← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090120.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 20 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090120.3 Rolnummer: 2005AR1927 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-20 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-02 19:00 Fiche De aansprakelijkheid van de bewaarder van de zaak voor de schade die desbetreffende zaak veroorzaakte, wordt niet weggenomen door de onoverkomelijke onwetendheid omtrent het gebrek van de zaak. Dat de bewaarder van de zaak hierbij geen eigen fout beging, is evenmin relevant. Op grond van artikel 1384, lid 1 B.W. is de bewaarder aansprakelijk ook al heeft hij geen fout begaan. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Zaken Vrije woorden: Art. 1384, lid 1 B.W. Een kelderdeksel dat omklapt wanneer erop gestapt wordt is gebrekkig in de zin van artikel 1384 B.W. Derhalve is de bewaarder (in casu de huurder) aansprakelijk. De aansprakelijkheid van de bewaarder wordt niet weggenomen door de onoverkomelijke onwetendheid omtrent het gebrek van de zaak. Op grond van art. 1384, lid 1 B.W. is de bewaarder aansprakelijk, ook al beging hij geen fout. Huurdersaanpsrakelijkheid: toepassing van de artikelen 1719, 1721 en 1725 B.W. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 1384, eerste lid oud Burgerlijk Wetboek - 1719, 1721 en 1725 Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2005/AR/1927 INZAKE VAN : De VLAAMSE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE, vertegenwoordigd door en in de persoon van de Voorzitter van het College, waarvan het kabinet gevestigd is te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 54/11, appellantE tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 1 maart 2005, vertegenwoordigd door Meester Nathalie VANOVERBERGHE loco Meester Jan DE BONDT, advocaat te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643, 1ste kamer TEGEN : 1) De V.Z.W. REGIONAAL INSTITUUT VOOR DE SAMENLEVINGSOPBOUW TE BRUSSEL, afgekort RISO, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Antwerpsesteenweg 295, 2) De naamloze vennootschap MERCATOR VERZEKERINGEN, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 302, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 400.048.883, eerste en tweede geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Charlotte VERDEYEN loco Meester Guido VERDEYEN, advocaat te 1050 BRUSSEL, Waterloosesteenweg 412 F, 3) De naamloze vennootschap naar publiek recht DE POST, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Muntcenter 1, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0214.596.464, derde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Stevens BAUWENS loco Meester Marc DALLE, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpensesteenweg 187, Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 1 maart 2005 , beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 15 juli 2005; · de syntheseconclusie van eerste en tweede geïntimeerde neergelegd ter griffie op 9 november 2006; · de conclusie van derde geïntimeerde neergelegd ter griffie op 12 januari 2007; · de syntheseconclusie van appellante neergelegd ter griffie op 26 februari 2007. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 1 december 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van De Post, huidige derde geïntimeerde, strekte ertoe het RISO en Mercator, huidige eerste en tweede geïntimeerde, solidair te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 5.367,72 euro plus de vergoedende intresten vanaf de datum van het ongeval, en de gerechtelijke intresten. 1.2. Bij exploot betekend op 18 juni 2003 ging het RISO over tot het dagvaarden in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, huidige appellante. De Post breidde alsdan haar vordering uit tegen appellante. 1.3. De eerste rechter heeft

(1)het RISO, Mercator en de Vlaamse Gemeenschapscommissie in solidum veroordeeld tot betaling van een bedrag van 5.367,72 euro , plus de vergoedende intresten vanaf de datum van het ongeval en de gerechtelijke intresten,
(2)de Vlaamse Gemeenschapscommissie veroordeeld om het RISO en Mercator te vrijwaren ten beloop van de door hen opgelopen veroordelingen en
(3)de Vlaamse Gemeenschapscommissie veroordeeld in al de gerechtskosten. 1.
  1. Het hoger beroep van appellante beoogt de hervorming te horen bekomen van het eerste vonnis. Zij vraagt alle vorderingen in zoverre tegen haar gericht ongegrond te verklaren. Appellante vraagt tevens het incidenteel beroep ingesteld door eerste en tweede geïntimeerde ongegrond te verklaren in de mate dat de eerste rechter ten onrechte zou geoordeeld hebben dat het RISO dient beschouwd te worden als de bewaarder van het deksel in de zin van artikel 1384, lid 1 B.W. 1.
  2. Bij incidenteel beroep vorderen eerste en tweede geïntimeerde de oorspronkelijke vordering van de Post ongegrond te verklaren in zoverre tegen hen gericht. In ondergeschikte orde vragen zij de bevestiging van het bestreden vonnis in zoverre hierin appellante veroordeeld werd om hen te vrijwaren. 1.
  3. De Post vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. In ondergeschikte orde vordert de Post, in zoverre de aansprakelijkheid van eerste en tweede geïntimeerde niet aangenomen wordt op grond van artikel 1384,lid 1 B.W., beiden wel aansprakelijkheid te stellen op grond van artikel 1382 B.W. en in solidum te veroordelen tot betaling van de gevraagde en toegekende bedragen plus de intresten. II. De feiten. 2.
  4. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
  5. Samengevat komt het hierop neer dat de heer L. D., een personeelslid van de Post, op 23 februari 1999 het slachtoffer werd van een arbeidsongeval. Het slachtoffer bevond zich in een pand, gelegen te Brussel, Antwerpsesteenweg 295, dat eigendom is van appellante en gehuurd wordt door het RISO. Bij het verlaten van dat pand trapte het slachtoffer op het putdeksel van het keldergat dat wegsloeg. Hierdoor liep het slachtoffer een verstuiking op van de rechtervoet en was hierdoor afwezig op zijn werk van 24 februari 1999 t.e.m. 2 mei
  6. De Post vraagt de terugbetaling van het bruto - weddeverlies t.b.v. 5.367,72 euro (stuk 7). Zij treedt hierbij op zowel in haar hoedanigheid van wetverzekeraar arbeidsongevallen als in haar hoedanigheid van werkgever gesubrogeerd in de rechten van haar aangestelde. III. Beoordeling. 3.
  7. Wat de aansprakelijkheid betreft: 3.1.
  8. De Post is de mening toegedaan dat het RISO, als huurster van het pand, tevens de bewaarder is van het litigieuze deksel, oorzaak van het ongeval. Het RISO betwist dat en is de mening toegedaan dat het deksel geen deel uitmaakt van het gehuurde gebouw en als een extern element dient beschouwd te worden. Appellante (= Vlaamse Gemeenschapscommissie) betwist dat het keldergatdeksel behept was met een gebrek gezien zij dat deksel afgesloten zou hebben met een ketting (= toepassing van artikel 1384, lid 1 B.W.). In ondergeschikte orde meent appellante dat het RISO nalatig is geweest en niet alle nodige voorzorgsmaatregelen genomen heeft om te verhinderen dat zich een ongeval voordeed (= toepassing van artikel 1382 - 1383 B.W.). 3.1.
  9. De eerste rechter was van oordeel dat het RISO wel degelijk de bewaarder was van het desbetreffende deksel en derhalve aansprakelijk was voor het ongeval op grond van artikel 1384, lid 1 B.W. Appellante werd door de eerste rechter tevens aansprakelijk gesteld voor het ongeval wegens haar onzorgvuldig optreden en weerhield bijgevolg een inbreuk op artikel 1382 - 1383 B.W. in hare hoofde. 3.1.
  10. Artikel 1384, lid 1 B.W. bepaalt dat iemand aansprakelijk is niet alleen voor de schade veroorzaakt door eigen daad maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan of voor zaken die men onder zijn bewaring heeft. Deze wetsbepaling schept een vermoeden van aansprakelijkheid. Om iemand op grond van artikel 1384, lid 1 B.W. tot schadeloosstelling te veroordelen, moet vaststaan dat de zaak aangetast is door een gebrek waardoor het slachtoffer schade lijdt. Een zaak is gebrekkig, indien zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken. Het bewijs van het bestaan van een gebrek kan rechtstreeks gebeuren, waarbij het slachtoffer alle middelen van recht kan aanwenden, getuigen en vermoedens inbegrepen of onrechtstreeks, in welk geval het slachtoffer moet aantonen dat de schade zich niet zou hebben voorgedaan indien de zaak niet door een gebrek was aangetast. 2.1.
  11. De bewaarder van een zaak is de persoon die voor eigen rekening van de zaak gebruik maakt, het genot ervan heeft of voor het behoud ervan zorgt, met recht van toezicht, leiding en controle. Het RISO is de huurder van het pand. Uit geen enkel element blijkt dat de verhuurder (= appellante) de mogelijkheid behield om, voor eigen rekening, geheel of gedeeltelijk, toezicht, leiding en bewaring van de zaak uit te oefenen, zodat hij het meesterschap behield. Het RISO is in deze derhalve wel degelijk de bewaarder van het gehuurde pand. Hiertegen zal het RISO opwerpen dat het bewuste kelderdeksel geen deel uitmaakt van het gehuurde gebouw gezien het zich buiten op de stoep bevindt en derhalve dient beschouwd te worden als een extern element dat niet onder haar bewaking valt. Het kelderdeksel maakt integraal deel uit van de kelder van het gehuurde pand - en heeft geen uitstaans met de structuur van een gebouw - en hiervan is het RISO de enige bewaarder. 2.1.
  12. Een kelderdeksel dient bestand te zijn tegen het overlopen ervan. Kelderdeksels van dat type komen doorgaans uit op de stoep die als enige functie hebben dat erop gestapt wordt. Een kelderdeksel dat omklapt wanneer erop gestaan wordt, is gebrekkig en dit brengt de aansprakelijkheid van de bewaarder van die zaak met zich mee op grond van artikel 1384, lid 1 B.W. Het feit dat het RISO niet zou geweten hebben welke gevaren dat kelderdeksel met zich kon meebrengen, is niet relevant. De aansprakelijkheid van de bewaarder van de zaak voor de schade die desbetreffende zaak veroorzaakte, wordt immers niet weggenomen door de onoverkomelijke onwetendheid omtrent het gebrek van de zaak. Dat het RISO hierbij geen eigen fout beging, is evenmin relevant. Op grond van artikel 1384, lid 1 B.W. is de bewaarder aansprakelijk ook al heeft hij geen fout begaan. 2.1.
  13. Het bestreden vonnis wordt dan ook bevestigd in zoverre hierin het RISO aansprakelijk wordt gesteld voor het schadegeval op grond van artikel 1384, lid 1 B.W. De N.V. Mercator is de verzekeraar van het RISO en is om die reden mede gehouden tot vergoeding van de schade zoals vastgesteld door de eerste rechter. 2.1.
  14. De Post zal zich in ondergeschikte orde tevens beroepen op artikel 1382 - 1383 B.W. t.a.v. het RISO. Gezien de aansprakelijkheid van het RISO reeds vaststaat op grond van artikel 1384, lid 1 B.W. dient geen verder onderzoek gewijd te worden aan dit middel. 2.1.
  15. In eerste aanleg richtte de Post zich tevens tegen appellante op grond van artikel 1382 - 1383 B.W. Zij verweet de Vlaamse Gemeenschapscommissie als eigenaar van het pand nalatig te zijn geweest m.b.t. het nazicht van het bewuste kelderdeksel . In hoger beroep vraagt de Post, in ondergeschikte orde, in het beschikkend gedeelte van haar conclusie appellante en het RISO in solidum aansprakelijk te stellen voor het schadegeval op grond van artikel 1382 - 1383 B.W. doch in het motiverend gedeelte van haar conclusie ontwikkelt zij geen enkele argumentatie m.b.t. de mogelijke aansprakelijkheid van appellante op grond van deze bepalingen (deze bepalingen worden enkel in verband gebracht met eerste geïntimeerde, zijnde het RISO). Volledigheidshalve stelt het hof vast dat aan appellante geen fout in de zin van artikel 1382 - 1383 B.W. kan verweten worden. Vanaf het te huur stellen, oefende appellante geen toezicht meer uit op het gebouw en kon zij dus geen maatregelen meer nemen om een ongeval te voorkomen. Zij mocht in principe het verhuurde goed niet eens meer betreden zonder akkoord van de huurder. Het bestreden vonnis wordt op dit punt, voor zoveel als nodig, hervormd. 3.
  16. Wat de vordering in vrijwaring betreft van het RISO tegen de Vlaamse Gemeenschapscommissie: 3.2.
  17. Het RISO steunt haar vordering in vrijwaring op een contractuele tekortkoming vanwege de eigenaar van het gebouw overeenkomstig de artikelen 1719, lid 3 en 1721 B.W. De eerste rechter was van oordeel dat het RISO wel degelijk de bewaarder was van het betreffende deksel doch dat appellante tevens in gebreke bleef haar contractuele verplichting om het rustig genot van het gehuurde goed te waarborgen aan de huurder na te leven. Het RISO vraagt desbetreffend de bevestiging van het bestreden vonnis. 3.2.
  18. Artikel 1719, lid 3° B.W. bepaalt dat de verhuurder, uit de aard van het contract, en zonder dat hiertoe enig bijzonder beding nodig is, verplicht is de huurder het rustig genot daarvan te doen hebben zolang de huur duurt. Artikel 1721 B.W. bepaalt verder dat de verhuurder vrijwaring verschuldigd is aan de huurder voor alle gebreken van het verhuurde goed, die het gebruik daarvan verhinderen, ook al mocht de verhuurder die bij het aangaan van de huur niet hebben gekend. Het staat vast dat het kelderdeksel gebrekkig was en niet beantwoordde aan het gebruik dat ervan mocht verwacht worden. Hierdoor ontstond een genotstoornis in hoofde van de huurder, zijnde het RISO. Appellante geeft overigens toe het deksel te hebben afgesloten met een ketting wat inhoudt dat er zich problemen voordeden met het afsluiten van dat deksel. De door appellante gekozen oplossing, bleek achteraf niet afdoend gezien na het ongeval beslist werd het deksel dicht te lassen. Nergens blijkt uit dat de huurder veranderingen aanbracht aan de toestand van het kelderdeksel vóór het ongeval. Appellante beroept zich ten onrechte op artikel 1725 B.W. In deze wetsbepaling gaat het om stoornissen die teweeg worden gebracht door derden, wat in deze niet het geval is. 3.2.
  19. Het bestreden vonnis wordt bevestigd in zoverre hierin appellante veroordeeld wordt om het RISO en haar verzekeringsmaatschappij, de N.V. Mercator, te vrijwaren op grond van haar contractuele tekortkomingen. 3.
  20. Wat de schade betreft: 3.3.
  21. De Post treedt op zowel in haar hoedanigheid van werkgever als in haar hoedanigheid van wetverzekeraar arbeidsongevallen. In beide gevallen is zij gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer. Op basis van artikel 14, §3 van de wet van 3 juli 1967 is de Post, in haar hoedanigheid van wetverzekeraar arbeidsongevallen, slechts gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer ten beloop van het nettoloon. De Post vraagt bovendien in haar hoedanigheid van werkgever het verschil tussen het nettoloon en het brutoloon. De Post argumenteert dienaangaande dat zij immers statutair/contractueel verplicht is haar werknemers, tijdens de periode dat zij arbeidsongeschikt zijn, verder uit te betalen (= nettoloon + de bijhorende sociale en fiscale bijdragen) terwijl hier tegenover geen arbeidsprestaties staan. Zij meent dan ook recht te hebben op een integrale schadeloosstelling, zijnde de terugbetaling van het aan het slachtoffer uitgekeerde brutoloon. Het RISO en Mercator werpen hiertegen op dat de aanwezigheid van een eigen juridische oorzaak, met name de wettelijke of reglementaire verplichting om verder de wedde en de waarborgen van het sociaal zekerheidsstelsel te betalen, op zich het oorzakelijk verband verbreekt tussen de fout en de schade. 3.3.
  22. De Post is wettelijk/statutair verplicht het brutoloon en de patronale bijdragen te blijven betalen van haar personeelsleden, zelfs wanneer deze, tengevolge van een daad door een aansprakelijke derde, arbeidsongeschikt zijn. Het oorzakelijk verband tussen de schadeverwekkende daad en de schade van de Post wordt niet verbroken door de bedoelde wettelijke plicht, omdat de Post de betalingen aan haar arbeidsongeschikt personeel betaalt als voorschot, als " borg ", van de veroorzaker van het ongeval. Het is immers niet de bedoeling dat de Post de aldus ontstane schade voor haar rekening zou nemen ter ontlasting van de schadeveroorzaker. De verplichting van de Post om de wettelijk/statutair bepaalde vergoedingen te blijven betalen, is slechts secundair t.o.v. de verplichting van de dader om de schade te vergoeden. Er is derhalve geen verbreking van het oorzakelijk verband. 3.3.
  23. Het bestreden vonnis wordt bevestigd in zoverre hierin de schade-eis van de Post integraal wordt toegekend. 3.
  24. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft: 3.4.
  25. Alle partijen hebben ter zitting van 1 december 2008 om de toepassing gevraagd van het basistarief die zij begroot hebben op 900 euro gelet op de door de Post gevorderde bedragen (= 5.367,72 euro + vergoedende intresten). 3.4.
  26. Appellante is gehouden tot betaling van deze rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 900 euro aan de Post enerzijds en aan het RISO en N.V. Mercator anderzijds doch wat deze twee laatste partijen betreft slechts ten beloop van de ½.. De overige helft blijft ten laste van het RISO en de N.V. Mercator zelf. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en enkel in de hierna beperkte mate gegrond. Verklaart de incidentele beroepen ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijziging dat wat de hoofdvordering betreft enkel de VZW Regionaal Instituut voor de Samenlevingsopbouw (RISO) en de N.V. Mercator gehouden zijn tot vergoeding van de Post. Veroordeelt appellante in de kosten in hoofde van de Post en in de ½ van de kosten in hoofde van RISO en de N.V. Mercator, in hun geheel begroot - in hoofde van appellante op euro 1.086 (186 rolrecht + 900 rechtsplegingsvergoeding), - in hoofde van RISO en MERCATOR samen op euro 900 rechtsplegingsvergoeding, en - in hoofde van de POST op euro 900 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.