de afdeling was gegaan. Geïntimeerde heeft ook een evidente inschattingsfout begaan door vanuit te gaan dat een psychiatrische patiënt bij het verlaten van de instelling noodzakelijk de uitgangskaart zou afgeven. De verbalisanten hebben overigens zelf hun twijfel over dit systeem uitgedrukt en benadrukt dat de directrice, mevrouw Bostyn, hun vragen op ontwijkende manier beantwoordde . Volgens deze laatste werd trouwens "de gangbare procedure van september 1996 temeer door dit voorval (intussen) gewijzigd".
- Ook in zijn praktische toepassing vertoonde het controlesysteem bij geïntimeerde leemtes: wanneer P. V. op 21 september 1996 de instelling met zijn broer wou verlaten, heeft hij "enkele minuten" gewacht om spontaan zijn uitgangskaart af te geven maar werd er niet op gereageerd door het personeel aan het loket. De kaart werd toen niet opgevraagd en niet eens in ontvangst genomen door het personeel dat elders bezig was, met het gevolg dat hij finaal in het bezit bleef van zijn kaart en er 's anderendaags gebruik van maakte. Het personeel aan de receptie bleek ook in werkelijkheid niet echt op de hoogte van het systeem zoals door de directrice beschreven. De personeelsleden van geïntimeerden legden immers tegenstrijdige verklaringen desbetreffend af.
- Appellanten stellen dan ook terecht dat geïntimeerde tekort gekomen is aan haar contractuele inspanningsverbintenis om op de patiënt passend toezicht uit te oefenen . Zij heeft zich t.a.v. een patiënt met onrustwekkende suïcidale neigingen niet gedragen als een normaal waakzame en voorzichtige psychiatrische instelling in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst.
- De fout van geïntimeerde maakt bovendien ten aanzien van derden, en in het bijzonder van de naasten van de patiënt, te weten appellanten, een quasi-delictuele fout uit nu geïntimeerde tekort kwam aan de zorgvuldigheidsplicht van iedere voorzichtige psychiatrische instelling in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst. De schade in hoofde van appellanten was redelijkerwijze voorzienbaar. Appellanten steunen zich niet alleen op de contractuele wanprestatie in de uitvoering van de bewakingsplicht van geïntimeerde maar ook op artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek (zie dagvaarding).
- Het hof stelt vast dat geïntimeerde het ongeval niet toeschrijft aan enige fout van de broer van het slachtoffer. Het zou alleszins niet relevant zijn dat geïntimeerde een samenlopende fout in hoofde van een derde zou inroepen, zulks voor zoveel dergelijke fout bewezen zou zijn.
- Geïntimeerde dient dan ook veroordeeld te worden voor de door haar veroorzaakte schade. 2°. De schade
- Geïntimeerde betwist de begrafeniskosten in de mate dat zij "hetgeen heden ten dage gebruikelijk is", te weten 3.098,67 euro " overtreffen en in zoverre appellanten hun schade niet beperken tot het vervroegd karakter van de betaling.
- De door appellanten gevorderde begrafeniskosten bedragen 5.350,73 euro (begrafenisonderneming BVBA Joris 138.938 BEF + receptie Parochiecentrum Pax 34.560 BEF + grafzerk 42.350 BEF). Het wordt niet aangetoond dat deze kosten buitensporige uitgaven uitmaken rekening gehouden met de status van de overledene en diens nabestaanden. Daarentegen komt enkel de schade die voortvloeit uit de vervroegde uitgave van de begrafeniskosten in aanmerking. De berekening van geïntimeerde wordt niet betwist en komt exact voor. Er wordt toegekend: 5.370,73 euro - (5.370,73 euro x 0,17967) = 4.405,77 euro . Deze kosten komen, zoals gevorderd, aan eerste appellante C. toe tot beloop van 2/3 (2.937.18 euro of 1.468,59 euro voor elke kind) en ten belope van 1/3 (1.468,59) aan tweede appellante N. V..
- Geïntimeerde betwist ten onrechte de aanspraak op morele schade in hoofde van de kinderen. De omstandigheid dat hun ouders gescheiden leefden of dat hun vader in psychiatrie opgenomen was sluit het lijden van morele schade voor het verlies van hun vader geenszins uit. Er wordt evenwel rekening gehouden met de omstandigheid dat de vader niet met de kinderen samenwoonde enerzijds maar ook met de tragische omstandigheden van het overlijden anderzijds. De morele schade wordt in billijkheid begroot op 5.000 euro per kind.
- Eerste appellante vordert verder de vergoeding van de materiële schade wegens inkomstenverlies of verlies aan bijdrage in de kosten van opvoeding en vorming, zulks op grond van de voorafgaande EOT - overeenkomst van 17 juni
- Deze overeenkomst bepaalde de bijdrage ten laste van de vader en betaalbaar aan de moeder, buiten kinderbijslag, op 3.000 BEF per maand en per kind, gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen (startindex juni 1995), 4.000 BEF vanaf de leeftijd van 6 jaar, 5.000 BEF vanaf 12 jaar en 6.000 BEF na 18 jaar. Het kan aangenomen worden dat, zonder het fataal ongeval van 22 september 1996, de heer P. V. zich zou gekweten hebben van zijn alimentatieschuld. N. V. volgt het tweede jaar Bachelor lichamelijke opvoeding en bewegingswetenschappen aan de K.U.L. Het eerste jaar werd met succes (73,10 %) in juni 2008 afgelegd zodat het kan verondersteld worden dat zij het gehele programma zal kunnen afsluiten, dit is tot de leeftijd van 22 jaar. De vordering strekkende tot de betaling van de geïndexeerde bijdrage tot deze leeftijd is gegrond. Ook X. en Y., thans 17 jaar, behaalden in hun opleiding aan de middelbare school (5de jaar in 2007-2008) zeer behoorlijke resultaten. Meer recente inlichtingen werden ter zitting niet verstrekt. Het volgen van universitaire studies, en zelfs tot 23-jarige leeftijd, is geenszins uitgesloten. Het behoort echter de vergoeding voor de twee jongste kinderen voorlopig te beperken tot 18 jaar. Na deze leeftijd zal er later in functie van de evolutie van hun studies worden rechtgedaan.
- Voor N. V. bedraagt de vergoeding van de materiële schade vanaf oktober 1996 tot aan de vermoedelijke datum van het arrest (30 september 2008) volgens de berekening in haar conclusie 18.416,51 euro . Na actualisatie in functie van de werkelijke datum van het arrest (20 januari 2009) bedraagt de vergoeding voor materiële schade tot aan deze laatste datum 19.034,86 euro (18.416,51 euro + 4 x 6.236 BEF) + vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de gemiddelde datum van 25 november
- Na het arrest wordt voor N. V., zoals gevorderd, 6.719,89 euro toegekend, verschuldigd tot juli 2011 (22 jaar of einde van het vierde jaar aan de universiteit).
- De aan elk van de tweeling toekomende vergoeding voor materiële schade beloopt 17.324,73 euro van oktober 1996 tot 30 september 2008, vermoedelijke datum van het arrest volgens de conclusie van appellanten, zijnde, geactualiseerd tot 20 januari 2009, 17.943,08 euro (17.324,73 euro + 4 x 6.236 BEF) + vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de gemiddelde datum van 25 november
- Na deze datum wordt provisioneel toegekend per kind: 1.082,13 euro (7 maanden x 154,59 euro per maand tot op 30 september 2009).
- De vordering door eerste appellante in eigen naam van de materiële schade voor inkomensverlies wordt op zich niet betwist.
- Tenslotte wordt de vordering strekkende tot betaling van 7.436,81 euro (300.000 BEF) per kind, voor "uitzet en bruidschat" ongegrond verklaard. Het wordt immers niet aangetoond dat P. V., rekening gehouden met zijn bescheiden inkomsten en gezondheidstoestand effectief deze vergoeding had kunnen uitgeven voor zijn kinderen.
- Samenvatting: · In hoofde van K. C. in eigen naam: - materiële schade inkomensverlies voor X. en Y.: tot arrest : 17.943,08 euro na arrest (provisioneel): 1.082,13 euro - materiële schade inkomensverlies voor N.: tot arrest : 19.034,86 euro na arrest : 6.719,89 euro · In hoofde van K. C. q.q. voor elk van de minderjarige kinderen X. en Y.: - begrafeniskosten: 1.468,59 euro - morele schade: 5.000,00 euro · In hoofde van N. V. - begrafeniskosten: 1.468,59 euro - morele schade: 5.000,00 euro
- Nopens de gerechtskosten: Partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingsvergoeding te begroten op het basistarief zoals vastgesteld bij het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Te dezen bedraagt het basisbedrag 5.000 euro . De gerechtskosten komen aan appellanten toe, als in het gelijk gestelde partijen. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Het arrest van 5 februari 2008 verder uitwerkend, Verklaart het hoger beroep in de volgende mate gegrond. Hervormt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre het de vorderingen ontvangt en de gerechtskosten begroot. Opnieuw rechtsprekend, verklaart de oorspronkelijke vordering van appellanten in de volgende mate gegrond. Veroordeelt geïntimeerde tot betaling aan mevrouw K. C., handelend in eigen naam, VIERENVEERTIGDUIZEND ZEVENHONDERD NEGENENZEVENTIG EURO ZESENNEGENTIG CENT [44.779,96 euro (17.943,08 euro + 1.082,13 euro + 19.034,86 + 6.719,89 euro )] provisioneel, vermeerderd met de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 25 november 2002 op 17.943,08 euro en 19.034,86 euro , telkens tot aan de dagvaarding en vanaf dan met de gerechtelijke interesten en vanaf de datum van huidig arrest op 1.082,13 euro en 6.719,89 euro . Veroordeelt geïntimeerde tot betaling aan mevrouw K. C., handelend in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigster van haar minderjarige kinderen X. en Y., en dit voor elk van deze kinderen, ZESDUIZEND VIERHONDERD ACHTENZESTIG EURO NEGENENVIJFTIG CENT [ 6.468,59 euro (1.468,59 euro + 5.000 euro )], vermeerderd met de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 22 september 1996 tot aan de dagvaarding en vanaf dan met de gerechtelijke interesten. Veroordeelt geïntimeerde te betalen aan mejuffrouw N. V. ZESDUIZEND VIERHONDERD ACHTENZESTIG EURO NEGENENVIJFTIG CENT [6.468,59 euro (1.468,59 euro + 5.000 euro )], vermeerderd met de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 22 september 1996 tot aan de dagvaarding en vanaf dan met de gerechtelijke interesten. Veroordeelt geïntimeerde tot de gerechtskosten van beide aanleggen. Begroot de kosten van het hoger beroep - in hoofde van appellanten op euro 5.186 (186 rolrecht + 5.000 rechtsplegingsvergoeding) , en - in hoofde van geïntimeerde op euro 5.000 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div